IX.
Wankelend bereikte
het meisje haar kamer.
Wat was alles in een oogenblik veranderd; hoe scheen over alles een
somber floers neergedaald.
Eerloos, gebrandmerkt, tot een schandelijke straf veroordeeld te zijn
en dan nog in ieders oog te willen doorgaan voor een achtenswaardig
mensch, zijn dochter toe te vertrouwen aan een man van eer, wat een
net van bedriegerijen!
Queenie's eerlijke ziel huiverde er voor en zij verwonderde zich dat
zij niet eerder dit weefsel had doorzien; slechts wegens een misdaad
kon haar vader zulk een geheimzinnige rol spelen en haar dwingen het
ook te doen. Alles kwam haar nu voor den geest; tante's ontwijkende
antwoorden wanneer zij over hare ouders sprak, haar kinderlijk gebed,
waarin zij alleen haar moeders naam mocht noemen, die onverwachte brief
uit Batavia, tante's koele terughoudendheid over alles wat haar vader
betrof. Dat hij onschuldig was! Helaas, geen oogenblik kon Clementine
er aan denken, zijn vlucht en tante's houding zeiden het genoeg, dat
hij wel degelijk de misdaad had bedreven. Een brandstichter, een tuchthuisboef!
De slag, haar door die woorden toegebracht, was zwaar, nog zwaarder
daar hij uit de hand kwam van hem, in wien zij haar toekomstigen echtgenoot
liefhad en vereerde.
Kon dat liefde zijn, die zoo spoedig het beminde voorwerp opgaf, die
geen woord over had voor hare smart en schande,
[189:]
maar alleen zich
verheugde dat hij, en hij alleen aan de verbintenis ontkomen kon, omdat
hij nog niet voorgoed verbonden was aan de dochter van een eerlooze,
een bedrieger?
Neen, een man, die waarlijk beminde, kon zoo niet handelen, dacht Queenie
en zij voelde zich dubbel bedrogen door beide mannen, die haar het liefst
waren op aard. "Hoe zou Jacques hebben gehandeld?"
Jacques? Maar Jacques was de schuldigste, Jacques had haar verraden,
hij had zijn moeder geschreven en deze, die valsche slang, was blijde
geweest, het meisje, dat haar zoon versmaadde, op hare beurt te vernederen.
Uren en uren bleef Queenie in de eenzaamheid; de middag ging voorbij
en machteloos, door zware hoofdpijn, bleef zij op den divan in hare
kamer liggen met gesloten oogen en zwaar hijgende borst.
Een rijtuig reed het achtererf op; wankelend rees zij in de hoogte,
maar viel dadelijk weer uitgeput neer.
"Mijn God! Dat is mijn vader! Nu wacht mij het zwaarste; hem te
zien blozen vóór mij!"
Mr. Campbell was verwonderd zijn dochter niet als gewoonlijk in de achtergalerij
te vinden bij de theetafel, waar zij met een handwerkje hem opwachtte,
om dan, wanneer hij zich "lekker gemaakt" had, hem zijn kopje
thee in te schenken en van hem het nieuws uit de stad te hooren.
Hij stak zich in négligé, en weer in de achtergalerij
terugkomende met een paar stukken in de hand, zag hij zoekend in het
rond en vroeg aan de baboe, die zijn kopje thee inschonk, waar nonna
was.
"Nonna was niet aan tafel geweest en lag met zware hoofdpijn in
hare kamer!"
"Zoo, 't zal toch niet erg wezen, hoop ik!" en hij ging naar
de kamer van zijn dochter.
"Binnen," antwoordde Queenie's stem flauw op zijn kloppen.
"Hoe is 't, darling? Onwel; jongen, 't komt je slecht te pas morgen
met den ondertrouw."
Een rilling doorvoer al hare leden, maar zij sprak niet; even sloeg
zij de oogpn op, sloot ze weer dadelijk en wees op haar hoofd.
"Heb je geen compressen van ijswater gebruikt? Ik zal den dokter
laten komen, maar eerst moet ik je spreken. Straks komt Terborch, je
zult zeker wel opstaan om hem te ontvangen en we hebben anders geen
tijd om rustig te praten."
Zou hij reeds iets weten? Zou zij niet behoeven te spreken om hem te
beschuldigen? Queenie hief het moede hoofd op en staarde hem afwachtend
aan.
"'t Betreft een formaliteit bij het aanteekenen. Ik kan de akten
van je geboorte en van mama's dood niet tijdig genoeg in handen krijgen;
nu heb ik iets gedaan wat men met genaturaliseerde
[190:]
Engelschen meer
doet, ik heb een geboorte-akte laten komen uit Engeland, waardoor je
meteen wettig de namen krijgt die je nu draagt. Queenie Campbell, dochter
van John Sidney Campbell en Mina Muller, geboren, enfin, de rest weet
je wel, ik wou je dat maar zeggen, opdat je morgen niet verwonderd zoudt
zijn. Een formaliteit, anders niet:"
"Papa," sprak het meisje langzaam, "zou 't niet beter
zijn aan Terborch eerst te vragen of hij Queenie Campbell nog tot vrouw
wil hebben, wanneer zij Clementine van Duin heet?"
Haar vader hoorde haar zonder blikken of blozen aan; zwijgend bleef
hij een oogenblik zitten en vroeg even kalm als anders:
"Hoe komt ge aan dien naam? Voor zoover ik weet, hebt ge dien nooit
in mijn tegenwoordigheid uitgesproken."
"Hoe zou ik ook? Voor van morgen wist ik niet eens dat die bestond,
nog minder dat ik er recht op had."
"Niet meer! Die herinnering is uitgedoofd bij mij. Ik ken de van
Duins niet."
"Maar anderen kennen ze, anderen zllllen ons dien naam voor de
voeten werpen. 0 papa! zeg me een woord en alles zal te dragen zijn,
wat is er van waar, is u. . . schuldig?"
"Dwaas kind! Wat hebben ze je opgewonden? Wie is er aan het klappen
geweest?"
"Terborch heeft een anoniemen brief uit Holland ontvangen en daar
staat alles in, wat ik niet wist en wat ik voor hem moest verborgen
houden."
"Zoo, een anoniemen brief! En heb je bekend? Onnoozel kind, ik
zie 't aan je oogen, je zijt me ongehoorzaam geweest, ge zijt door de
mand gevallen en hebt u en mij verraden."
"Vader, mocht ik dan liegen, mocht ik een man, die mij vertrouwde,
deelgenoot maken van mijn schande?"
"Uw schande. maar kind, wie spreekt er van schande? Wat gaat Clementine
van Duin u aan, ge zijt Queenie Campbell evenals gisteren."
"Neen, die naam is een leugen en ons geheele leven is een leugen,
en God zij gedankt, dat het mij bespaard is den grootsten leugen te
zeggen, dien welken mij in 't aanzijn van God en de menschen maken zou
tot gade van een eerlijk man!"
"Ge zijt zenuwachtig, Queenie, ge ziet de zaken van een verkeerd
standpunt."
"Neen, ik zie ze van 't eenige ware standpunt! O, denk niet, dat
ik u verwijten doe over 't geen jaren geleden gebeurd is. Ware dat maar
vergeten, zooals ik 't gaarne vergeten zou! Vader, vader, waarom mij
niet in Holland gelaten, waarom mij verborgen gehouden wat ik toch eenmaal
zou moeten weten; ik ware dan nooit zoo gelukkig geweest als ik nu was,
maar ook nimmer zou ik van 't toppunt des geluks zijn neergeworpen op
gevaar af verbrijzeld te worden."
"Kindlief, er is niets verloren; Terborch weet het, goed! Hij
[191:]
wil u niet meer
trouwen; er zijn er meer, die hem zijn plaats benijdden; geef hem zijn
afscheid! Ik behoud u langer, dat is mij het voornaamste, doch ik zal
hem op zijn eerewoord afvragen, dat hij er geen letter van rondstrooit."
"Maar hij is de eenige niet! Mevrouw Beauchamp weet het en als
zij het weet, wie kan er dan nog onkundig van blijven?"
"We zijn den langsten tijd op Batavia geweest; 't was een onvoorzichtigheid
van mij zoolang die Hollanders te trotseeren; het had al veel eerder
bekend moeten raken; och ! 't is zoo gemakkelijk een dom gezelschap
wat goudzand in de oogen te strooien. Hier vooral in dit gezegend land
ignoreeren zij zoo lang mogelijk het verleden van dengene, die hen onthaalt
op wijn en sigaren; ze pluizen niet uit als in 't moederland wie onze
voorouders waren tot in 't 13de of 14de geslacht. Maar als 't eens uitkomt
door zoo'n oude, valsche tang als de vriendin van je tante, wie kan
er iets aan doen?"
"En wat wil u nu beginnen papa?"
"Wat ik ga beginnen? Wer een kopje thee drinken, mij baden, mij
aankleeden, een toertje maken."
"BIijft alles dan hetzelfde?"
"Voorloopig ja, of zou je willen dat ik mijn huishouden opbrak
en in de courant liet zetten: Vertrokken John Campbell en dochter, omdat
een oude malloot uit Holland goedgevonden heeft aan een vriend des huizes
te schrijven, dat die mr. Campbell eigenliik zoo niet heet, maar dat
zijn naam is Eduard van Duin en zijn eigenlijk domicilium een der tuchthuizen
van het dierbare vaderland."
"0 papa!" kermde Queenie.
"Doet je dat pijn? Belachelijk! Dat zijn kinderachtige ideeën.
Hoe, omdat in een klein, onbeduidend land van onzen aardbol een paar
heeren in toog en bef goedgevonden hebben te verklaren, dat je vader
een brandstichter is, zou hij twintig jaren van zijn kostbaar leven
daar tusschen vier muren gaan doorbrengen, zonder juist voor zichzelf,
voor zijn familie, voor de maatschappij, of zoo hij dat tenminste ontkomen
is, zou hij levenslang gedrukt moeten gaan onder één vonnis
van diezelfde heeren, die misschien geen greintje beter zijn dan hij,
levenslang zuchten en kermen en niet flink het hoofd omhoog houden,
een anderen naam eervol maken en geacht, zijn dochter deel doen nemen
aan zijn rijkdom en welvaart, ook haar een eerlijken naam teruggeven,
die haar het recht geeft den man van hare keus vrij in de oogen te zien?"
"Dat kan ik niet meer! Geen man schenk ik de schandelijke gave
van mijn hand."
"Kind, je hebt te veel romans gelezen! Wat beteekent een naam eigenlijk?
Iets wat je onderscheidt van een ander. Of je Griet heet of Queenie,
in zooverre alleen heeft de wereld er wat aan, dat zij je beschouwt
als een Griet of een Queenie en niet als een Jans of een Bet. Zoo is
't ook met de eigennamen; je aanstaande
[192:]
heet Terborch en
ik heet Campbell; zoolang ze hem geen Campbell of mij Terborch noemen,
heeft niemand recht er wat op te zeggen."
Queenie zweeg; zij voelde dat haar vader zijn oud overwicht ,op haar
hernam, al was 't maar door zijn paradoxen, en het werd haar angstig
om het hart.
"Nu tot straks, kind," zeide hij, haar op 't voorhoofd kussend,
"zoo ge u bezwaard mocht voelen over 'tgeen gij mij minder passend
gezegd hebt, dan verzeker ik je bij voorbaat, dat ik je alles vergeven
heb, omdat je in een toestand verkeert van verregaande zenuwachtigheid."