VII.
En nu zat Jacques
in stornme verwondering de dochter des huizes aan te starerr met een
volharding, die kapitein Terborch wel een weinig al te standvastig voorkwam.
"Zij is het stellig, dat kleine stipje naast den neus heb ik immers
honderdmaal gezien en die gewoonte om de pink bij het thee schenken
op teheffen, vond mama immers toen reeds ongemanierd. Ha, daar lacht
ze, die eene tand is wat beschadigd en ontsiert haar een weinig, wel
zeker het kan niemand anders zijn en toch ... hoor eens, hoe ze Engelsch
spreekt. Vroeger viel het haar al zoo moeilijk een onnoozel versje van
Longfellow voor de vuist weg te vertalen en nu schijnt ze geen Hollandsch
meer te kennen. Hemel, wat 'n verandering, zij die voor haar examen
studeerde, zij die het met hare tante zoo smalletjes had, die geene
vaste meid hield, zijdie in de week altijd in een regenmantel liep,
omdat haar schooljaponnetje er zoo kaal uitzag; zi jis nu hier een der
rijkste dames der stad! Hoe lief is ze tegen dien deftigen heer, haar
vader zoogenaamd, en niemand schijnt het te vermoeden dat die miss Campbell
vroeger anders heette en een heel andere toekomst scheen te hebben.
Haar tante Rosalie weet er zeker alles van, daarom wilde ze mijhaar
adres niet opgeven."
Bijtijds herinnerde zich Jacques, dat hij een gek figuur maakte en dus
zeide hij glimlachend tot een zijner buurlieden:
[182:]
"Ik
luister eerst goed naar al dat Engelsch, vóór ik 't waag
het zelf te spreken."
Na de thee werd er muziek gemaakt, de jonge dames speelden en zongen;
Jacques had een zeer fraaie stem, hij liet zich niet bidden en zong
het lievelingslied van tante Rose.
"In den Augen liegt das Herz, " een vrij afgezaagd deuntje,
maar dat door hem voorgedragen, toch zeer lief klonk. Gaarne had hij
Queenie's gelaatstrekken onder zijn zang bestudeerd, doch zij stond
half met den rug naar hem gekeerd en fluisterde tegen Terborch, die,
tot Jacques' groote ergernis, geen
oogenblik van haar zijde week.
Eindelijk scheen het geluk hem een weinig te dienen; de kapitein werd
naar 'buiten geroepen bij een whist-partijtje, waar bij voor een oogenblik
een ander moest aflossen en het was juist Queenie's beurt om een stuk
op de piano te spelen. Recht behendig wist hij het zoo aan te leggen,
dat hij en niemand anders de bladen moest omslaan en dus waren ze voor
een oogenblik zoo
goed als alleen.
"Clementine," begon hij zacht, "wil je mij niet kennen?"
Zij zag hem even aan en speelde door als verstond ze het niet. Jacque's
begreep dat een echte miss Campbell heel anders zou gedaan hebben, hoe,
dat wist hij zelf 't minst, maar zoo toch in geen geval.
"Ik heb je dadelijk herkend, Clementine; waar'om verloochen je
je verleden? Het is immers zoo eervol; weet je nog onze wandelingen
van af het pensionaat door de Vischstraat, onze theeavondjes bij tante,
als ik je hielp met de sommen?"
"Zingt u, mijnheer," vroeg Queenie, even ophoudend, in het
Engelsch en zoo natuurlijk, dat Jacques weer begon te twijfelen.
"No, no, thank you,' antwoordde hij verbluft.
Zij glimlachte en speelde door, zij zweeg thans, maar zij voelde zich
rood worden onder zijn hardnekkig onderzoekenden blik, die elk harer
trekken ontleedde.
"Nog een proef! Mislukt ze, dan geef ik het op," dacht Jacques
en half fluisterend begon hij:
"Hooren zult ge het toch! Ik heb u een belangrijke tijding mede
te deelen. . . . ge weet het nog, . . . niet.. . 't is treurig. . die
arme tante Rosalie is. . "
"Wat, wat is er met haar gebeurd?' en zij hield op met spelen,
zag hem met hare groote oogen verschrikt aan en sprong op.
"Niets," antwoordde hij, "niets! Het is niet meer noodig!
Ik weet genoeg!'
Juist kwam kapitein Terborch binnen, terwijl allen zich rondom zijn
meisje schaarden en haar belangstellend vroegen wat haar scheelde.
Zij lachte gemaakt en antwoordde:
"Ik ben doodelijk verschrikt door een muis!"
Ven volgenden morgen ontving Jacques over den post een brief,
[183:]
waarvan het adres Clementine's bekend handschrift droeg. In de grootste spanning scheurde hij de enveloppe open en las:
"Waarde Jacques!
"Huichelen is niet mogelijk meer, ik heb mij verraden. Ik vind
uwe handelwijze begrijpelijk! Maar ge verbeelddet u eens van mij te
houden en op dat gevoel kom ik nu een beroep doen. Er rust een geheim
op mij en op mijn leven, dat ik u niet openbaren mag, nog kan; ik reken
echter op uw loyauteit (want ge zijt altijd een oprechte jongen geweest}
om het te eerbiedigen.
"Niemand te Batavia, dan mijn vader en gij, weten dat ik eens Clementine
Muller heb geheeten. Het gaat ook niemand aan, spoedig zal ik voor goed
een anderen naam dragen. Kan ik op uwe discretie steunen? De gevolgen
van een onbescheidenheid zijn vaak onberekenbaar en gij zult zeker noch
mij, noch mijn vader, die niets vermoedt van de scène; die gisteren
voorgevallen is, in moeilijkheden wikkelen. ..
"Doe me dus het genoegen, waarde Jacques, alles als niet gebeurd
te beschouwen. Aan u zal ik het oprecht bekennen, ik ben Clementine
Muller, de nicht der goede, lieve tante Rose, uw oudkameraadje; als
ik 't verleden overdenk, hoe aangenaam schijnt me die tijd toe en hoe
kostbaar uwe vriendschap!
"Bewaar ze mij, die vriendschap, misschien heb ik ze later noodig;
vernietig dezen brief onmIddellijk., denk soms aan uwe oude vriendin,
maar vergeet niet, dat ze thans voor u en de geheele wereld heet:
Queenie.Campbell."
Jacques las en herlas
die woorden en meer dan ooit begreep hij, dat van zijne illusiën
niets kon overblijven dan de herinnering. Hij was nooit iets voor Clementine
geweest, dit werd hem nu duidelijk en zoo ze hem eenige aangename dingen
zei, dan was t om de bittere pil te vergulden en om van hem een dienst
te vragen, dien zij op hoogen prijs scheen te stellen.
Helaas! hij kon haar dien niet eens meer bewijzen; om zijn hart lucht
te geven en ook om zijn mama te believen; die altijd nog ontstemd was
door zijn vertrek naar Indië, dat al hare luchtkasteelen den bodem
insloeg, had hij haar alles geschreven wat hij van Queenie-Clementine
gehoord of gezien had, slechts het
gebeurde van gisteravond was nog niet ingevuld geweest. Van de receptie
tbuis komende, had bij het voorgevallene er bijgevoegd en van morgen
'den brief bezorgd naar het postkantoor, waar juist de mail sloot.
"Ge ziet, liefste mama," 'had hij geschreven, "dat mijn
hoop verdwenen is; miss Campbell is veel te hoog boven den tweeden luitenant
Beauchamp verheven, dan dat hij ooit aanspraak mag maken op haar bezit.
Vroeger meendet gij, dat Clementine Muller
[184:]
te min was voor mij, nu is de zaak omgekeerd; helaas! mijn reis is vergeefsch
geweest; ik bemin haar nog meer dan ooit, nu ze llaast mevrouw Terborch
zal zijn en een hoop blijft me slechts over, Atjeh. waar het kruis of
een kogel mij wacht!"
Dit einde vond vond Jacques bgzonder mooi en 't is nog de vraag of hij,
zoo de brief nog in zijn handen was, dien fraaien volzin zou opgeofferd
en dat offer gevoegd hebben by de vele andere, die zijn liefde tot Clementine
hem reeds gekost had. Aan mama! aan wie zou hij 't beter schrijven?
Welken invloed kon
het op Queenie's lot hebben, dat ergens in 't hartje van Holland een
gepensionneerd apsistent-residentscbe toevallig wist hoe Clementine
Muller en Queenie Campbell dezelfde persoon was? In elk geval bij zou
met de volgende mail mama het geheim opleggen; Clementine's brief werd
natuurlijk niet verscheurd, maar zorgvuldig bewaard en Jacques drong
zich de overtuiging op; dat zijn hart wel degelijk gebroken en zelfs
vermorzeld was, totdat hij na acht dagen het bevel ontving zich in te
schepen naar de Molukken.