II.
De kamer, waarin
Clementine Muller, na zich van hoed en mantel ontdaan te hebben, binnentrad
was goed verwarmd en verlicht. Aan de ronde tafel zaten twee dames,
waarvan ééne in eenvoudig huistoilet de gastvrouw scheen:
deze was een gezette dame, van diep in de veertig, met een aangenaam,
rond gelaat, dikke poezele handjes, die vlijtig de pennen van haar breikous
op en neer deden gaan; haar flanellen kamer japon viel los en onbevallig
langs hare ineengedrongen gestalte, maar haar gulle vriendelijke lach,
die telkens twee kuiltjes te voorschijn riep, trok zoo onweerstaanbaar
aan, dat men voor die nevenzaken geen blik over had. De andere daarentegen
scheen juist de opmerkzaamheid van haar hoofd te willen afleiden; op
den eersten oogslag scheen zij rijk en deftig gekleed, maar bij nadere
beschouwing bleek haar zwart zijden kostuum, op menige plaats gekerfd
en zorgvuldig gestopt, het kanten kraagje uitgewasschen, haar sieraden,
die kwistig borst, ooren en armen opluisterden, fantasievoorwerpen van
het goedkoopste maar schitterendste soort. Zoo was 't ook met haar gelaat;
de pyramide op haar hoofd was te onnatuurlijk hoog en zou zelfs met
Absalon's haren niet opgemaakt kunnen zijn, haar neus en wangen waren
bleek, maar ook ingevallen en gerimpeld; voor 't minst moest zij even
oud wezen als de andere. Zij sprak druk en levendig; de haakpen, waarmede
zij aan een fabelachtig fijne ster heette te werken, werd meestal gebruikt
om aan hare woorden gewicht bij te zetten en er nu eens mee op de tafel,
dan tegen haar schoteltje, soms tegen haar voorhoofd te kloppen.
"Ha, Clementine, eindelijk! Je tante werd al ongerust," zoo
begroette zij 't binnentredende meisje.
"Heusch, tante?" en zij gaf de gastvrouw een hartelijken kus,
en reikte de andere de hand, met een "goeden avond, mevrouw!"
"Neen, kindlief, dat was ik nog niet. Op een half uurtje vroeger
of later kijk ik niet nauw."
"Ja, lieve Rosalie, dat zeg je nu wel, maar toch, ik zou
[154:]
Clementientje,
zoo in 't donker niet alleen laten loopen. Waarom Ant niet even gestuurd
om haar te halen? Je kunt nooit weten... sinds de historie van mijn
nicht Lina, je weet, die later met dokter Kreling is getrouwd, een goede
meid, een beetje... enfin zoo zijn ze allemaal, we zijn ook jong geweest,
niet waar?".... maar Lina hebben zij 't bijzonder lastig gemaakt,
arm kind, ze is nu ook al weduwe, waar de tijd toch blijft, niet waar
Roos, ik weet het nog zoo goed, toen we, ja van jou kan ik 't natuurlijk
niet zeggen, maar toen ik school ging, Mama zou nooit toegestaan hebben,
dat ik zelfs op klaarlichten dag over straat liep. Neen, nooit, en op
Java past het een dame om zoo te zeggen niet, van hier naar Hartels
op den hoek te loopen, Daarom, als je me nu de waarheid vraagt, moet
ik je ronduit verklaren, neen Roos, ik zou Clementine ten minste in
't donker niet alleen laten gaan."
"Och, 't is hier dichtbij."
"Ant heeft wel wat anders te doen dan een groote meid als mij van
school te halen."
"Gewichtigers heeft ze zeker niet omhanden en juist omdat je al
volwassen bent, Clé, Och Heer, ik laat mijn Cina en Lise ook
niet halen, wel, zulk grut, maar over een jaar of drie, vier dan moet
ik er stellig toe overgaan, daarbij mijnheer is zeer streng op dat punt,
zeer! Heb je Jacques niet ontmoet?"
"Natuurlijk, hij liep in de Visscherstraat."
"Och ja, dat is ook de beste straat, waarin een jongmensch van
zijn stand en rang 's avonds een luchtje kan seheppen; ik heb 't veel
liever dan dat hij 's avends in de cantine zich gaat, ontspannen, 't
is een lust den jongen te zien studeeren, een lust, Rosalie... of ik
nog een kopje thee woû hebben, als je belieft, maar een beetje
meer suiker hé, je weet ik kom uit het suikerland en mijn broer
is suikerlord, hij heeft me een pikol suiker beloofd, als hij zijn belofte
maar houdt. Hij is goed genoeg, maar zijn vrouw is een spin, bah! foei,
ik kan niet tegen harde woorden en hevige tooneelen, daarom ben ik maar
eens een week op de fabriek geweest, en toen zei Beauchamp: "neen,
Alice, dat mag ik niet langer toestaan, je zenuwen raken heel van streek."
Ik was ook vervallen in dien tijd, Rosalie, vervallen, je hadt me toen
eens moeten zien, en dat deden alleen de scènes, die Mimi onophoudelijk
uitlokte."
"Ja, 't is onaangenaam zoo iets bij te wonen," bracht juffrouw
Rosalie er tusschen, terwijl mevrouw Beauchamp een onvermijdelijke pauze
moest nemen om met een slokje thee haar onvermoeide keel te bevochtigen,
en zich tot Clementine keerend, vroeg zijop recht teeder, moederlijken
toon: "Hoe is 't poes, je ziet er bleekjes uit, komt het van de
koû, of hebt ge je overspannen?"
"Bleek, zij ziet er uit als melk en bloed. Ach, wanneer Jacques
zoo'n kleur had, zou ik heel gerust wezen," het kopje werd neeren
de rede voortgezet: "maar 't is dan ook niet mogelijk met het studeeren,
wat die jongen doet; hij kan na 't volgend jaar officier
[155:]
wezen, en ik wil
volstrekt niet, dat hij naar Indië gaat, volstrekt niet. 't Tractement
is hier wel niet zoo groot als daar, maar hij brengt den stand aan en
heeft recht een schatrijk meisje, zelfs een freule, te vragen en dat
zal hij ook zéker doen. Hij heeft het hart heel hoog zitten;
dat hebben ze allen van mij, ook die bleeke kleur; 't staat wel gedistingeerd,
maar voor een jongen mag ik veel liever wat frischheid zien. Je bent
vandaag nog al gewoon van uitzicht, maar anders kun je een geweldig
roode kleur hebben, Clementine! Zeg eens, goed dat ik er om denk, Jacques
heeft je geholpen met je sommen, vertelde tante; ik wist ook al niet,
waarom hij gisteravond zoo laat thuis kwam, ik vreesde dat hij ergens
anders was geweest en daarom ben ik eigenlijk eventjes hier aangeloopen.
Het heeft hem in zijn studie wat achteruitgezet, van avond moet hij
't weer inhalen en dan komt hij laat naar bed, dat is verkeerd, maar
die jongen is de vriendelijkheid zelf; in dat opzicht heeft hij ook
veel van mij. 't Is hem niet mogelijk iemand iets te weigeren. Beauchamp
heeft het mij wel duizendmaal gezegd: "Alice, al te goed is buurmans
gek," maar ik kan er niets aan doen, het ligt zoo in mijn aard.
Liever zal ik mij zelf schade doen dan een ander iets weigeren en zoo
is Jacques precies."
"Maar hij zelf heeft zijn hulp Clementine aangeboden."
"Hij zag zeker dat ze in de verlegenheid zat, zoo is hij altijd..."
"Hij heeft zich opgedrongen en ik had liever niet..."
Een blik uit de goedige oogen harer tante hield een scherp woord van
Clementine's lippen terug, en na een stuk van haar boterbiesje te hebben
afgebeten, ging mevrouw Beauchamp voort:
"En wat zei madam wel van het werk? Hij heeft die sommen zeker
met hoogere algebra opgelost, zulk werk zijn ze daar niet gewoon, dat
kan ik denken, je hebt er zeker opgang mee gemaakt en natuurlijk verzwegen,
hoe je er aan kwam?"
"Zooveel opgang, dat madame me verzocht voortaan zulke geleerde
fratsen maar thuis te laten en mijn sommen liever te maken op de onderwetsche
manier; bij 't examen zouden ze me mooi laten vallen, als ik met zulk
een manier van oplossen voor den dag kwam."
"Dat zeggen ze altijd. De examens beteekenen niets, dat is ook
't idee van Beauchamp. Nu heeft zoo'n meisje daar een dag of twee alle
geleerdheid, die ze op een meisjesschool opgedaan heeft, uitgekraamd,
dan krijgt ze een diploma en is bevoegd onderwijs te geven, maar denk
je dat ik aan zoo'n drilproduct, - want dat moet je toestemmen, die
gouvernantes worden fabriek matig opgeleid en aan de markt gebracht,
denk je dat ik aan zoo'n meisje mijn dochter zou willen toevertrouwen?
Nooit, zelfs mijn kat niet."
En de haakpen gaf drie statige tikken aan de tafel.
"lk heb eens zoo'n exemplaar aan huis gehad, maar ik had er gauw
genoeg van.
Natuurlijk toen Beauchamp assistent-resident was ,waren we zooveel als
de eersten van de plaats, veel meer- als hier de familie van den Burgemeester,
Roos, veel meer - en wat ik
[156:]
tobben moest met dat
mensch! En wat kon ze? Zoo zijn ze allemaaI, dat verzeker ik je, allemaal.
Ga je ook naar de Oost, Clé?"
"Wel neen, mevrouw, ik blijf bij mijn tante, of liever tante blijft
bij mij als ik onderwijzeres ben of gouvernante externe."
"Zoo, is dat je plan, hm! Dat heeft nog meer van de kostsoolmamsel
dan een gouvernante; lndië is het El-dorado van die schepsels,
maar daar zijn me ook exemplaartjes bij. Ik weet er staaltjes van te
vertellen; neen, neen, Rosalie, niet als Clé er bij is. zeker
niet!"
Clementine had ondertusschen haar kopje leeggedronken en terwijl mevrouw
Beauchamp, om toch haar haakpen eenig werk te verschaffen, drie stokjes
haakte en zeven steken telde, verliet zij onbemerkt de kamer.
"Is ze weg, ze heeft den wenk begrepen."
"'t Is zoo'n lief kind," verzekerde tante Rosalie met een gelukig
lachje, "we kunnen niet zonder elkaar."
"Ze had in een goed pensionaat een jaar of wat moeten doorbrengen;
men ziet het haar aan, ze is zoo'n beetje... enfin! Zij heeft 't ook niet
noodig in de hoogste kringen te verkeeren en als gouvernante zal ze wel
vooreerst met de kleinste kinderen zich moeten bezig houden en de fijne
puntjes komen later van zelf, maar ik ben blij dat ze weg is, niet om
die gouvernante-histories, dat kan wachten tot een anderen keer, maar
zooeven hadden we 't juist over haar toen ze binnen kwam."
Tante Rosalie nam haar breiwerk op en haar vriendelijk gezicht kreeg een
eenigszins vervelende uitdrukking.
"Je was juist bezig mij te vertellen - de moeder van Clé stierf
kort na haar geboorte, niet waar? En haar vader, leeft hij nog?"
"Neen. . . dat wil zeggen. nu niet meer... hij was erg geschokt."
"En dat was geen wonder ook... Nog een kopje thee, Alice?"
"Dank je..., nu... och ja, als je er nog een over hebt, wat minder
melk... Dat heb ik geleerd van de Chineezen, de echte theedrinkers, die
gebruiken de thee zonder melk en zonder suiker."
"Gunst, dan moet er toch niet veel aan zijn. Ik houd van alles zoowat
er bij, niet te veel, niet te weinig. Van wie krijg je de melk tegenwoordig,
Alice?"
"Nog altijd van Sanne, die bevalt mij het best. Dus Clementine haar..."
"Sanne maakt het toch soms wel wat al te bont, er komt nooit room
op haar melk. Houd je van een velletje, Alice?"
"O ja, zeer veel, maar Clé had toch... "
"De Oosterschen houden er over 't algemeen veel van, maar hier mag
men ze niet."
Arme tante Rosalie!
wat had ze toch gegeven om hare vriendin te kunnen navolgen in haar
benijdenswaardigen woordenvloed, een vloed, die overstelpend, bedwelmend,
niet te stuiten was.
Mevrouw Beauchamp liet het melk-gesprek vallen, en stelde vierkant de
vraag:
[157:]
"Dan was Clé's
vader jouw broer?"
"Mijn broer, neen zeker niet!"
"En ze heet toch evenals jij: Muller?"
"0 ja zeker, zeker, hij was mijn - neef."
"Ouder dan jij?"
"Neen jonger! Waar zou Clé nu zijn,in de keuken?"
"Laat ze daar blijven! 't Is nu de beste tijd om te studeeren en
haar moeder heette van haar eigen?"
"Ook Mul. . Neen, ik weet het niet meer. . . Josephine."
"Nu ja, haar van?"
"Ouderling."
"Ha, Ouderling; ik heb met een juffrouw Ouderling school gelegen;
een leelijk monster, Bertha, zoo heette ze, meen ik, maar 't kan ook
wel wezen, Jo! Was Clementine's moeder ok zoo leelijk."
"Leelijk, o neen, zij was een beeld."
"Zoo, een beeld, hm, hm! Dat zou men aan de dochter niet zeggen.
Ouderling, een bekende naam, van Almelo, hé?"
"Neen, toch niet! Wat is die Jacques van u toch een aardig kereltje;
hij kan zoo gezellig
praten."
"Niet waar? Dat heeft hij van mij. Die jongen is mijn evenbeeld
en Beauchamp zegt altijd, hoe meer ik hem aanzie, hoe meer ik aan je
herinnerd word uit den tijd van ons engagement. Maar om op ons gesprek
terug te komen. Die Bertha, o neen, die Josephine Ouderling is dus met
je broer getrouwd, en wat was Clementine's vader toen?"
De meid kwam binnen en bracht een brief, waardoor het gesprek, dat tante
Rosalie zeer onaangenaam scheen, werd onderbroken. Beauchamp's onvermoeibaar
spraakorgaan rustte even, terwijl zij onafgewend den blik gevestigd
hield op hare vriendin, die haar bril opzette en het adres nauwkeurig
bezag.
"Geneer je niet, Roos, volstrekt niet voor mij! Maak gerust den
brief open; ik ben een wonderlijk mensch; maar ik kan 't niet verdragen
dat iemand last of ongenoegen heeft door mij. Ik leg niemand iets in
den weg en ik wilde dat anderen 't mij ook niet deden; maar, helaas!
Juist zooals Beauchamp zegt: zulk soort van menschen worden gewoonlijk
't kind der rekening. Ik zie 't aan de oogen van een ander, wat hem
aangenaam is. Maak dus, als het je belieft, dien brief open en doe of
ik er niet bij ben."
"Och! het kan wel wachten."
"Niet veel bijzonders dus?"
"Ik weet niet van wien hij komt, ik ken die hand niet."
"Laat me eens zien, misschien weet ik het. Hm, zwaar papier, gedistingeerd,
een flinke mannenhand! Weet je wat het beste is, om het te weten, hem
open te maken."
"Nu ja,
straks, ik ben niet nieuwsgierig."
"Hindert mijn tegenwoordigheid je misschien, . . Roos? Zeg het
dan, hoor! en ik stap op."
[158:]
"Maar, Alice,
je blijft hier toch een boterhammetje eten?"
"Neen, dankje, als ik je zoo hinder. Mijn hemel! Ik zou nog gaan
denken dat je het liet om mij, omdat ik. . . enfin! Dat zou horrible
zijn, omdat ik misschien nieuwsgierig ben te weten, wat daarin staat!
Dan ken je mij nog niet, Roos, daar is niemand op de wereld die minder
geeft om zaken, die hem niet aangaan, dan ik. 't Is zelfs een gebrek
van mij, dus als ik je verzoeken mag en je mij niet boos wilt maken,
maak hem open en lees!"
Zeer ongaarne voldeed tante Rosalie aan die dringende en dwingende uitnoodiging,
zag naar de onderteekening en mevrouw Beauchamp, die geen harer bewegingen
uit het oog verloor, merkte duidelijk dat Rosalie's handen beefden en
haar lippen trilden. Toch stak zij den brief weg en hare stem klonk
nog eenigszins onzeker toen zij hernam:
"'t Beteekent niets."
"Een brief van een ouden vrijer, misschien. Een aanzoek voor Clementine?
Och, die aanzoeken komen zoo gauw niet in Holland, daarom heb ik Beauchamp
gezegd, en hij is het altijd met mij eens: zoodra onze meisjes groot
zijn gaan we naar Indië! Is 't zoo iets, Roos? Je kunt het mij
gerust zeggen; je weet dat ik zwijgen kan als het graf. Wie is 't die
haar vraagt? Ik zou 't niet vragen, wanneer ik in jullie beiden niet
zooveel belang stelde."
"'t Is heel iets anders!"
"Toch geen aanmaning om een rekening of zoo te betalen. Dat zijn
nare dingen, niet dat ik er bij ondervinding over spreek; wat dat betreft,
daar zijn Beauchamp en ik heel secuur op. We betalen alles contant."
"Ja, ik ook, dat is veel prettiger, men weet dan wat men bezit."
"Ik begrijp 't; er komt iemand geld van je leenen. Dat zijn onaangename
boodschappen. Hoe men ook doet; slecht kom je er altijd mee af. Nu;
ik zou zeggen: adieu! vriendschap die op geld rust is me geen cent waard.
Je raakt ze altijd kwijt, je vrienden en je geld of je vrienden als
je ze niet leent; dan liever de vrienden zonder geld."
"Ja, dat zeg ik ook."
"Zoo, is 't dus dat? Familie of vrienden? Van Clementine's kant,
de Ouderlingen?"
"Neen, dat juist niet. Ik zal Ant maar zeggen voor 't souper te
gaan zorgen, niet waar?"
"Dankje, ik ga naar huis."
"Nu reeds, Alice? Blijf je dus niet?"
"Neen, ik merk het wel, dat ik je lastig ben en daarom zal ik je
maar alleen laten. Waar is mijn goed?"
"Maar, lieve Alice, hoe kom je er aan? Je weet dat je mij altijd
even welkom bent."
"Behalve
als je van die geheimzinnige brieven ontvangt en ik aan je gelaat zien
kan, dat alleen mijn tegenwoordigheid je belet om die rustig te lezen
of misschien met je nicht te bespreken."
[159:]
"Beste Alice,
ik kan 't toch niet helpen, dat ik mijn gezicht niet in bedwang heb.
Die brief kwam zoó onverwacht. . ."
"Verontschuldig je niet. Je bent immers vrij om den inhoud van
je brieven geheim te houden; brieven zijn heilig, maar wat ik nu doe,
doe ik alleen uit bescheidenheid. Ik ben bescheiden tot het belachelijke
toe, 't is geregeld een gebrek geworden, heeft Beauchamp me dikwijls
gezegd en daarom laat ik je alleen. Clementine - tot het meisje dat
niets vermoedend inkwam - mijn hoed en mantel, ja? Ik wil je tante niet
hinderen."
"Gaat u alleen naar huis, mevrouw?'"
"Natuurlijk, Beauchamp wilde me halen, maar hij rekent er op, dat
ik eerst om een uur of negen thuis kom."
"Maar blijf dan ook, Alice-lief, je hindert me niet."
"Dat weet ik wel beter. Als het een brief was zonder eenig belang
zou je mij niet zoo uitwijkend hebben geantwoord."
"Antje kan je thuis brengen."
"Dankje wel. Ik weet mijn weg."
En na een uiterst koel afscheid verliet mevrouw Beauchamp de woning,
in de hoop dat zij in haar beleedigd gevoel van eigenwaarde de kracht
zou vinden om niet meer in dit huis,haar "prettigsten uitgang",
terug te komen.