XI.
Het afbreken van miss Campbell's engagement werd natuurlijk druk in alla Batavische rkingen besproken; er werden alle mogelijke
[196:]
en onmogelijke
gissingen gemaakt, die alle van de waarheid even ver verwijderd waren.
Had Queenie Campbell Terborch bedankt of had hij haar een voorwendsel
daartoe gegeven? Dit was de groote vraag, doch hoe die te beantwoorden?
Terborch had onmiddelijk na het gebeurde zijn overplaatsing gevraagd;
mr. Campbell had zijn dochter naar 'boven' gebracht, en wie zou het
anders weten?
Queenie trachtte zoodra zij teruggekomen was dezelfde te zijn van vroeger,
doch het viel haar zoo zwaar; zij kon geen komedie spelen en moest het
al doende leeren.
Haar stilheid werd toegeschreven aan haar verdriet over Terborch's ontrouw
en vertrek; ach, de liefde tot haar bruidegom moest al zeer oppervlakkig
geweest zijn, want bij al het verdriet en de zorgen, die Queenie overstelpten,
was de herinnering aan Terborch wel de geringste.
Een troost werd haar geschonken; zij ontving een brief uit de Molukken
van Jacques.
Met verontwaardiging had hij den brief van zijn moeder ontvangen, waarin
dezen hem schreef, dat zij eindelijk na vele en vruchtelooze onderzoekingen
er in geslaagd was, den sluier op te heffen, die de geschiedenis der
wonderlijke familie Muller-van Duin-Campbell bedekte.
Op dit oogenblik was die flinke kapitein Terborch gewaarschuwd; zij
kende hem te goed, dan dat zij zulk een man het verderf zou kunnen zien
inloopen; overigens was zij vast voornemens aan niemand ter wereld een
woord over de treurige historie te zeggen, en ze had het papa ook aanbevolen.
Dit deed zij niet om dat nest van een Queenie, of hoe ze tegenwoordig
ook heeten mocht, maar doodeenvoudig om die goede ziel van een Rose
Muller, die 't waarlijk niet helpen kon en er verdriet genoeg van beleefde.
Haar zoon versterkte haar in dit besluit door een scherpe berisping,
waarin hij zich volstrekt niet dankbaar betoonde voor haar goedheid
om hem te wreken op het meisje, dat hem versmaad had.
Zijn moeder zooveel mogelijk verschoonend schreef Jacques aan Clementine,
om haar de verzekering te geven, dat hij zijn belofte niet gebroken
had en ook niet breken wilde. Hetgeen gebeurd was, scheen onherstelbaar,
hij hoopte echter niet, dat de daad zijner moeder onaangename gevolgen
hebben zou.
"Hij is tenminste waar geweest!" zuchtte Queenie, den brief
zorgvuldig verbergende, "op hem drukt geen logen als op allen die
ik lief had."
Moeilijke oogenblikken waren het voor haar zoo zij in gezelschap dezen
of genen als eerloos hoorde brandmerken, en wanneer hare meening gevraagd
werd om in een kiesche zaak, waarin de eer gemoeid was, te beslissen.
Zij wist niet of zij haar vader benijdend an wel beklagen moest, wanneer
hij met eenige los daarheen geworpen woorden zijn oor
[197:]
deel uitsprak, dat
soms verpletterend luidde voor den schuldige.
Zoo ver had zij het nog niet gebracht. Nimmer echter werd haar gevoel
zoo op de proef gesteld als bij een groote soirée, die ter eere
van haar verjaardag gegeven werd.
Zij zat aan de theetafel en haar vader gaf den toon aan der gesprekken;
eenige heeren en dames hadden het druk over een brand, die gisteren
nacht een der Bataviasche kampongs bijna geheel in de asch had gelegd.
"Dat is het voorrecht van in een steenen huis te wonen," zei
een der dames, "daar ten minste is men veilig tegen het vuur."
"Maar, mevrouw! hoe kunt u dat zeggen? Hier behoort zoo iets tot
de zeldzaamheden, maar wat zou er in Euroa anders branden dan steenen
huizen!" riep de gastheer uit, en niet zonder bitterheid dacht
zijn dochter:
"Papa schijnt met kennis van zaken te spreken."
"Ja, één huis dat is mogelijk," ging de dame,
die nog nooit in Europa geweest was, voort, "maar daar gebeurt
het toch nooit zooals hier dat een geheele wjik afbrandt als een hoop
kaartenhuisjes."
Queenie voelde zich hoe langer hoe slechter op haar gemak.
"Heeft u nooit van den brand in Enschedé gehoord?"
vroeg een der heeren, "die stad werd bijna geheel in de asch gelegd
en die huizen waren toch ook allen van steen."
"Ik vergeet nooit," sprak een ander heer, "den indruk,
dien ik ontving van den brand in Riethoven; herinneren de heeren zich
dien nog?"
"Was die niet aan kwaadwilligheid toe te schrijven?"
"Juist, een mauvais sujet, een gemeene kerel; die een groote fabriek
had, zag in dat het eenige middel om aan contanten te komen, daarin
bestond, zoo'n half verloopen fabriek in brand te steken en dan van
de assurantie-gelden zijn schulden te betalen!"
"Foei, hoe leelijk!"
"Niet waar? De uitkomst was nog leelijker. Niet alleen zijn huis
en fabriek brandden af, maar het tweederde van het stadje. Daags daarna
ging ik, die een paar uur verder woonde, met mijn vader daarheen, maar
nimmer vergeet ik dat tooneel van verwoesting, die verkoolde balken,
die menschen van hun bestaan en broodwinning beroofd, klagende langs
de straten; die nog rookende puinhoopen, waar eenige dagen geleden nog
geluk en tevredenheid heerschten, maar wat vooral mij een onuitwischbare
herinnering naliet, waren de twee verkoolde lijken die men juist toen
ik er naar stond te zien, onder een ingestorten muur te voorschijn haalde."
"Afschuwelijk!" werd op alle toonhoogten in 't rond gemompeld;
alleen de dochter des huizes zweeg en hield het hoofd diep gebogen.
Hoe kon zij hier nog zitten, die menschen bezighouden, uit hare hand
verfrisschingen aanbieden,terwijl ze wist dat een woord
[198:]
van haar hen allen
met denzelfden afschuw zou doen terugwijken, die zij nu betuigden te
voelen voor de misdaad van een onbekende?
"Ja," zeide mr. Campbell, "'t is een allerakeligst gezicht
daags na een brand, maar op 't oogenblik, dat het vuur in volle kracht
is, ook niets indrukwekkender."
Queenie rilde en kromp schier ineen doch niemand lette op haar; het
gesprek was te interessant.
"Welnu, ik geloof dat het de zwaarste straf is voor den aanlegger
van zulk een brand, tenminste als hij nog eenig menscheIijk gevoel in
zijn borst heeft, om daags daarna de plek zijner misdaad terug te zien."
"Heeft de brandstichter het gedaan?"
"Dat kunt ge denken; bijtijds heeft hij de plaat gepoetst."
"Maar is 't bewezen, dat hij schuldig was?"
"Wel zeker; het proces heeft zün loop gehad en hij werd bij
verstek veroordeeld tot vijftien of twintig jaren tuchthuisstraf."
"Hoe jammer, dat hij die niet gezeten heeft! Waar de schurk mag
gebleven zijn?"
"Men denkt dat hij de hand aan zichzelf geslagen heeft."
"Zoo, dan heeft hij toch zichzelf gestraft; zou zoo iemand, na
zulk een misdrijf op het geweten te hebben, nog ooit kunnen lachen en
schertsen als wij?" Het was een heel jong meisje, dat deze vraag
deed.
"En hoe is zijn naam?"
"Dien vergeet ik niet licht: van Duin."
Nu kon Queenie zich niet langer bedwingen, zij zag op naar haar vader,
en hij die het gesprek had gevolgd als ging het hem in geen enkel opzicht
aan, schrikte van haar vaalbleek, bestorven gelaat. Toch lachte hij
haar vriendelijk toe en die lach sneed Queenie meer door de ziel dan
alle woorden die zij opgevangen had.
Niet alleen lachen en schertsen kon hij nog, maar het hoofd fier opheffen,
bespotten over hen, die hij bedroog. Zou nimmer het tooneel, dat zij
daar straks had hooren beschrijven zijne nachten komen bezoeken, zijn
liefelijkste droomen storen? "Zulk een brandstichter is erger dan
een moordenaar," hoorde ze nog iemand zeggen; alles scheen in een
verwijderde sfeer te gonzen en te mompelen, zij behoorde er niet meer
onder. Haar geest verduisterde; voor 't eerst van haar leven voelde
zij dat ze haar bewustzijn zou verliezen.
"Queenie!" riep plotseling mr. Campbell, "wat een groote
spinnekop gaat daar over je arm!"
Geschrikt sprong zij overeind; allen kwamen nader, niemand zag den spinnekop,
maar iedereen bemerkte dat zij doodsbleek en ontsteld was; 't gesprek
was in een andere richting geraakt en mr. Campbell liet de leiding er
van aan geen ander meer over.
Queenie wandelde altijd nog voort als in een droom, er werden toasten
en gedichten op haar uitgebracht; zij verwaardigde zich nauwelijks te
luisteren.
[199:]
"0 mijn God!
als ze wisten, wie wij waren, hoe zou alles in een oogwenk veranderen,"
dacht zij onophoudelijk, en de overigen meenden, dat miss Campbell sedert
die liefdeshistorie erg veranderd was.
Zij voelde een werkelijke verlichting toen de laatste gast vertrokken,
het laatste rijtuig weggereden was; hoe had zij kort te voren nog waarde
kunnen hechten aan zulke feesten? Nu drukten ze haar neer, nu bogen
zij haar 't hoofd ter aarde. Daar stond zij nu alleen tegenover haar
vader; zijn gelaat scheen streng en koud!
"Queenie," vroeg hij kortaf, "wat moet dat beteekenen?
Sedert wanneer behandelt men mijne gasten op deze wijze?"
"Papa," snikte het ongelukkige kind, "papa, het was zoo
vreeselijk!"
"Wat, die oude brandhistorie! Kind, zie de zaken toch beter in.
Denk je, dat die oude huizen nog niet weer opgebouwd zijn?"
Niemand heeft er door geleden dan een paar assurantie-maatschappijen
en die kunnen het wel lijden, die bedriegen de goê gemeente toch
al genoeg."
"En die menschenlevens?"
"Vroeg of laat hadden ze toch moeten sterven! Doch wat heeft de
wereld er aan of er een paar boeren meer of minder op haar bodem zijn,
en daarentegen, hoeveel nut heeft ze reeds aan mij beleefd? Verbeeld
u als ik eens was gaan kniezen en me doodtreuren, zooals dat onnoozele
schaap het zou gewenscht hebben, wie zou er bij geprofiteerd hebben?
Niemand, en ik zelf niet eens! Kom nu., Queenie, dit is mijn wensch:
voortaan wil ik jou niet meer zien met dat martelaarsgezicht van vanavond;
nu kunnen zij het - heel vleiend voor je, dat moet ik zeggen - toeschrijven
aan je teleurgestelde liefde, maar zonder mijn inval over dien spinnekop,
zoudt ge een appelflauwte hebben gekregen. en wie weet welke gevolgen
die zotheid nog had gehad. Dus kind, flink uit de oogen gezien, en vraag
vooral niemand om excuus, dat ge het durft wagen een plaatsje in te
nemen tusschen zoovele brave deugdzame, eervolle menschen, die het bedriegen
nauwelijks waard zijn."
En zonder haar meer aan te zien ging hij naar zijn kamer en viel daar
op een fauteuil neer, met het hoofd in de handen!
"Bestaat er dan geen geweten, of kan men zijn stem smoren?"
vroeg Queenie, "neen, papa voelt niets wat naar wroeging lijkt;
zoo hij tot aan den vooravond van den noodlottigen dag kon teruggaan,
en hem de keus werd gelaten tusschen een armoedig maar schuldeloos leven
en een lot, zooals het zijne waarlijk werd, hij zou nog het laatste
kiezen. 0, wanneer hij bekende in een oogenblik van overijling gehandeld
te hebben, indien hij maar een woord zeide, waaruit ik kon opmaken,
dat hij zijn misdaad betreurde, hoeveel beter zou onze verhouding zijn.
Dan was er waarheid tusschen ons en wat gaat boven waarheid?"
Ook haar vader liet zijn verleden langs het oog zijns geestes voorbijtrekken
in bonte, breede tafereelen; hij zag zich in de fa
[200:]
briek, waarin zijn
vader hem had gezet, nadat hij aan de academie zijn jeugd, gezondheid
en geld verspilde; toen was hij vast voornemens een nieuw leven te beginnen.
Zijn vader wilde hem gaarne getrouwd zien, welnu, zijn keuze was spoedig
gedaan. Zijn bruid was jong, rijk, schoon; hun liefde scheen afgoderij,
en de kalme schoonzuster, die het toezag, vroeg zich af, hoe lang zulk
een heftig, hartstochtelijk gevoel wel zou duren, zonder te verflauwen.
Maar daar vroeg het jonge paar niet naar. Zij hadden elkander lief,
wat deerde hen de wereld?
"Neen," dacht de vrome Rose, "zulk een liefde kan God
niet goedkeuren, 't is menschenvergoding; 't is het gevoel dat Hem alleen
toekomt, overgedragen op een schepsel!"
En zij moest het aanzien, hoe reeds zeer kort na het huwelijk die vurige
liefde afnam en slechts even weer scheen op te leven, toen Mina hem
een dochtertje schonk.
Weer was 't een nieuwe afgoderij, een nieuwe aanbidding; bij het wiegje
der kleine Clementine vergat van Duin hemel en aarde; doch ook dat gevoel
sleet af, de fabriek werd verwaarloosd; naar Mina en kind werd nauwelijks
meer omgekeken; zoodat deze het liefst buiten het echtelijke dak, in
haar ouderlijk huis vertoefde.
De zaken namen een slechten loop, eindelijk kwam een beslissend keerpunt.
Toen had hij het gewaagd en daarna. . ?
Alles scheen bij Eduard van Duin's wieg een gelukkig levenslot te voorspellen;
hij was een eenig kind, aan gebeden door zijn ouders, rijk begaafd,
met tijdelijke goederen gezegend, beminnelijk, liefhebbend en toch,
in de korf waar de toovergodinnen hare rijke gaven hadden neergelegd,
werd een noodlottig geschenk verborgen.
Eduard wilde alles genieten, doch alles kon hem slechts voor een oogenblik
bevredigen; hij zou met drift het voorwerp zijner wenschen najagen,
maar nauwelijks had hij het bereikt of het verloor zijn bekoorlijkheid,
hij liet het vallen en rukte verder, helaas! waarheen?
En daarom overviel hem thans ook weer een gevoel van doffe machteloosheid;
het masker, dat hij jaren gedragen had, was hem een nieuw aangezicht
geworden. hij voelde het nauwelijks meer, doch naast hem was een ander
gelaat verschenen, dat bleek, lijdend het masker, dat ook hij haar wilde
opleggen, afwees en hij voelde het: onmogelijk zou 't hem zijn haar
er toe te dwingen, en voor iets onmogelijks te staan was mr. Campbell
iets nieuws.
"lk had het kind met hare bekrompene ideeën in hare kleine
stad moeten laten; de charme is er af; We moeten scheiden, de wereld
is groot genoeg en de ramp is aanstaande; die tenminste zal zij niet
aan mijne zijde doorleven! Ze zou mij gaarne zuchtend en berouwvol aan
hare voeten willen zien om mij te troosten! Ha, alsof ik dat noodig
had; ik ken mijn eigen karakter en weet het best, hoe ik mijzelf moed
kan inspreken, als ik tenminste moed noodig heb, maar nu nog niet, in
lang niet!"