[86:] IV.
Vera kwam opgewonden
thuis; daar had zij nu iets bijzonders, iets heel bijzonders doorleefd.
Zou dat iets nieuws brengen in haar leven?
Haar levendige phantasie ging aan het werk. Zij stelde zich den eigenaar
van "Joujou" voor, de eenzame avonden opvroolijkend door zijn
verhalen uit verre landen, het verbod om muziek te maken opgeheven,
de freule, juffrouw Greivers en De Mouchy in een der gezellige hoekjes
van de serre doodstil luisterend en zij verzonken in de klanken van
haar eigen viool. En dan, als zij gedaan had, zou hij haar hand nemen
als daar even en drukken met een gebaar vol dankbare bewondering, een
gevoel dat haar een trilling door ziel en lichaam zond, een trilling
zooals zij vroeger even gevoeld had, maar veel flauwer, toen zij aan
Max Wirthmuller's arm gewandeld had.
Zoodra zij in de sombere hal kwam, bij den hoogen lessenaar harer moeder,
scheen het of zon en lente binnentraden; zelfs het koude, strakke gelaat
van freule Richmonda scheen er een afschijnsel van te ontvangen.
[87:]
"Wat is zij
mooi en jong, jonger en mooier dan ik ooit geweest ben. O, dat die jeugd
en schoonheid niet zoo bedorven worden als de mijne!" bad zij in
stilte.
Er lag zeker iets van die sympathie in Richmonda's anders zoo kille
oogen, waarvan de pupil nooit grooter of kleiner scheen te worden, want
plotseling overviel Colibri een heftig verlangen haar armen te slaan
om haar moeders hals en uit te roepen:
"Waarom mag ik u niet beminnen, u niet liefkoozen, zooals ik het
soms vader kon doen?"
Anders was haar gevoelsleven niet erg ontwikkeld; de atmosfeer van moeder
Dirksma was er niet bijzonder geschikt voor geweest, maar hier uitte
zich haar gevoel gemakkelijker in sterke impulsiën. Zij zag met
haar schitterende oogen de freule aan en sloot toen vast haar handen
ineen om aan de bekoring weerstand te bieden.
"Heeft u mijn boodschap gedaan?" vroeg Richmonda, en haar
stem, die nu weer gewoon en kleurloos klonk, verbrak de betoovering
en bracht haar geheel tot bezinning.
Zij gaf verslag van de opdracht, altijd staande, zoo als haar paste
tegenover haar "meesteres", kort en zakelijk als haar geleerd
was en toen, op heel anderen toon:
"En verbeeld u, freule! wien ik onderweg ontmoette en wie mij aansprak?"
"Nu?"
"Mijnheer de Mouchy."
"Wat, mijn neef Ryno? Hoe kwam die er toe?"
Zij kreeg een kleur; voor geen prijs zou zij de aanleiding er toe vertellen,
dus moest zij voorzichtig zijn.
[88:]
"Zijn hond
maakte mij aan het schrikken; hij scheen te jagen."
"En de jachttijd is gesloten. Ik wist niet eens dat hij nu op Joujou
was. Wat bezielde hem u aan te spreken?"
"Hij vroeg of ik een logée was op Westringen."
"En toen antwoordde u?"
"Dat ik uw secretaris was."
"Verder?"
"Toen vroeg hij mij of ik u wilde vragen of u hem ontvangen zou
als hij hij u een bezoek bracht."
"Mij?"
"Hij wilde u spreken over het verkoopen van zijn huis, Joujou!"
Richmonda's bleeke trekken kleurden op en het scheen Vera toe dat de
kleine, zwarte bal in de hardblauwe oogen iets grooter werd.
Na de ontmoeting met den echtgenoot van haar jeugd, had haar niets zoo
aangegrepen, maar de emotie was nu aangenaam; een gevoel van triomf,
van trots vervulde haar.
"Eindelijk, eindelijk! Ze geven toe!" juichte het in haar.
Maar dadelijk weer werd zij gewoon; en terwijl zij de papieren vóór
haar verschikte, antwoordde zij zoo onverschillig mogelijk:
"Nu, als hij mij spreken wil, ben ik alle dagen thuis. Heeft u
dat niet gezegd, juffrouw Dirx?"
"Neen, dat durfde ik natuurlijk niet."
"Dan moet hij belet vragen, i k zal geen stap doen om hem het goedmaken
van dit langjarige onrecht te vergemakkelijken."
En toen heel uit de hoogte:
"Wil u zich maar aan het tafeltje zetten, juffrouw Dirx? Deze staten
zijn weer bijzonder.slecht geschre
[89:]
ven. Er zijn ook
eenige fouten in. Ik wilde dat u zich wat meer tijd gunde om alles netjes
af te werken. Zoo gaat het niet. Ik heb naar de stad geschreven om een
type-writer te bestellen en meteen iemand om u die kunst te leeren."
"Dat zou heerlijk zijn!" riep Vera uit.
"Ja, dat zal u aan de piano herinneren!"'
Het moest een aardigheid beteekenen, maar als alle aardigheden van freule
Richmonda klonk het veel te mooi en ernstig en Vera kreeg er eer de
tranen van in de oogen dan dat zij er om lachen kon.
Zij begon met allen ijver te werken, maar onophoudelijk zong en trilde
het in haar ooren.
Freule Richmonda deed ook of zij verdiept was in haar werk, maar eigenlijk
was zij er volstrekt niet meer in. Zij moest weer aan het verleden denken.
Ryno de Mouchy was iets jonger dan zij. Ze hadden als kinderen vóórdat
het proces begon veel samen gespeeld. De ouders hadden toen misschien
plan gehad van hen een paartje te maken, maar ongelukkig kwam de strijd
over het land er tusschen; een oogenblik scheen het of verzoening mogelijk
was.
Ryno's vader, minder onverzoenlijk dan de oude heer Van Westringa, had
hoop dat nu nog de verbintenis aan alle twisten een einde zou maken.
Ryno, toen student in Groningen, maakte op Westringen een visite; beide
jongelui mochten elkaar wel lijden, maar toen kwamen er weer nieuwe
verwikkelingen, gevolgd door nieuwe grieven en nieuwen wrok. De verwijdering
werd grooter; toen volgde de schipbreuk in Richmonda's leven. Later,
toen zij terug was gekomen, keerden de rollen om en was het haar vader,
die trachtte een verzoening te bewerken, maar nu hielden de Mouchy's
hen op een afstand.
[90:]
Na zijn promotie
en examen voor de diplomatie, ging Ryno buitenslands; de veete kreeg
nieuw voedsel.
Verzoening scheen niet meer mogelijk, men berustte van weerskanten of
liever de De Mouchy's hadden hun zin gekregen en weigerden in iets de
Westringa's tegemoet te komen.
Richmonda erfde de grieven van haar vader, en hoezeer zij ook met begeerige
oogen Joujou aanzag, zij deed geen moeite meer het te koopen; de jaren
vergingen en men moest de vasthoudendheid bezitten van freule Richmonda
om nog steeds de vijandschap te voeden.
En nu zou zij tegenover hem staan evenals ruim twintig jaren geleden
in Westringen, toen zij beiden nog bijna kinderen waren. Ware het plan
der ouders gelukt, hoe heel anders zou haar leven geweest zijn, - gelukkiger?
In elk geval zij had dan niet de herinnering gehad aan dat ellendige
tusschenspel van haar leven met dien in-banalen burgerlijken afloop,
waarvan de zwaarte haar nog steeds drukte en waaraan zij thans dagelijks
herinnerd werd - al was het maar om zich af te vragen óf dat
kind met haar sprekende oogen en oprecht gelaat wist welk geheim haar
hier had gebracht.
Zij had het zooeven wel gezien welk een bekoring haar had bezield, hoe
zij zich bedwingen moest, neen, zij wilde het volstrekt niet gelooven,
zij wilde het niet weten, zij wilde zich niet schamen voor het meisje,
dat zij van uit haar aristocratische hoogte behandelde als een veel
mindere. En toen eensklaps, de pen beefde in haar vingers, viel het
haar in, zou Ryno de oude betrekking weer willen aanknoopen, zou hij
moe van het zwerven hier in Westringen rust zoeken en den
[91:]
ouden twist beslechten,
op de wijze eens door hun ouders besloten?
Ondertusschen dacht Vera:
"Wat is zij toch altijd kalm en bedaard; nooit een gevoel dat haar
het bloed wat driftiger doet jagen, altijd in de plooi, altijd in evenwicht,
terwijl ik door zoo'n kleinigheid als die ontmoeting geheel in beweging
ben."
En zij vermoedde niet hoe haar moeder, terwijl zij daar rustig scheen
voort te schrijven, inwendig kromp van schaamte, bij de gedachte hoe
weinig de vriend harer jeugd vermoedde van haar droevig verleden, van
den band, die haar nog steeds hechtte aan een ander, van het geheim
van Vera's geboorte. Zou het dan alles vergeefs zijn, het hooge standpunt
dat zij had ingenomen, de ongenaakbaarbeid waarin zij zich hulde? Zou
iemand het nog wagen die te doordringen?
Zeker, zij kon het bezoek weigeren, de vijandschap laten voortduren,
maar was dit niet laf, niet voorbarig, nu misschien niets haar buurman
bezielde dan wezenlijk verlangen om den twistappel door te snijden?
Haar verbeelding was haar te machtig, die verbeelding was zoo groot
en sterk, dat zij haar in den afgrond had geworpen in plaats van haar
op te voeren naar de zon. Zij meende haar de vleugels voorgoed gekort
te hebben, wat maakte haar dan nu zoo onrustig, zoo angstig? O ja, het
was een adem der lente, une bouffée de jeunesse, zij had het
woord eens gelezen en zich toen spottend afgevraagd of iets die bouffée
uit haar jeugd omhoog kon zenden.
Het was de jeugd vóór de crisis, niet de jeugd na den
tijd van Tom. Met een huivering dacht zij aan
[92:]
zijn bezoek in
Den Haag en meteen viel haar oog op het door de zon beschenen kopje
van haar kind, trillend en schitterend als goudmos; haar wangen rooskleurig
van inspanning, haar lippen met hun mooie teekening vast gesloten en
toen overviel het haar met geweld:
"O, als mijn leven normaal geweest was, als ik haar voor God en
de menschen als mijn kind kon erkennen, hoeveel beter zou mijn leven
dan zijn geweest, beter dan nu mijn lafheid niet de gevolgen durft dragen
van mijn daad."
En eensklaps met een stem, die Vera niet kende, en die haar de oogen
verwonderd deed opslaan, zeide zij:
"Vera, 't is zulk mooi weer. Zeg aan Maarten dat hij inspant. Wij
zullen een ritje maken."