[37:] V.
De blijdschap van
het boschmeisje duurde niet lang; spoedig bemerkte zij tot haar ontzetting
dat zij gevangen was in een tamelijk eng vertrek en nu kende haar woede
geen grenzen meer.
Zij vloog, eerst haar instinkt volgend, naar het raam, waardoor zij
den blauwen hemel zag, maar de traliën ziende die het afsloten,
schudde zij er vergeefs aan en merkte toen dat het raam van buiten nog
door ruiten was afgesloten. Woedend stompte zij er met haar vuisten
tegen en kletterend vielen de glazen op den grond; het ongewoon geluid
en de wonden door de glasscherven op haar handen veroorzaakt, verbijsterden
haar voor een oogenblik, maar dadelijk snelde zij weer naar de traliën
en trachtte uit al haar macht ze te verwrikken.
Vergeefs! Vergeefs!
Toen greep dolle razernij haar aan; schreeuwend en tierend wierp zij
zich op alles wat zich in de kamer bevond, scheurde de gordijnen, gooide
de meubels omver, beet in de kussens, liep met het hoofd tegen den muur,
wanhopend, gillend en kreunend, zoodat de gasten in het kasteel bevreesd
en angstig in de gang bleven staan om naar hartelust te kunnen genieten
van het akelig interessante geval, dat hen deed griezelen en toch zulk
een welkome afwisseling bracht in de gewone sleur van hun vermakelijkheden.
Zoolang ging het meisje te keer totdat haar aanval van razernij van
zelf bedaarde, en zij de vruchte
[38:]
loosheid inzag van
haar pogingen toen de natuur haar rechten liet gelden en haar uitgeput
deed neervallen.
Wanhopig snikkend zakte zij in een hoek der kamer ineen, bedekte het
gelaat met de handen en scheen de kracht te missen op te staan; beurtelings
kwamen de graaf en de gravin en hun vrienden en vriendinnen door het
sleutelgat naar haar zien.
Zij voelde zich overwonnen, dat zag men aan haar geheele houding; zij,
die zich in de bosschen als koningin had gevoeld, voor wie geen boom
te hoog, geen rots te steil, geen afgrond te diep was geweest, die de
herten in hun loop inhaalde, die wolven doodde en zich met hun bloed
laafde, hazen levend verslond, vogels door haar gezang lokte, bergstroomen
doorwaadde - zij voelde zich binnen deze vier muren machteloos.
Alles drukte haar neer, de zoldering van het vertrek hoe hoog ook, beroofde
haar van het uitzicht op den oneindigen blauwen hemel; geen tien stappen
kon zij doen of zij stiet tegen de muren. De eenige opening, waardoor
lucht en licht tot haar kwamen, was door ijzeren staven voor haar gesloten.
Het wollige van het tapijt gaf niet het zachte, frissche gevoel van
het bedauwde gras - het bed was haar te zacht en te warm, zij, die nooit
anders had geslapen dan op mos en droge bladeren.
Wat was er met haar gebeurd?
Zij kon het zich niet goed voorstellen, zij wist alleen, dat zij niet
meer kon doen, wat zij wenschte, zich niet uitslaan, niet vluchten als
er gevaar
[39:]
naderde in hooge
boomen, of zich verbergen in rotsspleten - het scheen alles een droom;
zou dit heerlijke vrije leven, het eenige dat zij kende, voor goed geëindigd
zijn?
Wie kan zeggen welke verwarde gedachten opkwamen in haar aan geregeld
denken zoo weinig gewende hersens en wat er in haar duistere ziel omging,
terwijl zij daar neerhurkte in den hoek van de kamer, bijna geheel gewikkeld
in den donkeren mantel van haar haren, de oogen woest heen en weer rollend,
de handen druipend van bloed, aan haar lippen brengend om ze uit te
zuigen.
Er waren dames genoeg, die uit medelijden haar wilden verbinden en troosten,
maar de dokter verbood het ten stelligste.
"Men moet haar laten uitrazen; tot bezinning doen komen, dan eerst
zullen wij tusschenbeide mogen treden," zeide hij.
"Maar als zij zich nu pijn doet of verwondt en misschien in haar
gevangenis sterft?" vroeg Raoul.
De dokter schudde het hoofd.
"Wees niet bang! Zoover zal het niet loopen. Voorloopig kan zij
zich geen ernstig kwaad doen. Alles wat wij zouden beproeven om haar
te helpen, maakt haar nog boozer; zij begrijpt niet, dat wij het goede
met haar voor hebben. Eerst langzamerhand zal dit denkbeeld in haar
opkomen en aangroeien en dan kunnen wij pas handelen. De wilde natuur
moet eerst uitvieren."
Een allerliefst meisje, een nichtje van den graaf d'Armentières,
Simone, stond met betraande oogen
[40:]
niet ver van de
deur - eindelijk kon zij het niet langer uithouden, en liep luid snikkend
weg.
Nieuwsgierig volgde haar Raoul en haalde haar in de groote voorhal van
het kasteel in.
"Wat scheelt u, jonkvrouw?" vroeg hij belangstellend, en bleef
staan voor het meisje, dat bitter schreiend op een bank was neergevallen.
"Och", antwoordde zij, "ik heb zoo'n diep, diep medelijden
met het arme boschmeisje; ik vergelijk haar lot met het mijne. Ik heb
mijn lieve ouders wel niet gekend, maar ik heb een goede opvoeding ontvangen
bij de Zusters van Sainte Thérèse en nu mag ik bij oom
en tante d'Armentières blijven. Zij hebben geen kinderen en tante
is voor mij als een moeder en oudste zuster tegelijk - waarom moet ik
alles hebben en dit arme meisje, dat misschien zoo oud is als ik, heeft
niets - niets
"
"Ja, zij is wel ongelukkig. Zij is nauwelijks mensch."
"Och ja! Zij kan niet praten als wij; zij weet niets van de meest
gewone dingen, zij kan niet bidden, zij weet niet eens dat er een Onze
lieve Heer in den Hemel leeft, die ook haar Vader is, zij schijnt niet
veel meer te zijn dan de dieren in het bosch - en nu is zij opgesloten
en heeft zooveel verdriet..."
"Maar lieve Simone! Dat zal het begin van een nieuw leven voor
haar worden. Wij willen van haar een mensch maken, zooals gij en uw
vriendinnen zijt. En gij moet haar helpen om mensch te worden."
"Ik?"
"Ja zeker, niemand zal het beter kunnen doen dan meisjes van haar
leeftijd, die door liefde en
[41:]
zachtheid haar
vertrouwen moeten zien te winnen."
"Zou ik dat kunnen?"
"Als gij het wilt, Simone!"
"O willen!"
Haar betraande oogen schitterden en zij vouwde de handen in vrome verrukking.
"Ik zou niets liever doen, maar hoe?"
"Lieve jonkvrouw! Dat kan ik u niet zeggen, uw hart zal het u moeten
leeren!"
"Ik zou niets liever willen dan naar haar toe te gaan, haar te
troosten en te liefkoozen, haar te zeggen dat ik zoo'n diep medelijden
met haar heb en dat wij allen niets anders wenschen dan haar gelukkig
te zien, maar u hoorde zelf wat de dokter zeide."
"De dokter is een verstandig man. Hij zal ons waarschuwen als het
juiste oegenblik gekomen is om het boschmeisje met haar gelijken in
aanraking te brengen."
"O mijnheer Raoul En zou ik dan met haar mogen spreken, met haar
spelen en haar leeren?"
"Als uw tante het toestaat... "
Juist kwam gravin Diane met eenige van haar gasten druk pratend en redeneerend
in de hal.
Simone vloog naar haar toe en kuste met het stijve ceremonieel uit die
dagen, haar hand.
"Lieve tante," vroeg zij vleiend, "mag ik de goede vriendin
worden van het boschmeisje?"
"Als zij zelf er niets tegen heeft, Simone - maar ik vrees dat
zij op het oogenblik geen vriendin noodig heeft en haar vrienden van
het bosch be
[42:]
treurt. Zij zou
in staat zijn je te behandelen, zooals zij van morgen den wolf behandeld
heeft."
"Maar, in geen geval mag de jonkvrouw er nu nog bij," verklaarde
de dokter.
"Maar later?"
"O later, dat zullen wij zien!"
"Dan zal zij voelen dat ik van haar houd, dat ik haar geen kwaad
zal doen en het beste met haar voorheb!" riep Simone.
"Zoo'n dweepstertje!"
En haar tante tikte haar vriendelijk tegen de frissche, nog niet door
blanketsel ontsierde wang.
"Ik geloof ook," ging de dokter voort, "dat zóó
zij later tot kalmte is gekomen, niemand beter eenigen invloed op haar
zal kunnen uitoefenen dan een meisje van haar leeftijd en grootte, zij
zal dan inzien dat die over haar geen macht kan verkrijgen door lichamelijke
kracht, want u moet begrijpen dat alleen het instinkt haar voorloopig
nog leidt."
"Hoe is het nu met haar?"
"Zij ligt nog rustig in haar hoekje; zij heeft de oogen gesloten,
misschien dat de slaap haar overmant."
"En zou zij geen pijn hebben aan haar vingers?"
"De wonden zijn niet hevig. maar toch zal het bloedverlies en dat
razen en tieren haar wel afgemat hebben - zij is nu machteloos!"
De graaf kwam binnen en verhaalde:
"Zij slaapt nu bepaald - soms krijgt zij een schok, schijnt op
te schrikken. maar dadelijk valt zij weer terug in een soort van verdooving."