V.
Een jaar is verloopen
sedert Clementine's aankomst in hetgeen zij in hare naïeveteit
een tooverpaleis noemde en nog had het sprookje in hare oogen niets
van zijn bekoorlijkheid verloren, ofschoon het haar langzamerhand duidelijk
werd dat zij geen droom doorleefde.
Dee brieven aan hare tante werden echter zeldzamer; waarom, hiervan
kon Queenie Campbell zich zelf misschien geen rekenschap geven; de antwoorden
waren toch hartelijk en liefdevol, zooals zij ze van tante Rosalie verwachten
moest, maar er was iets in den toon, iets wat Clementine niet van hare
tante gewoon was.
Misschien sprak tante niet genoeg van den afgodisch beminden vader,
die voor Queenie het ideaal bleek van hetgeen zij zich vroeger van mannengrootheid
en zielenadel gedroomd had; misschien sloeg tante meer acht op de uiterlijkheden
van hunne zoo innige verhoudingen trachtte zij door volzinnen, die niets
anders bevatten dan een treurig herdenken van het verleden, een tot
vermoeiens toe herhaalde klacht over hare eenzaamheid, met de uitdrukkelijke
verzekering, dat zij die niet betreurde zoolang haar lieveling gelukkig
was en door een schat van woorden, die Clétje moesten zeggen,
dat tante haar omhelsde en aan het hart drukte en hoopte het eens in
werkelijkheid te zullen doen, haar brief hartelijk en groot te doen
schijnen, terwijl er iets gewichtigers op haar hart lag, dat zij met
geweld uit de pen terug moest dringen.
Dikwijls vermoedde Queenie dit; zij had geen vrouw moeten zijn om niet
dadelijk in te zien, dat op haar vaders leven een
[173:]
geheim drukte, waarmede
tante Rose geheel en al bekend was en dat beiden met angstvallige zorg
voor haar verborgen hielden.
Twee- of driemaal had mr. Campbell zijn dochter verzocht hem de brieven
harer tante te toonen en telkens had hij gezegd:
"Is dat nu een antwoord op je interessante dagboeken? Geen enkele
echo verneem ik over alles wat je geschreven hebt. Als ik jou was, zou
ik haar niet te veel verwennen. Overigens je zijt vrij in dat opzicht
en ik zal de laatste zijn om iets tusschen je en je tweede moeder op
te werpen,"
Doch de wenk had invloed; zoo veel ontzag had Queenie reeds voor haar
vader, dat zij gaarne hetgeen haar 't liefste was zou opgeofferd hebben
om in zijn gedachten zelfs de schaduw van een blaam af te keeren.
Overigens had zij wel wat anders te doen dan hare goede, maar vrij eentonige
tante op de hoogte te houden van haar leven, zoo rijk aan genoegens
en uitspanningen als dat der arme, eenzame vrouw daarvan beroofd was.
Queenie Campbell werd na eenige maanden de meest gevierde der Bataviasche
beau-monde en dit was niet zoozeertoe te schrijven aan hare schoonheid,
want zij zelf was er meer dan iemand van overtuigd, dat zij dit voorrecht
niet bezat, maar aan hare bevallige houding, haar talent van zich goed
te kleeden en beminnelijk voor te doen, zoodat de heeren miss Campbell
allerliefst vonden, niet te preutsch, niet te vrij, juist in de nuance,
welke de Anglaises zoo gemakkelijk treffen, en de dames zelfs haar een
lief, eenvoudig meisje noemden. Daarbij, miss Campbell verscheen hen
allen in een gouden lijst, die zoo kunstig met de schilderij verbonden
was, dat men moeilijk zeggen kon, of deze daaraan hare verdienste ontleende
of wel, dat ze alleen diende om de innerlijke waarde van het kostbaar
stuk meer op den voorgrond te stellen.
Haar vader genoot in haar triomf; fier kon hij zijn dochter aanzien,
wanneer ze in zijn helder verlichte galerij de eer van het huis waarnam
en zoowel de eersten der Engelsche en Hollandsche handelswereld als
hooge vertegenwoordigers van het bestuur wist te ontvangen, of als zij,
omstuwd door aanbidders bij elk verschijnen in een balzaal, als een
koningin een stoet hovelingen met zich voerde. Maar het liefst vertoonde
hij zich met haar in het publiek, aan zijn arm in de opera en aan zijn
zijde in hun vorstelijk rijtuig, als zij langs Batavia's grachten en
straten voortreden of Zondag's op het Waterlooplein de hulde hunner
getrouwen ontvingen.
Clementine moest niet jong en levenslustig wezen, om na hare ernstige
kinder- en jonge-meisjesjaren zich niet bijzonder goed in dit leven
te schikken; in ernstige oogenblikken kon zij soms wel verlangen, dat
haar vader zijn eenig kind minder met liefkoozingen en geschenken overlaadde,
maar haar iets meer van zijn vertrouwen geven wilde, doch - troostte
zij zich - haar vader hield van opgeruimd- en vroolijkheid; het verhaal
van zijn vroeger leven, waarin zij afgronden van ellende en armoede
raadde, zou hem en en
[174:]
ook haar slechts
treurig stemmen. Ook wist zij dat hij de Hollanders en Holland met zijn
innigen haat vereerde, en het dikwijls herhaalde dat een Hollander slechts
door een veeljarig verblijf in Indië een dragelijk mensch werd,
en zij zag er tegen op, uitbarstingen te ontlokken, die haar onaangenaam
in de ooren klonken.
In de laatste maanden echter, die het jaar sloten, waarop zij voor het
eerst de vaderlijke woning betreden had, werd mr. Campbell wat onrustiger.
Dat wonen in hetzelfde huis verveelde hem, hij ging met zijne dochter
naar andere grootere omzien en alleen omdat Queenie verklaarde, dat
geen haar beter beviel dan hetgeen zij nu bewoonden, werd er nog geen
keuze gedaan.
Tot dien tijd had mr. Campbell alle aanzoeken om zijn dochter's hand
afgeslagen, overtuigd als hij was dat Queenie voorloopig niets anders
wenschte dan het gelukkige, weelderige leven van thans voort te zetten.
Nu echter begon hij haar ernstiger te spreken van zijn verlangen om
haar goed getrouwd te weten.
"Ziet ge, kind!" sprak hij eens, "uw vader is niet jong
meer; vooreerst behoeven we niet er aan tedenken, dat een scheiding
ophanden is, maar toch, men weet nooit wat soms heel onverwacht gebeuren
kan. En daarenboven, ik zal het je ronduit zeggen, ik ben nog nooit
zoolang op een plaats geweest, als nu te Batavia. Ik haak naar verandering;
dat Koningsplein is heel ruim en die waringi's zijn mooier dan vele
andere boomen van hun soort, mijn meubels zien er nog zoo goed als nieuw
uit, maar het drukt mij elken morgen, als ik opsta, dezelfde dingen
te moeten langs gaan. En zoo is het ook met onze kennissen."
"En met uwe dochter ook, niet waar, papa?" vroeg Queenie schertsend,
maar inwendig meer gekwetst dan zij het wel weten wilde.
"Neen, darling, dat nooit; gij zijt de andere helft mijner ziel
en evenmin als ik ooit van mijne ziel moe zal worden, zal ik het van
u nimmer zijn. Doch de lust ontwaakt weer in mij om te zwerven. Ik wil
geen Hollander, zelfs die het Indische zuiveringsbad ondergaan heeft,
meer rondom mij zien; ik kan in Bombay de plaats krijgen van chef van
een nieuw handelskantoor onzer firma, en denk er sterk over dat voorstel
aan te nemen."
"En kan ik niet met u meegaan?"
"Zeker,
gij gaat ook met me mee, als ge er tenminste niet tegen opziet het volgende
jaar weer naar Shang-gaï of Melbourne te gaan."
"0 neen, papa, ofschoon ik nergens liever dan te Batavia zou zijn."
"Maar, kindlief, ik neem vandaag of morgen geen beslissing, ik
blijf hier voor het minst nog een jaar; in dien tijd kan er nog veel
gebeuren; ik mag geen beletsel zijn tot uw geluk en zal met mijn egoïstische
wenschen uw toekomst niet bederven; daarom spreek ik zoo openhartig
met u. Ge weet wat mijn plannen zijn; Batavia en de Hollanders zijn
u lief; welnu, waarom zoudt ge er
[175:]
u niet vestigen?
Hoe innig dierbaar uw gezelschap mij ook is, veel waard zal het mij
ook wezen, wanneer ik, God weet in welke uithoek der wereld, rondzwerf,
toch altijd zeggen kan: daar bestaat nog een plekje, dat ik steeds mijn
eigen mag noemen, daar zal een couvert voor mij aan tafel altijd gereed
staan en daar kan ik mijn vermoeid hoofd ruustig neervleien, omdat het
de woning is van mijn dochter. Begrijpt ge mij, Queenie, en weet ge
nu ook wat ik van je verlang?"
"Eigenlijk niet goed, vader."
"Dat je de jongelui, die je zoo ijverig het hof maken, niet aanziet
met een daar-geef-ik-niet-om-lachje, dat amuseert me, maar ik denk er
in de verste verte niet aan een keus te doen. Beschouw, bestudeer ze
goed en onderzoek dan je eigen hoofd en hart."
De woorden van haar vader maakten op Queenie een onaangenamen indruk,
die echter spoedig door allerlei verstrooiingen afleiding zwakker werd;
veel droeg daartoe bij hare kennismaking met den kapitein der artillerie,
Terborch, een flink, ontwikkeld man, die een Engelsche moeder had en
zich dus aangetrokken gevoelde tot de Engelschen in het algemeen en
tot miss Queenie in het bijzonder. Mr. Campbell zou liever zijn dochter
hebben toevertrouwd aan een volbloed Engelschman, doch toen kapitein
Terborch ernstig met zijn huwelijksaanzoek bij hem aankwam en Queenie
volstrekt niet daarvan afkeerig scheen, weigerde hij zijn toestemming
niet en stond er alleen op, dat het engagement voorloopig nog niet publiek
zou worden.
Kort daarna zat Queenie naast haar vader in de opera; in de pauze stonden
zij op en gingen naar de galerijen, waar haar verloofde en eenige andere
heeren zich bij hen voegden; zij lachte en schertste, haar gelaat straalde
van geluk; de oogen van kapitein Terborch rustten vol bewondering en
liefde op haar zonnige verschijning, toen zij plotseling midden in een
gesprek scheen op te schrikken en doodsbleek werd.
"Scheelt u iets?" vroeg de kapitein bezorgd.
"Heeft u niets gehoord?
"Neen, wat zou het zijn?"
"Ik weet het niet, een uitroep!"
"Ze praten
druk in de nabijheid, misschien ook hier buiten."
En hij boog zich over de balustrade om naar beneden te zien, waar, zoo
als gewoonlijk op het groene grasperk, dat het komediegebouw omringt,
een menigte voetgangers en rijtuigen stonden, vol met luisteraars naar
de muziek, die men buiten bijna even goed als binnen kon hooren.
De groepjes wandelden nu in de pauze op en neer, doch de kapitein noch
de anderen begrepen, wat Queenie zoo had ontsteld.
Zij trachtte het te vergeten en sprak dus schijnbaar met dezelfde opgewektheid
als zooeven.
Daar hoorde zij het weer duidelijk:
"Clementine."
[176:]
"Is het dat?'
vroeg de kapitein lachend; "een vriend, die zijne vriendin roept,
maar u gaat het toch in geen geval aan."
"Natuurlijk," antwoordde zij verstrooid; "het zal tijd
worden, dat we onze plaatsen weer gaan innemen."
Het voorval werd vergeten door ieder, behalve door Queenie, op wie het
hooren noemen van haar eigen naam een bijzonderen indruk had gemaakt;
's nachts begon zij er over na te denken, hoe zij zonder het te willen,
midden in geheimen wandelde en het haar zoo natuurlijk afging, dat ze
er nog niet eens aan gedacht had, haar toekomstigen echtgenoot iets
te verhalen van het eerste gedeelte haars levens als Clementine Muller.
Ze durfde dat echter niet doen, voor zij haar vader gesproken had, De
belofte van den eersten dag joeg haar nog steeds schrik aan.
"Kind," was het antwoord van mr. Campbell, "laat dat
aan mij over; Terborch zal ik inlichten zoodra het tijd is."
En zij liet de zaak verder aan haar beloop over. Den volgenden Zondagmiddag
reed mr. Campbell als gewoonlijk met zijn dochter naar de muziekuitvoering
op het Waterlooplein, waar het rijtuig spoedig door den gewonen stoet
jongelui werd omringd; kapitein Terborch was er echter nog niet en Queenie's
oogen zochten hem tusschen de talrijke wandelaars.
Plotseling richtte zij den blik op een groepje officieren,die zeer dicht
langs hun rijtuig voorbijkwamen en waarvan één vooral
haar onophoudelijk aanstaarde.
"Zou hij 't geweest zijn?" dacht zij plotseling, "hij,
die me geroepen heeft en die mij nu à tout prix wil herkennen?"
Geen twijfel meer, het was haar oude vriend Jacques Beauchamp, nu in
het uniform van Indisch 2den luitenant.
"Ik zal me goed houden," besloot zij, "'t is de eerste
kennis uit mijn vroegeren nauwen kring, dien ik tegenkom, ik zal mij
niet verraden."
"Clementine," zeide hij half luid; zij echter verroerde zich
niet.
Haar aanstaande kwam bijna dadelijk naar haar toe, en Jacques passeerde
nog wel tien keeren het rijtuig, altijd Queenie met een onderzoekenden
blik vervolgend, doch wegens de nabijheid van zijn superieur den kapitein,
durfde hij de proef met haar naam niet meer ondernemen.