III.
"Wat scheelde
haar toch, tante?" vroeg Clementine lachend, nadat de gangdeur
achter mevrouw de Beauchamp toegeslagen was.
"Goddank, dat ze weg is," antwoordde tante Rosalie met een
diepen zucht en haalde den brief weer te voorschijn.
Clementine zag tante verwonderd aan; juffrouw Muller was bij allen,
die haar van verre of nabij kenden, bemind en geen wonder ook! Niemand
zou ze ooit het minste in den weg leggen, integendeel, ze wist iedereen
op zulk een manier een dienst te bewijzen, alsof 't aan haar was verplichting
te gevoelen voor de gunst, welke zij bewees, nimmer zou zij het ook
laten, waar 't maar eenigszins mogelijk was, iemand iets aangenaams
te zeggen. Als ze op een visite was geweest, waar van den een of ander
veel kwaad en weinig goeds gezegd was, dan zou ze den eersten keer,
dat zij den betrokken persoon ontmoette, op ongezochte wijze hem al
het aangename, overbrengen, wat zij gehoord had en het andere zorgvuldig
verzwijgen.
"'t Kost zoo weinig moeite den menschen een aangenaam oogenblik
te bezorgen," was haar lijfspreuk.
Zij was dan
ook de eenige met wie de lastige mevrouw Beauchamp op den duur kon omgaan
en Clementine bewonderde vaak hare tante, die altijd even kalm en opgeruimd
de pocherijen
[160:]
en hatelijke aanmerkingen
harer vriendin wist aan te hooren en haar liever in alles haar zin gaf,
dan in eenig opzicht haar humeur te verstoren.
De brief moest dus wel zeer gewichtig zijn, dat tante zoo geheel van
hare gewoonte afweek en liever mevrouw Beauchamp kwaad zag heengaan,
dan haar eigen nieuwsgierigheid in tegenwoordigheid der bemoeizieke
gast te bevredigen.
Tante Rosalie was anders niet gewoon brieven te ontvangen, waarvan zij
niet te voren den inhoud kende; dus ook Clementine's belangstelling
was gewekt.
Twee, drie keer las juffrouw Muller het geschrevene over, Clementine
was naar buiten gegaan en toen zij zich alleen zag, liet zij het papier
op de tafel vallen, nam haar brilletje af en nu kon men duidelijk zien,
dat groote tranen gereed waren langs hare nog blozende wangen te rollen.
"Ach, mijn God! Moest dat dan nu toch komen? Ik vreesde, maar neen,
ik hoopte toch liever, en nu moeten we scheiden, op mijn ouden dag haar
zien vertrekken, voor altijd, verre van mij!"
"Is er iets, tante?" vroeg Clementine, die het avondeten kwam
binnen brengen en verschrikt de tranen zag en het ontstelde gelaat harer
tante.
"Ach ja, kind, ik zal 't je maar liever dadelijk zeggen. Die brief
verandert ons leven. . . . je toekomst."
"Maar, tante!"
"Hij komt van van je vader!"
"Mijn vader, en ik heb immers geen ouders meer. Ik ben een wees,
hebt u me altijd gezegd."
"Dat meende ik ook, maar nu zie ik dat het niet zoo is, dat je
vader nog leeft."
"Hij leeft! Ik heb nog een vader, en u huilt en u ziet er uit,
alsof u een ongeluk was overkomen. Lieve tante, wat voor geheim schuilt
hier onder?"
"Och kind, als ik bedroefd ben, dan komt dit alleen omdat je vader
zijn kind komt opeischen."
"Mij opeischen! En waar is hij dan? Waarom komt hij niet zelf,
waarom heeft hij jaren lang zich niets aan mij laten gelegen liggen?
Waarom. . . ?"
"Lieve Clé, je vraagt mij meer dan ik in zoo korten tijd
beantwoorden kan. De zaken van je vader gingen slecht en hij moest daarom
kort voor den dood van je moeder ergens anders zijn geluk beproeven.
We hoorden niets van hem in al dien tijd en dus meende ik niet anders,
of hij was overleden."
"En zou die brief werkelijk van hem zijn?"
"Daar is geen twijfel aan. Lees, deze brief is voor jou."
Met bevende
handen nam Clementine het papier aan en las:
[161:]
"Mijn dierbare
dochter!
"God alleen weet hoevele jaren ik gesmacht heb naar het oogenblik,
waarop ik u eindelijk aan mijne zijde kon roepen. Mijn omstandigheden
zijn van dien aard, dat ik u een schitterend lot verzekeren kan en daarom,
lieve Clementine, ik heb u niet geroepen, toen ik, arm en onaanzienlijk,
strijden moest om mijn brood, - doch nu ben ik een rijk man, die in
de Bataviasche koopmanswereld een geachte positie bekleed.
"Ook uwe tante, die de plaats uwer onvergetelijke moeder zoovele
jaren bij u bekleed heeft, zal mij welkom zijn. . ."
"Hoort u: tante,
we behoeven niet te scheiden! u komt met mij mede!"
"Nimmer," was het antwoord, op zulk een beslisten toon gegeven,
dat Clementine er onwillekeurig van schrikte.
"Ik heb uwe
tante geschreven," zoo las zij door, "welke beschikkingen
ik genomen heb en ik verwacht u dus zoo spoedig mogelijk.
Uw teeder, innig liefhebbende vader."
"Tante,"
snikte Clementine, "wat moet ik doen?"
"Vetrekken! uw vader wil het immers."
"Maar, tante, lieve tante, die vader is mij zoo vreemd. Ik heb
hem beweend en voor hem gebeden als ware hij een doode. Veertien jaren
zijn er verloopen, sinds mama stierf en in al dien tijd heeft hij er
niet aan gedacht ons te schrijven."
"Hij wist onze woonplaats niet."
"Dat is waar; u heeft vroeger in Amsterdam gewoond."
"Hij heeft advertentiën geplaatst in de couranten om mij te
vinden, maar vergeefs. Je weet we lezen er haast geen. En nu door een
toeval kwam hij er achter. Mijn God, mijn God, wie had kunnen denken,
dat ons gelukkig leven zoo spoedig eindigen zou!"
"Moet ik dan gaan, tante!"
"Er is niets aan te doen, kind! Je vader heeft de meeste en grootste
rechten op je."
"Maar ik wil niet naar Indië, die groote zee over, het land,
waar mevrouw Beauchamp vandaan komt. Van middag nog lachte ik zoo, omdat
Jacques mij voorstelde zijn vrouw te worden en met hem naar Java te
gaan. Hoe pretentieus van zoo'n jongen, dacht ik, om te verlangen, dat
ik mijn lieve, beste, eenige tante zou verlaten om met hem naar zoo'n
ver en vreemd land te trekken. en nu? Ach, wat is alles in een oogenblik
veranderd!"
".'t Is hard, verschrikkelijk hard!"
"Tante, waarom gaat u dan niet mee?"
"Kind, ik ben te oud en daarenboven je vader en ik, we zijn nooit
zulke bijzondere goede vrienden geweest. Je moeder trouwde tegen den
zin harer familie."
[162:]
"Was hij dan
beneden haar in stand?"
"Dat juist niet, maar hij was altijd een weinig zonderling. Een
mooi man, ik zag er zelden een knapper. Geen wonder dat onze lieve Mina
zooveel om hem gaf! Arm kind!"
"Waren ze niet gelukkig, tante?"
"Toch wel, maar de zaken gingen slecht. Je vader volgde zijn eigen
hoofd; onze arme Mina werd zwak en ziekelijk; hij moest haar verlaten
en toen volgde de dood. Ach! zij heeft vreeselijk geleden, die arme
martelares."
"En wist papa dat ze dood was?"
"Ja, dat hebben we toen geschreven."
"Maar toch, als mama uw zuster was, waarom heet ik dan Muller als
u?"
"Och kind, er zijn zoovele Mullers."
"Dus heet papa ook zoo?"
"Neen of ja, ja zeker, Muller! Maar nu heeft hij in Engeland, schijnt
het; een anderen naam aangenomen. Ik moet mijn brieven adresseeren aan
de firma Willems te Amsterdam, met verzoek ze te verzenden aan John
Campbell, Esqre, te Batavia!"
"Is dat niet geheimzinnig?"
"Och neen, dat zal de naam zijn van het handelshuis, waarvan hij
chef is. Bij heeft nu bij die firma een onbepaald crediet geopend voor
je uitzet."
"En wanneer moet ik dan gaan?"
"Daarover zal nader geschreven worden. Maar ach, ik vrees het al
heel spoedig moet gebeuren."
"Mevrouw Beauchamp zal verwonderd opkijken en die Jacques."
"Antwoord me oprecht, Clé: hou je van hem?"
"Van Jacques? Wel neen, tante, ik mag hem graag lijden. Ik beschouw
hem nog als een kwajongen, maar meer niet."
"Je vader wilde weten of je hart nog vrij was. Hij wil niet hebben,
dat je hier eenigen band aanhoudt, als je bij hem zijt; alleen mag je
mij schrijven."
"Maar tante, wat beteekent dat?"
"Och, ik heb u immers reeds gezegd, dat je vader in alles zoo zonderling
is. Dat zal je moeten verdragen, mijn lief, mijn dierbaar kind! Ook
dat alles hier in 't geheim moet behandeld worden! Wij gaan in Amsterdam
wonen zal het heeten, en dan vertrek jij en ik blijf alleen over, zonder
anderere troost dan je brieven."
"Maar ik wil u niet verlaten! Wat kan ik voelen voor den vader,
die mij onbekend is, die mijn moeder niet gelukkig kon maken, die mij
als kind reeds heeft verlaten en die voor mij een vreemdeling is evenals
ieder in dat, verre land?"
"Spreek zoo niet, Clementine-lief, dat mag je nooit doen! Hij is
je vader; zijn leven is eenzaam en ongelukkig genoeg geweest en
ik heb je moeder op haar sterfbed gezworen dat ik u. . . Neen, er
[163:]
is niets aan te
doen. Je moet vertrekken, zoodra hij het verlangt."
"Tante, maar begrijpt u niet hoeveel het mij kost u te verlaten?"
"En mij dan? Maar kind, de plicht boven alles. Je plicht is de
stem van je vader te gehoorzamen. De mijne om je te laten gaan en dus,
kind! Gods wil geschiede!" Schreiend omhelsden ze elkander en de
nacht bracht aan hunne oogen of gedachten slaap noch rust.