doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Melati van Java: Colibri
Schiedam: H.A.M. Roelants, tweede druk 1907 (eerste dr. 1901)


[93:]

V.

Ryno de Mouchy zat tegenover haar in de groote zaal, die slechts bij zeer deftige gelegenheden gebruikt werd en er dan ook met zijn wit verlakte, goud ingelegde Empire-meubels en de goudgele zijden damasten overtrekken niet uitzag als bestemd voor dagelijksch gebruik.
Van de muren zagen de portretten der voorouders van het geslacht Westringa in geschilderde deftigheid neder op hun twee afstammelingen, bijna verloren gaande in de groote ruimte.
Ryno had de zaal herkend; het was hem of hij pas gisteren hier samen was geweest met het vlugge, levendige nichtje, dat hij met grage oogen aanzag.
Nu was het nichtje een ijsjonkvrouw geworden, stemmig gekleed met starre oogen, kleurloos haar, afgemeten gebaren en bleeke stem.
Hij was nog altijd de slanke jonker van toen, wat forscher, wat gebruinder; zag men hem beter aan, dan viel het op dat de lippen onder den dikken, donkeren snorbaard soms onrustig trilden, en dat er nu en dan in de opene, heldere, grijze oogen iets ge

[94:]

jaagds, bijna angstigs steeg; dan trokken de wenkbrauwen zich zenuwachtig samen en de neusvleugels sidderden.
Overigens was hij minder verouderd dan zij, ofschoon zijn hoofdhaar zilverwit was in sterke tegenstelling met zijn zwarten knevel; terwijl zij geheel verschillend was geworden van hetgeen haar jeugd voorspelde.
"'t Kan niet anders. Iets moet haar in de diepste diepten van haar wezen hebben geschokt," dacht Ryno; "jaren alleen kunnen een mensch niet zoo uit zijn voegen rukken. Zij is nooit dezelfde geweest na haar schooltijd in Engeland, van waar zij ziek en bloedarmoedig terugkeerde om toen met haar vader de baden te bezoeken."
Hun begroeting was van zijn kant hartelijk en natuurlijk; van do hare koud en afwachtend.
"Nicht," zoo sprak hij, "wij zijn lang genoeg boos op elkander geweest. Vindt u niet dat het eindelijk tijd wordt als goede buren en verwanten naast elkander te leven? Wij worden beiden oud, u is te ver boven die bagatellen verheven om dit niet te begrijpen; laten wij ons restje jaren niet meer bederven door familietwisten, waarvan wij zelf eigenlijk heel weinig meer weten."
Zij wees hem met een deftig gebaar een fauteuil aan, terwijl zij zelf op den rand der canapé ging zitten.
"Ik vind uw voornemen hoogst louabel," antwoordde zij, "maar gaarne zou ik willen weten, wat u aanleiding geeft dezen stap te doen, juist nu en niet vroeger!"
Hij haalde de schouders op en lachte.
"Maar lieve nicht, is de reden die ik aangaf niet voldoende? Een wijs mensch regelt bij het klimmen

[95:]

jaren zijn zaken, opdat de dood hem niet overvalt."
Nu was het haar beurt te glimlachen, zoo'n effen zenuwachtig glimlachje.
"U spreekt of u reeds een zeventiger is, neef! En u is maar goed de helft voorbij."
"Toch klimmen wij de ladder haast af, nicht! In elk geval ik begreep dat er hier alleen sprake kon zijn, niet van een ingewortelde familiegrief, maar eenvoudig van een misverstand, dat niet uit den weg wordt geruimd omdat geen van beiden den eersten stap wilde doen. Ik als man heb dien nu gedaan, van u hangt het af of het bij dien eenen stap zal blijven, maar u is te christelijk en te vroom om haatdragend te zijn."
"Ik voel geen haat jegens u, maar mijne rechten kon ik niet laten varen omdat zij die zijn van mijn geslacht."
"U hoeft geen rechten te laten varen, en kan ze laten gelden zooveel u wij."
"En Joujou dan? Hebben wij hier niet genoeg over geprocedeerd en genoeg over getwist en gewrokt?"
"Ik kom u Joujou aanbieden als een geringe bijdrage in het groote maatschappelijke en philanthropische werk door u ondernomen."
Freule Richmonda staarde hem verbaasd aan; zij vertrouwde haar ooren en oogen niet.
Was dat de zoon van neef Egbert, die hier voor haar zat en haar het land - waarover zoo veel te doen was geweest, dat haar vader zooveel ergernis, haar moeder zooveel tranen had gekost, dat hun steeds een doorn in het vleesch was geweest - zoo eenvoudig ten geschenke afstond? Wat schuilt hierachter? dacht zij wantrouwend.

[96:]

"En u verlangt er niets voor terug, neef? U geeft er mij vrije beschikking over?"
"U kan met Joujou alles doen wat u wil, zooals het u uitkomt, het verbouwen of naar den grond halen."
"Voor niets, zegt u, voor niets?"
"Zeker nicht! Dat zei ik en herhaal het nog eens."
En hij lachte hartelijk, met zijn armen op de knieën steunend, voorovergebogen en zich verkneukelend in haar verwarring.
"Maar dat kan ik niet accepteeren. Onmogelijk!"
"Waarom niet? Het heele proces was toch om dat stukje grond met het paviljoen?"
"Erkent u dan - dat wij recht hadden en het proces onrechtmatig hebben verloren?"
"O nicht!" - hij richtte zich op en leunde achter tegen zijn stoel, de oogen naar het fijne stuc van het plafond slaande, "vraag me nu niet te veel! Ik heb mij nooit ernstig met het proces bemoeid. Ik liet het aan vader over. Laat het eenvoudig rusten. Joujou is van u - wat wil u meer!"
"U stapelt mij gloeiende kolen op het hoofd en dat is zoo'n vreemde gewaarwording. Ik ben 't niet gewoon."
"Het zal wel wennen en dan zal u inzien dat het niet zoo onaangenaam is - integendeel het verwarmt."
"Maar ik kan zoo'n geschenk niet aannemen!"
"'t Is geen geschenk, 't is immers uw recht!"
Weer die spottende uitdrukking in zijn oogen, die haar verwarde en deed twijfelen aan den ernst zijner bedoelingen.
"Als u dat erkent, dan is het geen cadeau."
"Dan zijn de kolen weg, wil u zeggen! Kom, nicht, tob er niet langer over! Joujou is voor u, de notaris zal de akte van schenking opmaken en daarmede

[97:]

uit. Laten wij de familie-veete begraven en weg doen klinken onder een glas champagne of - ik vergat het, u is zeker geheelonthoudster?"
"Hoe weet u dat?"
"'t Past zoo in uw levenssysteem."
"Ja, 't is waar, maar dat moet u niet beletten in uw plan!"
"Neen, alleen geldt niet. Geef mij uw hand maar en zeg dat alles vergeten en vergeven is en wij voortaan als goede vrienden en als heusche neef en nicht zullen leven."
Zij gaf hem nog steeds min of meer aarzelend en ontwijkend haar zachte, blanke hand, die hij tot brekens drukte in zijn krachtige, beenige vingers.
"Maar nu komt u zeker ook nooit meer hier," zeide zij na een poosje van nadenken, "als Joujou weg is?"
"Waarom? Als ik wil jagen, heeft vrouw Kool van de herberg altijd nog een kamer voor mij over."
"O, dat is niet noodig! U heeft hier uw thuis."
"Nicht Richmonda, denk niet dat ik van de gloeiende kolen, waarvan u sprak, maar die ik niet op uw hoofd gelegd heb, wil profiteeren. Uw vriendschap, uw handdruk, die aan allen twist een einde maakt, zijn me genoeg. Ik stel veel prijs op den familieband met u, want ik acht u hoog!"
Zij voelde zich weer slecht op haar gemak onder zijn doordringenden blik, die toch zoo vriendelijk scheen.
"Zeg mij dan welkom in het huis van onze voorouders! Die oude heeren zien met welgevallen op ons neder nu wij weer vrienden zijn."
"Welkom in ons huis, Ryno!" sprak de freule iets warmer dan anders en eindelijk gewonnen. "Wil je nu ook deelnemen aan het vredemaal, dat wil zeggen, heel prozaisch, mijn lunch?"

[98:]

"Nu nicht! Dat eerste verzoek mag ik niet weigeren."
"Laten wij dan uit deze ongezellige kamer gaan naar de hal; voor eten zal het wel gauw tijd zijn."
Zij ging hem vóór en nu traden zij de eetkamer binnen of liever de groote hal, waar in de eetkamerafdeeling juffrouw Greivers reeds met Vera op de freule zat te wachten.
"Mijn neef Ryno de Mouchy," zeide freule Richmonda eenvoudig en beval den knecht nog een couvert bij te zetten. Ryno groette beleefd, maar op Vera bleven zijn oogen langer rusten dan op juffrouw Greivers. Zij zag hem aan met haar schitterend, lachend gezicht, en toen viel het Ryno voor 't eerst op dat zij geleek op de Richmonda van vroeger, niet in de trekken, maar in den lach, in de flikkering der oogen, en de oude geschiedenis kwam in zijn herinnering op alsof de jaren daartusschen waren weggevallen met al hun ellende, en woeling en strijd. Een groote kalmte viel over hem, iets alsof een plicht was vervuld waartegen hij lang had opgezien en of nu kalmte en geluk voor hem konden beginnen.
Het dejeuner verliep stil en rustig. Noch juffrouw Greivers, noch Vera zeiden iets als men niet tot haar sprak; de juffrouw bediende zwijgend, sneed het vleesch, trancheerde het gevogelte, schonk den wijn in. Vera liet alleen haar oogen spelen, die oogen tintelend van levenslust en speelschheid.
"Dat kan zij alles omzetten in muziek," dacht hij; "ik moet haar hooren, ik moet, hoe spoediger, hoe liever. "Joujou" is dat feest waard!"
Sedert jaren voelde hij iets, waarnaar hij, de levensmoede, vurig verlangde, iets dat hem vervulde dag en nacht. Alle emotiën meende hij te hebben geproefd, en nu, onverwachts in het bosch had de stem van het

[99:]

kind, meer nog de ziel die hij er in hoorde jubelen, hem nieuwe verborgen bronnen van genot geopend.
Hij moest zich geweld aandoen om met de freule kalm over familiezaken te praten en beleefd en belangstellend naar haar te luisteren. Het liefst had hij Vera maar aangezien, genoten in het rhythme van haar bewegingen, haar blikken, haar lachjes.
Zij gevoelde die bewondering als een warmen gloed haar koesteren en doortintelen; alles om haar heen scheen veranderd; wat was het leven heerlijk!
De zon schitterde in het kristal op tafel, de jonge hyacinten in de serre geurden als de lente; o, dat zij het had kunnen uitjubelen op haar viool! Hoe mooi kon zij vroeger in haar phantasie zelfs de burgerlijke kamer van moeke Dirksma maken, wat zou het hier dan een paradijs worden, en die man tegenover haar scheen te lezen in haar ziel; hij kende zeker reeds de melodieën, die zongen in haar hoofd, die trilden aan de toppen harer vingers.
Hij dorstte naar de gaven van haar talent, die zij hem scheen te beloven; zonder te spreken verstonden zij elkander, uit haar oogen dronk hij de muziek, begeerig als kon niets zijn lust stillen.
En ondertusschen sprak Richmonda op haar koelen, eigen toon over neef die en barones zóó, over hun lotgevallen, hun kinderen, hun ups en downs, en voelde niets van den magnetischen stroom, langs haar heentrekkend.
"Veronica," zeide zij vóór het dessert, "wil u zoo vriendelijk zijn de sigaren te halen en het rookgereedschap voor mijnheer De Mouchy?"
"Wel nicht! Wat staat u hoog boven die vrouwenantipathieën, dat u ons, arme mannen, onzen troost in droefheid en zorg gunt!"

[100:]

"ln de serre kan u rooken als u mij excuseert. Ik heb een boeren vrouwtje van Heide-oord tegen half twee hier besteld. Dadelijk ben ik weer tot uw beschikking, maar tegen twee uur moet ik uitrijden."
"Wat 'n streng geregeld leven! Ik zal veel van u moeten leeren; ik, kind van impulsie en impressie! Nooit weet ik het eene oogenblik wat het volgende mij zal zien doen."
"Een vaste regeling van het leven geeft ons steun en kracht."
"Heeft u die noodig, nicht, u, zoo krachtig, zoo wijs? Heeft u wel ooit gehandeld onder den druk van een oogenblikkelijk, sterk gevoel?"
Hij schrikte van de doodsbleekte van haar gezicht, waaruit het weinige licht en de weinige kleur terugweken, om er niets achter te laten dan een koud, gevoelloos masker.
"Neef, u vraagt meer dan ik antwoorden kan of wil," hernam zij met een poging tot een glimlach, die pijn deed om te zien.
"lk verlang geen antwoord, nicht! Het was meer een opmerking, die ik hardop maakte. Wij zijn beiden onzen eigen weg door het leven gegaan, wij hebben niets van elkander gezien of gehoord in die lange jaren, en nu wij elkaar terugvinden, zijn we beiden door het leven mishandeld of getroeteld, maar wij weten niet het hoe van elkaar."
"Gelooft u dat?" vroeg zij peinzend.
"Er is een geheim in haar leven, dat zij tot eIken prijs verbergt, maar dat nog steeds als een open wonde schrijnt," dacht Ryno.
Vera kwam terug; met een wenk beduidde haar de freule, dat zij het gerei moest neerzetten in de serre, en met een enkel woord waarschuwde haar

[101:]

het meisje, dat vrouw Dieze in het kleine kabinet wachtte.
"Excuseert mij, neef! Ik laat u tot vergoeding van mijn gezelschap de sigaren. Ik denk dat u zich dien ruil niet zal beklagen."
Hij boog hoffelijk, en terwijl juffrouw Greivers met den knecht de tafel begon af te ruimen, liep hij langzaam naar de serre, waar Vera druk bezig was hier een stoel, daar een tafeltje te verzetten, een paar slingers der klimplanten weg te steken.
Zij stonden tegenover elkander, zwijgend maar met stralende oogen.
"Vera," zeide hij, en drukte haar handen in de zijne, "morgen zal ik het hooren, wat ik nu zie, wat ik nu alleen genieten kan door mijn oogen."
"Ik begrijp u niet, ik begrijp mijzelf niet!" fluisterde Vera, "'t is of u hoort, wat ik denk, wat ik voel."
"Morgen zal ik het werkelijk hooren, ik heb een Amati-viool, ik rijd naar de stad om ze in orde te laten brengen."
"Maar hoe kan het morgen?"
"Laat het mij over. O Vera, als je wist, wat je mij nu al goeddoet!"
Zij zag hem aan, terwijl hij nog steeds haar handen in de zijne drukte en zijn blik in den hare deed verzinken.
"Ik ben je zoo dankbaar!" Het klonk haastig, maar zoo warm, zoo innig; haar handen werden koud in de zijne, zij sloeg haar oogen neer onder de liefkoozing van zijn blik. "Mocht ik je meenemen ver van hier, waar je altijd voor mij spelen kon en zingen..."
Zij maakte haar handen los.

[102:]

"O neen! U spreekt zoo vreemd, zoo heeft niemand tot mij gesproken. Ik mag niet naar u luisteren. Eenmaal heb ik geluisterd en - en - 't is mij zoo slecht gevaren - nu nooit meer!"
Zij was heen en hij zag haar na in pijnlijke teleurstelling en bittere ontgoocheling. Wat bedoelde zij?
Haar kinderachtig geheim nam in zijn verbeelding onbegrijpelijk, groote verhoudingen aan, het drukte hem neer, het doofde het vroolijke licht, zoo pas in zijn ziel ontstoken, uit, het maakte weer de banden los die wantrouwen en levenservaring voor een oogenblik hadden vastgeketend, het zette hem weer voor raadselen, hij die meende in een transparante ziel te lezen.
Toen freule Richmonda in de serre terugkwam, stond hij met den rug naar den ingang in bewondering voor een kostbare orchidée, zonder een sigaar te hebben aangestoken.
"Wel, neef! Is u hier achtergebleven zonder troost?"
Hij zag haar moe en lusteloos aan, geheel verschillend van zooeven, toen hij zoo opgewekt en levendig twee gesprekken tegelijk voerde - in woorden met haar, in blikken met Vera.
Al zijn oude weifelingen, zijn aarzelingen waren teruggekomen - zal ik heengaan, zal ik niet verder een avontuur voortzetten, dat de hemel weet hoe eindigen zal? Maar de begeerte naar het hooren van Vera's spel werd hem te machtig, misschien zou zij haar geheim verraden door haar muziek, 't was de moeite nog waard.
"Nicht," vroeg hij, "mag ik u morgenavond met uw eeredames wachten op Joujou, om daar de blijde verzoening te vieren?"
Zij kon nog geen ja zeggen, zij begreep hem niet.

[103:]

Had hij het zooeven gevraagd, misschien had zij nog geweigerd, maar hij zag er nu zoo bedaard, zoo stil, zoo veel ouder uit, dat zij geen reden zag het verzoek af te slaan.
"Morgenavond, zegt u! Tegen acht uur?"
"Of vroeger, hoe langer de avond hoe liever!"
"Maar spreekt u eerst met mijn notaris!"
Hij maakte een afwerend gebaar.
"Eerst het genoegen, dan de zaken. Er dringt immers niets! Joujou is van u; en nu zal ik u niet langer ophouden, uw dagen zijn zoo gevuld als de mijne leeg zijn."
"O," en nu scheen zij werkelijk weer veel meer op Vera te lijken, want haar stem klonk vroolijk, zelfs schalks, "als u werk belieft."
"Dan wil u het mij geven. Maar dat zijn ook zaken, die komen later!"
En hij vertrok; uit haar kamer zag Vera hem gaan.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina