[151:] I.
't Was avond, ofschoon
't nog pas 5 uur had gesjagen, de sneeuw lag vrij hoog op de straten
en een lichte mist maakte het nog donkerder dan 't anders om dezen tijd
gewoonlijk was.
De straat, waarin op dit oogenblik een onderofficier langzaam op en
neer ging, telde niet veel wandelaars; zij was dan ook niet rijk van
winkels voorzien; groote gesloten huizen stonden links en rechts, en
de deur, waarop de jonge militair hoofdzakelijk zijn aandacht scheen
te vestigen, droeg op een koperen plaatje de aanduiding "pensionnat
de jeunes demoiselles."
Hij begon ongeduldig te worden; het liep op kwart over vijven aan, een
oude jongejuffrouw, die voor haar spionnetje zat te breien, scheen hem
eenige aandacht te wijden, ten minste zij liet nu haar pen vallen, en
tot een andere dame, die dieper in 't vertrek zat, zich wendend, stak
zij hare vijf vingers op en wilde er misschien mee te kennen geven dat
de wandeling van de onvermoeiden jongman vijfmaal herhaald was.
Toevallig ontging hem die beweging niet, en hij besloot het raam niet
meer voorbij te komen, doch wie is tegen het spionnetje van een oude
vrijster beveiligd?
In 't spionnetje zag zij de deur van het pensionaat open gaan en een
jong meisje er uitwippen. Zij had een regenmantel om en droeg een paar
boeken; met een vasten stap sloeg zij links af; zij kon nog geen tien
huizen verder gegaan zijn, of de scherpziende dame zag duidelijk hoe
de zoon van Mars, die zijn passen hoe langer hoe meer ingehouden had,
naar haar toe schoof en - hoe jammer, dat het zoo mistig was; die mist,
de verklaarde vijandin van dames, verslaafd aan spionnen, belette haar
te zien wat er verder gebeurde.
"Goeden avond, Jacques! Ben je nu weer hier om mij te wachten?
Je weet hoe ververvelend en onaangenaam ik dat vind. Die oude juffrouw
Hakes keek me in 't voorbijgaan ook al zoo na; ik zal er nog eens met
je mama over spreken."
[152:]
"Dat weet
ze genoeg, en 't is geen nieuws voor haar."
"'t Schijnt van wel, want ze laat geen gelegenheid voorbijgaan
zonder mij een steek te geven over je onbescheidenheid."
"'t Spijt me wel, juffrouw Clementine, dat u geen anderwoord voor
mijn gedrag vinden kunt dan onbescheidenheid."
"Wel zeker, wat zou 't anders ook wezen? 't Is een lastige gewoonte
van je, die mijn naam in opspraak brengt."
"Maar ik was bang dat u vallen zou."
Een zilverachtige lach klonk van haar lippen, ze kwam juist aan een
glad punt en slierde er elegant over heen.
"Vallen, dat ziet u wel, hoe vertrouwd ik met het ijs ben; dat
een Oostersche jongen als u bang zijt, à la bonne heure, maar
ik, die er mee oud ben geworden. Voorwendsels, monsieur Jacques, ik
ben niet op uw geleide gesteld en morgen zal u mij niet zien."
"Och, juffrouw Clementine, ik verdien toch die behandeling niet,
ik meen 't goed met u!"
"Goed met mij meenen en waarom zou u het dan niet doen? Zeg eens,
Jacques, hoe kom je aan die mooie phrase?"
"lk wilde dat u eens naar mij luisteren wilde, spoedig moet ik
van hier weg "
"Hoe jammer. Wat zal ik dan dikwijls zonder geleide den grond moeten
kussen."
"lk kom op den hoofdcursus en hoop over twee jaar officier te zijn."
"Tiens, dan zeg ik geen Jacques meer!"
"U weet dat ik van plan ben dienst te nemen naar Indië en...
en... nu wilde ik van u weten of ik dan hoop kan hebben..."
"Om 't ver te brengen, wel zeker jongen, heel ver! Je zult dan
een prachtige positie hebben en 't recht, altijd volgens mevrouw Beauchamp,
om een schatrijk meisje gelukkig te maken en hare familie..."
"Dat zijn aardigheden, juffrouw Clementine, die niet te pas komen,
u begrijpt al sedert lang, dat ik niemand tot vrouw wil hebben dan u
en u alleen."
"Ah zoo, een formeele declaratie, niet in den maneschijn op een
lenteavond buiten in het veld; maar in een smalle straat, onder de mist,
met de sneeuw onder de voeten. Jacques, je moet je tijd beter kiezen,
jongen; à propos, al de sommen die je me hebt uitgelegd waren
fout, op één na, die ik naar mijn eigen begrip had gemaakt
en ik breng nu het prettige vooruitzicht mee naar huis,dat ik hoogst
waarschijnlijk nog zes maanden zal moeten wachten, vóór
ik mijn examen kan doen."
"U behoeft geen examen te doen, wanneer u als mijn vrouw naar Indië
gaat. Zeg eens, juffrouw Clementine, mag ik.."
"Die straat doorgaan, zeker Jacques! Kijk van avond je Kempees
maar eens na; ik zak stellig voor mijn examen, maar jij ook voor 't
jouwe, dat is een troost tenminste. Bonsoir, ik moet in dezen winkel:
Wacht niet op mij, 't zal lang duren."
[153:]
Jacques sloeg even
aan en keerde zich om; zij trad spoedig weer naar buiten, keek rond
en slaakte een zucht van verlichting.
"Ziezoo, hij is wijzer dan ik dacht! Zijn mama moet het eens hooren,
hoe ik haar zoontje op een eerbiedigen afstand houd! Wat verbeeldt die
kwajongen zich wel! Liberté chérie! Aan niemand dan aan
mij zelf wil ik eèn positie in de wereld te danken hebben, en
aan 't gezelschap van tante heb ik meer dan genoeg.
En zij liep altijd even vlug en opgewekt eenige straten door, totdat
zij voor een bovenhuis met aparten opgang staan bleef, schelde, en in
een vriendelijk verlichte gang verdween.