X.
Tegen half zeven
kwam Terborch met een somber, streng gelaat bij de Campbell's aan; hij
verzocht mijnheer te spreken en werd in het kantoor gelaten.
Een uur lang bleven beide mannen in een heftig gesprek, dat soms tot
volslagen twist scheen over te gaan; allengs werden de stemmen bedaarder
en kalmer, eindelijk kwam mr. Campbell naar buiten; zijn gang was veerkrachtig
als altijd; hij droeg het hoofd fier opgeheven en om zijn lippen krulde
zich een geheimzinnige glimlach vol trots en zelfvoldoening.
Hij trad in 't salon zijner dochter, waar Queenie in een wit elegant
négligé op een wipstoel zat; hare trekken droegen de sporen
van vermoeienis, verdriet en alle hevige gemoedsaandoeningen, die haar
sinds van morgen zoo ontroerd hadden.
"Lieve schat," zeide haar vader, "onze vriend Terborch
zou je graag even willen spreken; kun je hem ontvangen?"
"In uwe tegenwoordigheid, ja."
"Nu 't is goed, hij zal dadelijk hier zijn."
Hij ging den kapitein waarschuwen, die hem volgde met gebogen hoofd
en evenveel schaamte in zijn houding, alsof men uit zijn verleden een
rechterlijk vonnis gedolven had, waarbij hijzelf, tot twintig jaren
tuchthuisstraf veroordeeld was.
Beide heeren kwamen bij Queenie, en Terborch nam hare hand en vroeg
zoo teeder mogelijk:
"Queenie, wilt gij het voorgevallene van vanmorgen vergeten en
mijn vrouw worden alsof er niets gebeurd is?"
"Zij zag haar vader en haar vriend met groote oogen aan.
"Wat is er dan gebeurd? Is het niet waar, wat ge mij vanmorgen
verhaald hebt? Is het een droom?"
"Neen, kindlief," antwoordde. mr. Campbell, daar Terborch
verlegen zweeg, "mijnheer en ik hebben de zaak heel nuchter beschouwd,
en zijn tot de conclusie gekomen, dat niets eigenlijk jelui huwelijk
in den weg staat, integendeel."
[193:]
"Ik heb u
altijd even lief," stamelde Terborch.
"Vanmorgen ook? Ik twijfel er aan, Frans. 't Is zeer edel van u,
dat ge een bruid met bevlekten naam tot uw vrouw verheffen wilt. Weet
ge, wat u dit wellicht kosten zal, hoevele onaangenaamheden en hoevele
duels?"
"Volstrekt niet, Queenie, de zaak blijft geheim tusschen ons; niets
behoeft bekend te worden."
"Hoe!!" en zij liet zijn hand los, "ge vraagt dus alleen
Queenie Campbell tot vrouw en verloochent Clementine van Duin?"
"Natuurlijk! Uw vader heeft alle stukken, die ons in staat stllen
om. . ."
"Het bedrog in eeuwigheid te doen voortduren? Neen, kapitein, wie
den moed heeft Clementine van Duin te trouwen, moet ook de toekomst
onbevreesd in de oogen zien en alles, wat zij hem aanbrengt, durven
bestrijden of verdragen. Alleen de liefde heeft die kracht en die liefde,
Frans, bezit ge niet; dat heb ik vanmorgen, helaas gezien en gevoeld."
"Ge weigert mij dus, Queenie?"
"Ja, ik weiger u."
"Bedenk wat men praten zal, wat gissen, misschien de waarheid wel!
Mijnheer Campbell, wat zegt u er van?"
"Queenie is geheel vrij om tot haar man te kiezen wien zij wil;
ik wil niet den minsten dwang op haar uitoefenen."
"Maar bedenk onze afspraak, onze. .. "
"Ja, dat was alles voor het geval dat zij hare toestemming gaf;
weigert ze die, apa boleh boeat? zegt de Javaan."
"Queenie, zijt ge onverbiddelijk?"
"Wanneer je mij onder mijn waren naam trouwen wilt alleen, zeg
ik ja!"
"Maar dat zou onzinnig wezen en onmogelijk!"
"Welnu.. dan is ook ons huwelijk onmogelijk!"
Terborch bad en smeekte, Campbell luisterde glimlachend toe, en nadat
het tooneel lang genoeg had geduurd en geen van beiden wilde toegeven,
zeide hij:
"Ge ziet wel, Terborch, dat er veel waars in het spreekwoord ligt:
"Ce que femine veut, Dieu le veut." Queenie is niet van haar
stuk te brengen, het is uw eigen schuld; waarom niet met dat papier
bij mij in de stad gekomen, in plaats van haar 't hoofd warm te maken?
Nu kinderen, ik zie er niets anders op dan dat je mekaar de hand geeft
en als goede vrienden scheidt."
Dat deden ze echter niet eens; Terborch keerde zich driftig om en pruttelde
iets van: "Vervloekt het oogenblik, waarop ik dit brandstichtershuis
het eerst betrad." Mr. Campbell scheen het echter niet te hooren;
Queenie zag hem met een blik vol verachting aan.
"Het geld van dien schurk alleen is niet vervloekt," had zij
op hare lippen, maar zij zweeg, want zij begreep dat die man hun lot
in handen had.
[194:]
Kort daarop reed
Terborch's rijtuig voor goed weg, en mr. Campbell kwam glimlachend bij
zijn dochter terug.
"Ge hebt den kerel goed gestraft," zeide hij haar, "ik
wilde u niet raden, maar ge hadt niet beter in mijn geest kunnen handelen;
die man is u onwaardig! Eerst had hij veel te zeggen van die gewone
gemeenpraatjes, maar ik wist dat hij in de schulden stak en toen heb
ik hem in een net van logika gelokt, waaruit hij zich met geen mogelijkheid
redden kon. 't Was kostelijk, en eindelijk toen ik me hield of er nooit
meer van 't huwelijk sprake kon zijn, heeft hij me gebeden en gesmeekt
om mijn toestemming niet langer te weigeren. Wat is de wereld toch karakterloos!
Met een weinig gezond verstand kan men een hoop gekken regeeren."
"En nu, papa, kan u op zijn bescheidenheid rekenen?"
"Wel zeker! In zijn belang zal hij zwijgen, of denkt ge dat hij
zich niet schamen zal, wanneer het publiek wordt wat 'n allertreurigst
figuur hij hier gemaakt heeft; laat dien anderen oudvriend van je, Beauchamp,
of hoe heet hij anders, ook maar zijn mond houden."
"Vreest u niet dat de zaak toch publiek wordt en. . . en... loopt
uw vrijheid dan geen gevaar?"
"Mijn vrijheid," en een minachtende lach speelde om zijn lippen,
"denkt ge dat het zoo gemakkelijk is mijn identiteit met dien kerel,
waarvoor ze me houden, te bewijzen? De naam, dien ik nu voer, behoort
mij even wettig toe als elke andere."
"Vader, nog een vraag: die rijkdom, die naam, behoort dat alles
u eerlijk toe?"
"Ge doet me geen al te bescheiden vragen, miss Queenie, maar om
uw arm zieltje niet nog meer te verontrusten, zal ik u uit den droom
helpen. Wanneer een man jaren en jaren lang in het zweet zijns aanschijns
werkt en door zijn talent en arbeid aan zijn patroon een groot vermogen
verzekert, zonder voor zichzelf meer te vragen dan het hoognoodige om
van te leven, is dat eerlijk gehandeld?"
"Ja zeker!"
"Welnu, als die patroon kort voor zijn dood inziet, dat niemand
beter in staat is zijn zaken op denzelfden voet voort te zetten, dan
die bediende, als hij om dezen te beloonen hem aan zijn ziekbed laat
roepen en vraagt, welken prijs hij verlangt voor zijn jarenlangen trouwen
dienst, mag dan de bediende een belooning met gerustheid vragen en aannemen?"
"Natuurlijk."
"Hij vroeg slechts een belooning, en dat was de vergunning om den
naam van zijn meester te mogen voeren, en stervend deed deze stappen
om zijn dienaar, wiens verleden hij kende, deze gunst wettig te. verzekeren;
na zijn dood zag de andere zich door het testament van zijn meester
in 't bezit van een groot fortuin. Dit is nu. in 't kort de geschiedenis
van uw vader, Queenie; en
[195:]
nu, kind, heb ik
nog nooit te voren aan een mensch ter wereld zulke verantwoording gegeven
mijner daden; begrijp dus hoe groot mijn liefde jegens u zijn moet,
en ik ken u te goed om te begrijpen dat gij dit bewijs van vertrouwen
zult waardeeren, zooals het u past! Ik zou maar stil naar bed gaan om
morgen verfrischt op te staan; we zullen Zaterdagmiddag naar Buitenzorg
rijden. Als we terugkomen zal het praatje over het verbroken engagement
reeds uitgebloed zijn. Wel te rusten!"
Nauwelijks in zijn kamer gekomen viel het masker van mr.Campbell's trekken.
"'t Noodlot vervolgt mij," mompelde hij, ongeduldig met den
voet op den grond stampend, "dat die ellendige brief juist nu moest
komen, nu ik aan het toppunt mijner wenschen gekomen was, nu ik Queenie
in weelde, aan een fatsoenlijk man toevertrouwd, kon verlaten. Een nieuw
leven wachtte mij in Britsch-Indië, een nieuwe loopbaan misschien;
wat kon het mij deren, als mijn huis hier zware slagen te wachten staan?
Haar fortuin was verzekerd en de bom zou eerst barsten als ik weg was;
als mr. Campbell niet meer aan 't hoofd der zaken staat, loopt alles
mis, zou men zeggen; en nu moet ik alles afwachten, alles wagen! En
in haar oog ben ik een verbrijzeld afgodsbeeld! Ja, verbrijzeld! met
bovenmenschelijke kracht houd ik de stukken nog bij elkander; ik wil
door mijn eigen minachting trachten haar de zaak uit een ander oogpunt
te doen beschouwen. Helaas! arm kind! Zij zou het gaarne willen, maar
de betoovering is verdwenen, haar vader is geen ideaal, doodeenvoudig
een tuchthuisboef en toch juist in haar oog had ik zoo ongaarne afstand
gedaan van dien aureool."
En Queenie lag te weenen achter haar mousselinen gordijnen, te weenen
over haar verloren levensgeluk, over haar gelukkige onwetendheid, die
zij nu noch door geld, noch door tranen meer kon terugkoopen, over haar
toekomst, die haar zoo kil en treurig toescheen, niettegenstaande er
niets in hare onmiddellijke nabijheid veranderd scheen, over de rol,
die zij voortaan te spelen had en die wel niets verschilde van die welke
zij sedert hare komst in dit rijke huis gespeeld had; maar toen wist
ze niet dat het een rol was en speelde haar daarom zoo gaarne en zoo
gemakkelijk.
Eindelijk beweende zij haar korten droom van liefde en geluk; want beide
had zij in Terborch hopen te vinden en nu bleef van al hare gevoelens
niets meer over, niets, zelfs geen achting.