VI.
Den geheelen nacht bracht het boschmeisje in haar hoekje gedoken, half slapend, half bewusteloos door; zij scheen de macht niet te hebben zich aan dien toestand van zwakheid te ontrukken.
[44:]
Maar toen de dag
aanbrak en de zon, die juist tegenover het venster van haar kamer in
vollen glans opkwam haar eerste stralen in het kamertje wierp, sprong
zij snel op en dadelijk geheel ontwakend, snelde zij naar het raam,
waardoor de heerlijke, frissche morgenlucht in volle stroomen binnendrong.
Gretig dronk zij de geuren van den jongen dag in en scheen er nieuw
leven, nieuwe kracht uit te putten, toen echter overviel haar weer een
onoverwinnelijke zucht naar buiten. Weer trachtte zij de traliën
te breken, maar toen deze haar pogingen weerstonden, zocht zij langs
de muren een anderen uitweg, en dien niet vindend, keerde zij naar het
raam terug, klampte zich aan de ijzers vast en staarde naar buiten met
een hopelooze uitdrukking van smart.
Een geritsel achter haar deed haar omzien en zij schrikte hevig toen
zij de gravin met haar kamenier voor zich zag.
Schuw en wild trok zij zich in een hoek der kamer terug, zij beet zich
in de vingers, waardoor de wonden weer open gingen en opnieuw begonnen
te bloeden. De gravin had pluksel en zalf bij zich, de kamenier droeg
kleederen en een mandje vruchten. Wezenloos keek het meisje de beide
vrouwen aan, maar zij verroerde zich niet.
Diane d'Armentière's naderde haar met een vriendelijken lach,
doch zij deinsde steeds meer achteruit, en toen de dame vlak naast haar
stond, vloog zij
[45:]
met een woesten
kreet op en snelde weg naar het venster.
In een oogwenk was zij tegen de tralies geklauterd,de akeligste kreten
slakend, die het kamermeisje van angst deden ineenknmpen.
De gravin echter verloor den moed niet; zij sprak haar vriendelijk toe
en al verstond zij haar niet, zoo scheen toch die zachte, lieve stem
haar te treffen. Zij bleef echter hoog, bijna tegen de zoldering tusschen
de tralies zitten, nu en dan alleen steelsche blikken naar beneden werpend.
"Lieve kind," sprak de gravin, "wij willen je geen kwaad.
't Is je geluk dat wij zoeken. Wij willen van je een mensch maken, zooals
wij zijn. Ge zijt ook, een schepsel Gods, wij willen u uw Vader leeren
kennen, doen weten wat liefde en goedheid is; kom hier, ik zal je verbinden."
Maar haar wantrouwen liet zich niet overwinnen.
Daar voelde zij haar knuppel nog in haar gordel steken, snel greep zij
dien en zwaaide die met haar eene nog vrije hand boven haar hoofd, haar
oogen flikkerden van duivelsche woede - het was zeker haar bedoeling
de knods op beide vrouwen te doen neervallen.
Angstig schreeuwend liet het meisje haar vruchten vallen, wierp de kleeren
weg en vluchtte door de deur, die zij open liet.
De gravin bleef staan en zag haar onverschrokken in de oogen; het scheen
dat het boschmeisje hierdoor een weinig van haar stuk raakte, zij draalde
ten minste met de uitvoering van haar
[46:]
plan - bedaard
ging de gravin achteruit en verdween ook achter de deur, die zij zorgvuldig
toegrendelde.
Door de kleine opening bleef zij de bewegingen van het meisje volgen;
zij klom van haar hooge zitplaats af - en wierp zich begeerig op de
vruchten die zij met alle teekenen van een razenden honger verslond.
Nu en dan liet zij een geluid hooren, dat haar tevredenheid scheen uit
te drukken, maar altijd bleef zij schuw en angstig rondzien. De dokter
was naderbij gekomen en hoorde van mevrouw d'Armentières haar
wedervaren. Hij schudde het hoofd.
"U is voorbarig geweest. U had niet moeten binnengaan; 't kon levensgevaarlijk
voor u worden. Eerst als zij uitgeput is van honger en moeheid zal er
iets met haar te beginnen zijn. Vóór dien tijd is zij
in staat de menschen te mishandelen, zooals zij het met de dieren van
het woud gewoon was. Geef haar voorloopig niets te eten meer!"
"Maar dokter, 't kind mag toch geen honger lijden in ons huis!"
"Zij kan later haar schade inhalen! Voorloopig is het noodig haar
te verzwakken."
"Maar wat niemand van mij meer zal verkrijgen is de toestemming
dit arme kind te bespieden. Mijn gasten zijn allen even nieuwsgierig
om haar te zien en haar in haar vernedering misschien te bespotten.
Ik wil haar niet op die wijze ten toon
[47:]
stellen; zij is
in haar weerloosheid en ongeluk toch een schepsel Gods - een mensch!"
"En daarom verdient zij eerbied. U heeft gelijk mevrouw! Misschien
zal zij over eenige dagen reeds handelbaarder zijn!"