Melati van Java: Dorenzathe Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915 (Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885
HOOFDSTUK XI.
De winter met zijn stoet van hagel, sneeuw, ijzel- en regendagen streek langzaam en geduldig over Groothuizen. In Dorenzathe vooral vond Isabelle dat de lente bijzonder lang uit bleef; nooit was het kasteel haar zoo eenzaam en doodsch voorgekomen. Geen wonder dan ook! Bonne-maman was erg sukkelend en verliet hare kamer nauwelijks meer, terwijl papa zeer uithuizig en overigens diep in gedachten was. Isabelle leefde dus bijna geheel verlaten en zat meestal aan het lijdensbed der zieke, die zij op alle wijzen trachtte op te beuren. Wat de oorzaak van haar vader's bezorgd gelaat was, wist zij ten halve. Dat kwam van die nare geldzaken; met Mei moest de hypotheek worden afgelost en waar
[61:]
zou hij het geld van daan halen? Plotseling scheen alles een beteren keer te hebben genomen. De Marcy lachte en schertste weer Isabelle was er blij om en vroeg niet naar de reden van die snelle verandering. Zij wist dat de oude Brons dikwijls bij papa kwam en dat ook de graaf daar vele bezoeken bracht; zij mengde zich echter niet in haar vader's zaken en vergenoegde zich bonne-maman er niet over te spreken. "Zeg eens, Isa," zeide de oude dame op een middag dat zij bijzonder wel was, "ik moet u nog eens wat vertellen. We spraken laatst van het lot der adellijke jonkvrouwen vóór de revolutie. Ik vergat toen dat ik een nicht had, Isaure de Granville, die zich aan haar bestemming ontworstelde." "Is ze met een roturier getrouwd?" "Helaas ja! We waren zeer gelieerd; ik was echter volstrekt niet arm, maar zij daarentegen bezat niets. De verzoeking was groot, want die haar rechetcheerde was een knap jongmensch, een koopman; mijn papa, haar voogd, wilde dat zij zou trouwen met een ouden schatrijken hertog. De keus was niet moeilijk!" "Grootma, ik had den hertog niet willen hebben." "Poésie der jeugd, kind, en zoudt ge dien roturier dan gekozen hebben?" "Ook niet!" "Nu, mijn nicht dacht er anders over! Zij begaf zich naar de ouders van haar beau, trouwde hem en we hebben niets meer van haar gehoord. Toch wel eens! toen de graaf mijn echtgenoot gestorven was, heeft ze mij haar kaartje gezonden en ik zag er uit dat ook zij weduwe was. Veuve Ducombel! Ik zond haar mijn kaartje terug, want een beleefdheid mag nooit onbeantwoord blijven en als ik nu dood ben, Isa, moet ge haar ook een annonce zenden, niet omdat ik haar nog tot mijne familie reken, maar omdat ik er op sta een voorbeeld te geven van beleefdheid.' "Bonne-mama, spreek toch niet van uw dood! Als u sterft, wat moet er dan van mij worden?"
[62:]
"C'est vrai petite! God beware me nog in het leven! Maar we spraken van Isaure! Geef me mijn cassette, daar liggen nog een paar brieven van haar. Ze was eens mijn beste vriendin, arm kind! ze is niet standvastig gebleven, maar toch, neen Isa. ge moet haar geen koude annonce zenden. schrijf haar een briefje en zeg dat ik de comtesse Granville niet vergeef haar adel te hebben weggeworpen, maar ik nog steeds in liefde lsaure heb herdacht." "Grootma, ik hoop dat ik nooit dat briefje schrijven zal, nooit nooit!" "En wilt ge dan dat ik u overleef, petite Botte?" "Liefst ja, bonne-maman! want ach! wat is een leven zonder u?" Veel van zulke gesprekkken hield Isabelle niet meer met de oude dame, want deze werd zwakker en zwakker en toch verzekerden de doctoren, dat zij nog lang zou kon leven en er volstrl!kt geen vrees bestond voor een spoedigen dood. Vooral de vicomte drong op een bepaald antwoord van hen aan, want niettegenstaande zijn tegenzin had hij toch nog even met Brons gesproken over den verkoop van het kasteel. "Ik wil het gaarne koopen," sprak Brons, "onder voorwaarde dat ik tegen Mei er bezitter van word. Dan laat ik het een en ander verbouwen en betrek het tegen den winter." "Mei, Mei! als de oude dame nu in staat was te reizen, dan nam ik den dokter onder den arm en liet haar een verblijf in het Zuiden voorschrijven, maar de dokter verbiedt haar elke beweging." "Ik ben nu in gesprek over een prachtige buitenplaats bij Arnhem, aan den Velperweg, Ik heb veel kennissen in die stad en zal daar dus een prettiger leventje hebben dan hier, Als, ik Dorenzathe koop is 't enkel..." "Om mij pleizier te doen?" "Dat nu juist niet, graaf!" was het antwoord op lachenden toon gegeven, want dat, weet ik zeker, zou u
[63:]
niet eens aangenaam zijn, maar ik heb Dorenzathe lief als een herinnering mijner kindsheid." "Ja, ja, er zijn allerliefste souvenirs voor je aan verbonden! Dat moet ik zeggen!" "Zeker, souvenirs die ik op prijs stel." De Marcy glimlachte zeer gedwongen en in zijn hart verwenschte hij den loop van zaken, die hem minder den gelijke, dan wel den ondergeschikte maakte van een man, in wien hij steeds zijn oud schoenpoetser zag. Dit gesprek had in de societeit plaats bij de eerste dagen van April, kort nadat Brons van een buitenlandsche reis met zijn zoon was terug gekeerd. Een oogenblik later hoorde de Marcy hoe de nabob met andere heeren sprak over alles, wat bij in den vreemde gezien en genoten had en zijn jaloezie nam meer en meer toe. "Gaat u naar huis, graaf? vroeg Barends hen naderend. "Hé notaris, om dezen tijd hier, dat is iets ongewoons!" "Ja, ik moest u spreken." "Kan dat hier gebeuren?" "Neen, zeker niet." "Nu dan ga ik met je mee." Op straat gekomen begon de notaris: "Denkt u wel aan de hypotheek van Jacobson? Op een groote maand schrijven we 1 Mei." Met een gelaat schitterend van zelfvoldoening; en zijn ééne oog toeknippend met een zeer geheimzinnige uitdrukking, fluisterde de Marcy: "De zaak is in orde. Pas met Januari verlangt Jacobson zijn hypotheek terug!" "Dat heeft hij van morgen mij ook gezegd." "Nu; wat zou dat?" "Ja, wat dat zou... Ik begrijp die verandering niet eerst was Jacobson er niet af te brengen. Hij had het met u afgemaakt, zei hij later." "En is dat niet genoeg?" "Zeker wel maar toch, me dunkt dat ik, die al uw zaken in handen heb, hier toch een woordje mee mag
[64:]
spreken. Ik ken Jacobson; hij zou zijn traditien ontrouw wezen, wanneer hij zonder eenige vergoeding, u een gunst toestond, die hij aan onze dringendste verzoeken eerst geweigerd heeft." "De zaak is in orde, bemoei er je niet mee, Barends." "U vergeet, mijnheer, dat ook de belangen van uwe moeder en minderjarige dochter in mijne handen zijn." "Zoo, is het geen groot gelnk voor ons, dat Jacobson uitstel verleent? Hoe zouden wij het geld bijeen hebben gekregen, zonder Dorenzathe te verkoopen?" "Maar dat uitstel is op voorwaarden verleend, die misschien nog moeilijker zijn te vervullen." "Kom, kom, denk je dat ik ook geen verstand heb?" "In zaken af heel weinig, oprecht gesproken en zonder u te kwetsen." "Nu in deze zaak heb ik zeer diplomatiek gehandeld." "Ik geloof, dat Jacobson er zoo heel gerust ook niet onder is. Hij vroeg me, of ik van de zaak wist en of Dorenzathe al verkocht was." "Anders niets." "Neen, maar hij had meer op het hart." "Nu, maak je niet ongerust: de zaak is gezond." Ze stonden voor het hnis van den notaris en de Marcy nam afscheid; bezorgd ging Barends naar binnen. "Ik vertrouw hem niet," mompelde hij: "'t is een oud kind, anders niet. Wie weet wat die jood hem heeft laten teekenen; ik moet er achter komen." Een uur later was de notaris rustig aan het eten toen een driftige ruk aan de bel zijn huisgenooten deed opschrikken. De meid kwam een oogenblik later binnen: "Mijnheer Brons, die mijnheer den notaris onmiddellijk moet spreken." Verrast, nog met zijn servet in de hand, ging de notaris naar zijn kantoor, waar Brons in zichtbare opgewondenheid op en neer liep. "Wist u daarvan? Is u ook medeplichtige in dat schurkencomplot. Bij den duivel, ik verzeker je dat ik jullie allemaal, Hollandsche bandieten, aanklaag, want er
[65:]
is nog gerechtigheid in ons land! Daar zie jelui nu niets geen kwaad in, een Oosterschen wilde te villen. Dat gaat alles in een broederschap door!" "Maar mijnheer Brons!" "Dat is immers een geloofspunt bij jelui, hé, dat je gerust ons Oost-Indische, apen uitkleeden en bedriegen kunt, zooveel als het jelui goeddunkt; wij hebben immers alles wat wij bezitten, gestolen. Neen, mijnheer, daar vergist ge je in! Eerlijk heb ik mijn rijkdom verdiend en dat mijn dubbeltjes jelui de oogen uitsteken, begrijp ik heel goed, Geen wonder ook, een graaf en een schoenpoetser, wat een verschil, maar dat verzeker ik je, zoo waar als hij mij eens in de gevangenis heeft laten zetten, zoo waar verzeker ik je, dat ik hem op mijn beurt achter de grendels zal doen verdwijnen. Die schurk, die dief." Met beide handen zijn servet omklemmend, de oogen strak op den driftigen bezoeker gevestigd, hoorde Barends gelaten den woordenstroom aan, "En mag ik nu eens weten, mijnheer Brons, wat ik in deze zaak heb te maken?" "Wat, ben jelui geen twee vossen met een kop? Doet die windbuil van een graaf dan ooit iets zonder jou voorkennis?" "Die toon, mijnheer..." "Wat toon? Denk je dat ik misschien tegen jou een adellijken toon zal aanslaan? Laat dat je compagnon doen, die je spoedig gezelschap kunt houden daar ginds achter de traliën." "En nu eisch ik uitlegging van u, mijnheer Brons! Wat is er van die zaak?" "Daar, ken je dit briefje?" En hij wierp den verbluften notaris een enveloppe toe; waarop het adres stond van den Hooggeboren Heer G. Burggraaf de Marcy van Dorenzathe. In de enveloppe stak een briefje, dat Barends nieuwsgierig doorliep.
[66:]
"Hooggeb. Heer!" "Ik stem in uw aanbod toe en zal mevrouw uw mama "het kasteel laten bewonen tot zoolang zij vervoerd kan "worden. Het huis Dorenzathe met bijbehoorenden grond "is dus van dit oogenblik af het mijne, voor f 60,000; "ik zal met Barends over de formaliteiten van overschrij- "ving spreken. "Laat de zaak echter vooreerst geheim blijven. Hoogachtend UHGeb. dw. dr., D. BRONS.
"Maar dat is uw hand niet," riep de notaris onmiddellijk. "Wat, merkt u dit nu pas? "Wist u er dan niets van?" "Hoe zou ik het weten, als u binnen komende niets doet dan razen en tieren? Ik begrijp niet eens, waarover deze zaak handelt." "Dan moet ik alles van voren af vertellen. Ik kom van de societeit thuis, waar ik dien schurk nog zonder erg zei, dat ik tegen Mei het kasteel wou hebben of anders nooit, en daar zegt me Daatje: "Oome, hier is een jood om u te spreken." Ik ga naar binnen, denkende dat het een reiziger of zoo iets was, maar jawel, na vele complimenten komt de kerel tegen me: "Meneer Brons, excuseer, dat ik misschien in een geheim treed, maar alles wordt onder vier oogen behandeld. Is het waar, dat u het kasteel Dorenzathe heeft gekocht? Ben je gek, vent? roep ik uit, wie vertelt dat? Mijnheer de graaf! zegt de andere bleek als een doek; hij wordt vertrouwelijker en vertelt me dat hij een hypotheek had op het kasteel, groot f 30,000, dat hij die tegen Mei had opgezegd, maar de graaf liet hem in het begin van Januari op het kasteel komen en verzocht hem geduld te hebben tot October, dan zou hij aan den schuldeischer f85,000 betalen, blijkens een papier, dat de jood mij vertoonde, door de Marcy onderteekend en van zijn zegel voorzien." "Maar uw briefje dan?" "Onze woekeraar stemde daar nu zoo gaafweg niet
[67:]
in toe en vroeg op wat voor manier de kale jonker hem in October f 35,000 zou kunnen bezorgen. "Wel, ik heb mijn kasteel verkocht aan dien Oosterschen heer en goed ook." De andere, die zijn volkje kende, vroeg een schriftelijk bewijs en dit scheen de schelm voorzien te hebben, want hij haalde nu dit papier voor den dag. Jacobson verleende hem het uitstel, maar die joden denken om alles, hij vroeg het briefje, zoogenaamd van mij, te mogen houden. Natuurlijk gaf de vicomte dit niet graag uit zijn vingers, maar de andere zei, "geven of nemen," en ging niet weg, voor hij het in zijn bezit had." "Dus is het briefje nagemaakt?" "Wel zeker! Het adres is van mij, dat stukje lak is nog van mijn zegel. Ik zond hem 't vorig jaar een briefje over de jacht, geloof ik, en daarnaar copieerde hij zoo. wat mijn schrift, vrij lomp, zooals u ziet!" "En hoe is Jacobson achter de vervalsching gekomen?" "Hij hoorde niets van den verkoop, en toen is hij u gaan raadplegen, maar, zoo verzekerde hij, ge hieldt u onnoozel." "Dat wil ik gelooven! Ik wist ook van niets!" "Ik betwijfelde het zeer en ook Jacobson meende dat u er meer van zoudt kunnen zeggen." "Zeer vereerd!" "Hij vond het 't veiligst er met mij over te spreken en bekende toen dat hij zelfs zoo onnoozel was geweest, den graaf aan nog f 2000 te helpen." "En nu is hij zeker naar het kasteel toe en wie weet, welke verwarring hij daar aanricht!" "Zou dat dan niet goed zijn? Verdient hij 't niet." "Vrij zeker,ofschoon ach! hij is meer te beklagen dan te beschuldigen; hij meende niets strafbaars te doen." "Dat zal hij ondervinden als hij in 's Rijks vrij pension kalm kan nadenken over de wisselvalligheid der wereldsche zaken. Dorus Brons kan hem op een andere manier vrij kost en logies bezorgen dan door hem heele nachten bij zich aan huis te tracteeren. Ik heb Jacobson gezegd,
[68:]
nog niet naar hem toe te gaan, maar hem een briefje te schrijven dat hij er op staat met primo Mei zijn f 32,000 terug te hebben. Dan is hij voorloopig genoeg gestraft; Dorenzathe moet publiek verkocht worden." "Ik vrees er voor!" "En morgen reeds klaag ik den Hoog Geboren Graaf aan, wegens vervalsching in geschriften. De heele modderige zaak wordt publiek en hijzelf eindigt met een paar jaar eenzame opsluiting." "Brons, bedenk u voor gij een heel gezin in 't ongeluk stort, een familie, die altijd onberispelijk..." "Ja, ja, een mooie, lieve familie! Wie zou er mij dank voor weten, als ik die zaak verzweeg?" "Allen! Ge zult de schoonste zegepraal genieten als ge hem vertelt, wat gij kunt doch niet wilt doen!" "Neen, zij hebben mij eens vernederd,gegriefd, onteerd!" "Een kwajongen!" "Ik had toen ook mijn eer op mijn manier! Dien morgen, toen hij mij zijn laarzentrekker tegen het gezicht wierp, voelde ik mij diep rampzalig! De man zal wreken wat aan het kind misdaan is!" "Hoe onedel was het dan, Brons, dien man aan je tafel te noodigen, hem te bezoeken, de vriendenhand te reiken?" "Toen was ik ook oprecht, het was op dat oogenblik mijn zegepraal, maar nu heb ik een andere in mijn hand. Hij heeft mijn naam misbruikt, beschikt over mijn geldkist! Adieu notaris, je gaat ze zeker waarschuwen, hè?" "Brons, blijf een oogenblik, bedenk..." "Ik bedenk niets! Mijn plan is gemaakt!"
inhoud | vorige pagina | volgende pagina