VI.
Eenige dagen later
was het receptie-avond bij de Campbells en Queenie, bijgestaan door
mistress Green, maakte het haar gasten zoo aangenaam mogelijk.
Terborch ontbrak natuurlijk niet en bracht in zijn gevolg een jong officier
mee, in wien Queenie onmiddellijk haar ouden aanbidder, die haar tot
vervelens toe van school had gehaald, herkende.
[177:]
De jongen was bleek
als een doek, toen hij aan de dochter des huizes werd voorgesteld, Queenie
reikte hem de hand en richtte in het Engelsch eenige woorden tot hem,
waarop hij slechts stotterend antwoord gaf; onder de thee, die Queenie
schonk, zat hij onophoudelijk op de punt van zijn stoel, naar de gesprekken
luisterend, die in een vreemde taal rondom hem gevoerd werden en waarvan
hij het kwart nog niet verstond.
Het raadselachtigste was hem echter Queenie of Clementine's gelaat;
zij was het toch zeker, geen twijfel meer! Sinds jaren had hij elken
trek van haar hoofd, hetzij door aanzien, hetzij door herdenken, in
zijn geest geprent, hoe dikwijls had hij haar aan de eenvoudige tafel
harer tante geen thee zien schenken. Hoe vaak had zij hem 't kopje niet
overgereikt met dienzelfden speelschen glimlach van thans. Het steentje
was in goud gezet, maar het was en bleef toch hetzelfde steentje, om
welks bezit hij de plannen zijner moeder gedwarsboomd, haar toorn opgeloopen,
zijn familie verlaten had!
En nu wist hij wel dat zij ergens op Java was, maar hoe vreemd, tante
Rosalie had hem 't adres van haar nichtje niet willen opgeven.
"lk wil niet met uw mama in onmin raken," had zij geantwoord
met meer vastheid dan hij ooit in de goedige, eenvoudige vrouw had verondersteld,
"ik ga Amsterdam verlaten, waar ik mij te eenzaam voel, om mijn
lief, oud bovenhuisje weer te betrekken en natuurlijk zal ik dan met
uw goede mama in aanraking komen, ik wil niet, dat ze mij met recht
verwijten kan, dat ik haar zoon versterkt heb in zijn opstand."
"Opstand, daar zou nog al veel tegen te zeggen zijn, maar dat is
een zaak tusschen mama en mij. Ik ga alleen naar Indië om Clementine.
. ."
"En juist daarom mag ik je haar adres niet opgeven; dat zou een
reden voor een eeuwige brouillerie zijn tusschen mij en je ma."
"Wat kan me dat schelen of ge u brouilleert of niet? Vertrekken
doe ik toch, of u het mij zegt of niet! Toe, tante Rose, waarom heeft
u er zoo veel tegen, mij uw nichtje toe te vertrouwen. Het arme kind
zwoegt daar als gouvernante en ik kan haar een gelukkig en geëerd
lot verzekeren."
"Maar de groote vraag, mijn lieve Jacques, blijft nog steeds of
ze je hebben wil. Vroeger had ze er geen ooren naar."
"0 ja,
toen, toen ik nog een kwajongen was, maar nu!"
En in 't volle bewustzijn zijner hooge waardigheid, streek hij langs
zijn pas ontloken kneveltje, dat misschien juist door die dikwijls herhaalde
beweging geen tijd had meer groeikracht te ontwikkelen.
Tante Rose keek door haar brilletje naar buiten, want zij voelde hare
oogen dof worden en zich tot Jacques wendend, ging zij met ontroerde
stem voort:
"'t spijt me erg, beste Jacques, maar ik kan en mag het niet doen;
jammer dat het niet een paar jaar vroeger is, dan zouden de zaken misschien
een anderen keer hebben genomen, ofschoon. . . "
[178:]
De laatste zin was
blijkbaar tot zichzelf, half luid gezegd.
"Is zij te Batavia, tante?" vroeg de onvermoeide jongen.
"Jacques-lief, Indië is zoo groot."
"Dat hebben mijne meesters in de geographie mij ook al gezegd,
jaren geleden, een reden te meer om mij precies te vertellen, waar ik
de gelegenheid zal hebben om Clementine uw complimenten over te brengen."
"Och, die zal ik haar wel per brief doen."
"En dan zal ik den brief overbrengen, niet waar? Ik weet iets,
tante: wanneer ik u van mama een machtiging overbreng om het mij te
zeggen, zult ge het dan verklappen?"
Tante Rosalie kende mevrouw Beauchamp te goed, om niet te begrijpen
dat hare nieuwsgierigheid om Queenie's werkelijke verblijfplaats te
weten, de overwinning zou behalen over haar tegenzin Jacques toe te
geven in een zaak, die zij geheel en al afkeurde en tegenwerkte, en
antwoordde dus alweer ontkennend.
"Neen, dat zou maar nieuwe scènes en onaangenaamheden geven,
die arme Alice heeft er in den laatsten tijd genoeg van gehad."
"Wel neen, tante, mama zal veel te blij zijn, het ook te weten
en het aan hare vriendinnen te kunnen vertellen," meende Jacques,
die ook zijn moeder kende.
"Een zeer prijzenswaardig doel, waarlijk!"
"Mag het dan niet? Is 't een geheim? Zou het waar zijn, wat mama
altijd beweert, dat er iets geheimzinnigs schuilt in Clementine's geschiedenis?"
"Dat is een zaak, die niemand aangaat," klonk het scherp en
bits, "niemand vraagt u noch uw moeder om zich met Clementine te
bemoeien."
"Het zou me toch niets kunnen schelen, al rustte er ook een vlek
op Clementine's geboorte; ik heb haar innig lief, sedert jaren en wie
of wat hare ouders waren, dat gaat mij, zooals u daar straks zeide,
niets aan!"
Weer een zucht van tante Rose, die een heele rij steken had laten vallen
en ze één voor één, met alle verstand, oppikte.
Jacques bleef nog een poos aandringen, doch toen hij duidelijk merkte
dat alle pogingen afstuitten op het koele verzet der oude juffer,
stond hij zeer boos op, nam slechts vluchtig afscheid en verwijderde
zich met de woorden: "Nu, als u het mij niet zeggen wil waar zij
is, dan zal ik haar zoeken en ook vinden."
En hij dacht er nog niet eens aan, zijn onderzoekingstocht te beginnen,
toen hij, kersversch van boord gekomen het Marinehotel binnenrijdend,
een amazone tusschen twee ruiters tegenkwam.
Haar paard steigerde; de huurkast; waarin de nieuwelingen zaten, moest
even stilstaan; de amazone zag hen niet aan, zij sprak lachend met een
der cavaliers, maar Jacques was doodsbleek geworden, hij had zijn Clementine
herkend, gevonden, vóór dat hij nog den tijd had gehad
haar te zoeken.
[179:]
Toch twijfelde hij
nog; was zij het werkelijk? En met wie?
Wanneer bij zich voorgesteld had haar te ontmoeten, dan zou het altijd
zijn omringd door eenige kinderen als gouvernante of bonne, onder de
bevelen eener veeleischende mevrouw, terneergedrukt en verdrietig, eenvoudig
gekleed-als de gouvernantes in zijn laatste garnizoensstad.
En deze amazone bereed een prachtig dier, hare kleeding was deftig en
rijk, zij reed tusschen twee cavaliers, wat waren zij haar? Doch aan
wie het te vragen? Hij kende niemand! Gelukkig voelde hij zich dat zijn
bezorgde mama haar gewilligen man bijtijds aan het werk had gezet om
eenige aanbevelingsbrieven, te schrijven, die Jacques de deur moesten
openen van verscheidene Bataviasche huizen, waar de Beauchamps vroeger
bekend waren geweest.
Jacques had geen plan gehad, om ze te gebruiken, hij bleef immers toch
maar kort op Batavia en in dien tijd zou hij zijn weg wel vinden, en
zich amuseeren zonder die onbekende menschen op te zoeken, maar nu was
het zijn eerste werk met medeburgers van Clementine in aanraing te komen;
voorzichtig trachtte hij te informeeren naar zekere amazone, doch er
waren er Batavia vele dames die paard konden rijden; of daaronder een
juffrouw Muller was, kon hij niet te weten komen. Er waren verscheidene
Mullers. Miss Campbell reed zeer goed, maar wat kon Jacques miss Campbell
schelen?
't Toeval diende hem echter bijzonder, en eens op een avond met twee
Indische kameraden de brug nabij het fort opwandelend, reed hen juist
een elegante mylord voorbij, waarin een jonge dame zat, tegen de toenmalige
Bataviasche mode, met een lief hoedje op en voile vóór.
Toch meende Jacques' scherp oog alweer Clementine te herkennen.
"Jongens, wat ziet ze er lief uit," zei een der officieren.
"Terborch treft het."
"Ja, ze moet even interessant in haar spreken zijn als in haar
uiterlijk."
"Interessant is bet woord; mooi eigenlijk niet. Zeg 'reis, Beau,
waar kijkt ge zoo naar, die dame is al versproken."
"Ken
je haar?"
"Wel, wie zou miss Campbell niet kennen?"
"Wat zeg je: miss Campbell, een Anglaise?"
"Natuurlijk, geen Hollandsche heeft zulke aangename en toch niet
vrije manieren over zich en welke Hollandsch volbloed of half Indisch
zou zoo ontwikkeld zijn?"
"En hoe heet ze, zegt ge?"
"Miss Campbell?"
"En haar voornaam?"
"Maar je vraagt me meer dan ik antwoorden kan; wat voor belang
stel je in haar?"
[180:]
"Ik geloof
dat ze Queenie heet, niet te verwarren met kwenie, zuster der manga."[Een
Indische vrucht]
"Rijdt ze wel eens te paard."
"Als 't je belieft en goed ook."
"Met wie, alleen?"
"Neen, met haar vader en galant in spe!"
"Ze is dus niet getrouwd?"
"Nog niet, wel drie-kwart geëngageerd, maar waarom vraag je
dat zoo, Beau, heb je een avontuurtje met haar gehad?"
"Ik? Neen, neen! Ik. . .weet het niet. . . ik vind haar zoo. .
. mooi en ze rijdt zoo flink te paard!"
"Ja, dat doet ze als de beste."
"En wat is haar vader?"
"Een koopman, chef der firma Mac-Pherson, een flinke vent zoo rijk
als Californië."
"Waar wonen ze?"
"Op 't Koningsplein, we kunnen er eens langs wandelen."
"En haar aanstaande?"
"Kapitein Terborch. Maar nu genoeg gevraagd, je bent zoo kersversch
uit Holland aangekomen, en op ons rust de zorg om je in de eerste dagen
na te gaan en te zorgen, dat je op geen verkeerde wegen komt. Nu vind
ik dat vragen naar een dame, die je niet eens bij naam kent, erg ongepast
en gevaarlijk, daarom vraag zooveel je wilt, antwoorden doen we je niet
meer."
Ook Jacques beproefde de zaak op een gekheidje te gooien en meende nu
meer dan ooit dat hij het slachtoffer was geweest eener sprekende gelijkenis.
Twee keer ging hij naar de opera, hopende miss Campbell weer te zien,
doch zij was er niet; den derden keer liet hij het om zijne financiën
en vergenoegde zich, heel alleen en in politiek, te gaan luisteren onder
de opene galerijen van het komedie-gebouw, want Jacques hield hartstochtelijk
veel van muziek.
In de eerste pauze zag hij een dame naar buiten komen, op wie juist
het volle licht der gaslampen viel en duidelijker dan ooit trad Clementine
hem weer voor den geest.
Langer kon
hij zich niet bedwingen, verschool zich tot dicht onder den muur en
riep toen luid:
"Clementine!"
Hierop verwijderde hij zich ver genoeg om over het effect van zijn geroep
te kunnen oordeelen.
Hij zag echter niets anders dan dat er gelachen en gepraat werd als
straks en na eenige oogenblikken waagde hij het opnieuw en verschool
zich alweer; een officier kwam over de balustrade buigen, doch als hij
"Betje" geroepen had zou deze het wellicht ook hebben gedaan.
De laatste proef hield hij op het Waterlooplein onder de mu
[181:]
ziek-uitvoering;
toen had hij gelegenheid te over gehad om Queenie's gelaat te bestudeeren
en dat zij, toen hij vlak naast haar opnieuw half luid haar naam had
genoemd, zich niet bewoog, was hem een bewijs te meer voor haar identiteit.
Elke andere dame, die zoo duidelijk een vrouwennaam aan haar zijde had
horen noemen, zou onwillekeurig het hoofd omgewend hebben; slechts uit
bestudeerde berekening kon men zoo bewegingloos blijven.
Nu bleef het Jacques' eenige studie om bij de Campbell's in huis te
komen. De tijd drong; binnen weinige dagen wachtte hij zijn plaatsing
ergens in den Archipel en hoe kon hij Batavia verlaten, zonder zekerheid
te hebben over Clementine en haar toekomst? Gelukkig kwam hij in kennis
met kapitein Terborch en met een diplomatie, die menig staatsman hem
benijd zou hebben, bracht bij 't gesprek op Engeland en de Engelschen,
zijn verlangen om met hen in betrekking te komen en de kapitein, trotsch
op zijn verhouding met de gezochtste Engelsche familie van Batavia,
beloofde hem op den eersten receptie-avond den beste mee te nemen naar
mr. Campbell.