IV.
De dag bestemd voor
de jacht op het boschmeisje was aangebroken.
Nooit was zelfs door deze in hun vak vergrijsde jagers zulk zonderling
wild opgejaagd.
De boeren uit den omtrek waren opgeroepen om het bosch af te zetten;
zij verschenen gewapend met zeisen, hooivorken en knuppels en vormden
een dichten cirkel rondom de streek, waarin met recht kon verwacht worden
dat het boschmeisje zich ophield.
Reeds den avond te voren hadden zij hun post ingenomen en Raoul overtuigde
zich zelf dat alle
[27:]
voorbereidende
maatreelen behoorlijk waren genomen.
Den volgenden morgen heerschte bij het krieken van den dag groote drukte
en beweging in het kasteel. Op het open plein stonden de jagers reeds
gereed met hun honden, en lieten uit hun hoorns vroolijke fanfares weerklinken;
de dames hadden groot toilet gemaakt. Zij zagen er elegant uit in haar
wijde hoepelrokken rijk met goud geborduurd, getooid met vilten hoeden.
lang gepluimd; in haar handen hielden zij fijne karwatsen. Aller mooie
oogen glinsterden van de pret. Het was ook zulk een bijzonder soort
genot dat hen wachtte - een jacht op een geheimzinnig wezen, een boschnimf,
een dryade, dat was nu eens iets romanesks, iets bijzonders, iets, waarover
zij zich later in Versailles nog konden beroemen.
De paarden werden vóórgeleid en stapten fier onder hun
fraai glinsterend harnachement; de cavaliers, even mooi en kleurig uitgedost
als de amazones, hielpen de jongsten te paard stijgen; de oudsten namen
plaats in de koetsen.
De stoet zette zich in beweging en reed snel door de lange oprijlaan.
die van de ophaalbrug naar den grooten weg leidde.
Het was een schilderachtig gezicht al die frissche kleuren te zien,
zich voortbewegend tusschen het groen. Hoog schalden de klaroenen, vroolijk
wapperden de pluimen van paarden, jagers en jageressen door den ochtendwind;
de morgen was heerlijk frisch, de dauw schitterde op het gras en de
veld
[28:]
bloemen; de vogels
lieten hun hoogste lied hooren, toen de jachtstoet, nu stiller geworden
om hun aanwezigheid niet te verraden, dieper in het bosch drong.
Achter den stoet sloot zich de cirkel van boerenweer; langzaam drongen
zij voorwaarts, den cirkel steeds nauwer makend, zoodat er eindelijk
nauwelijks meer een oppervlakte van een halve mijl openbleef.
Op raad van Antoine den boschwachter, stegen de heeren en dames van
hun paarden, de pikeurs bleven de dieren vasthouden en men besloot niet
te schieten om het wilde meisje niet te verschrikken, toen plotseling
het akelig gehuil van een wolf in de nabijheid weerklonk.
Het hart der jagers klopte hevig, onwillekeurig legden zij hun wapens
aan om het ondier te treffen, dat gluiperig aansloop en niet scheen
te vermoeden in welk gevaarlijk gezelschap hij was aangeland, maar Antoine
gaf hun een gebiedenden wenk zich in te houden - want door het geboomte
zag men een andere gedaante verschijnen. Het was het boschmeisje!
Zij scheen niet te loopen maar te zweven, nauwelijks zag men haar den
grond aanraken; met een onbegrijpelijke aangeboren bevalligheid gleed
zij voort over den hobbeligen, doornigen weg als ware het de parketvloer
van een danszaal - de wolf stond stil en staar.de haar dreigend aan,
gereed op haar te springen.
"Is het nu geen geschikt oogenblik om ons van haar meester te maken?"
vroeg Raoul fluisterend aan Antoine.
[29:]
"Neen,"
antwoordde deze, "we zullen nu juist iets heel bijzonders zien."
"Maar zij kan toch niet tegen dien wolf op!"
"Stil, wacht maar! we kunnen haar altijd nog helpen als het te
gevaarlijk wordt."
Zij stond stil en zong hoog en trillend als om het ondier te tarten,
dat haar huilend bleef aanstaren, begeerig den sprong te wagen, maar
zij scheen haar kracht met de zijne te meten en toen onverwacht sprong
zij terug, hief haar knuppel op en snel als de gedachte liet zij het
hout lachend neervallen op den kop van den wolf, juist toen hij zich
met een woesten sprong zich op haar wilde werpen.
Als door den bliksem getroffen viel het monster aan haar voeten neer;
zij liet een schellen triomfkreet hooren en greep toen met een wild
gebaar het half doode dier aan de keel, scheurde met haar lange nagels
zijn huid stuk en dronk gretig het warme bloed dat uit de wond stroomde.
De dames, die in haar schuilhoeken ademloos het akelige tooneel bijwoonden,
hadden moeite haar gilletjes in te houden, en bij het zien van zooveel
griezeligs niet flauw te vallen, maar haar belangstelling was te groot
dan dat zij iets wilden verliezen van het ontzettende en toch zoo belangwekkende
tooneel.
Toen zij gedaan had, schopte zij minachtend het kreng weg en zweefde
weer heen.
"Nu aan ons!" zeide Antoine het teeken gevende tot de drijfjacht
en door Raoul gevolgd, ging hij het bosch in - onder dolle vreugdekreten
en vroolijk
[30:]
gejuich snelde
het geheele jagersgezelschap hen na; het meisje zag dat zij omsingeld
was, en nu scheen de onverschrokken wolvendoodster angst te voelen.
In een ondeelbaar klein oogenblik klauterde zij in een boom, verdween
in de takken, sprong weer in een anderen totdat zij, altijd gevolgd
door de jagers, aan het vogelravijn kwam. Toen klom zij uit de boomen
en sprong zoo vlug als een eekhoorn in het ravijn; van rots tot rots
wipte zij naar beneden om in de grot een toevluchtsoord te zoeken, maar
Antoine was haar voor geweest en wachtte haar daar op.
Zij bleef ontzet halverwege hangen toen zij zag dat haar van twee kanten
het gevaar dreigde; beneden stond Antoine en boven huilden eenige der
losgelaten honden, gereed zich op haar te werpen als zij naar boven
wilde terugkeeren.
Zij was gevangen in de smalle rotsspleet en scheen er zich van bewust,
maar haar onzekerheid duurde niet lang; zij heesch zich zelf omhoog,
vatte post op een smal vooruitstekend stuk rots en zwaaide toen haar
knuppel boven haar hoofd. De honden gingen voort woedend tegen haar
te blaffen; zij vloog rechts, links, verbrijzelde met haar knods een
paar honden de pooten, greep ze toen in haar tengere handen en slingerde
ze achter zich tegen den grond. Een groote hond wierp zich schuimbekkend
met opengesperde muil op haar; zij pakte hem bij den strot, stak haar
hand in zijn bek en trok hem de tong uit.
De andere honden snelden vol angst jankend weg
[31:]
en toen zij den
weg voor haar vrij zag, wilde zij weer het bosch in vluchten, maar Alitoine
was achter haar geklommen, terwijl zij met de honden vocht, en legde
zijn hand op haar schouder. Haar akeligen, schrillen strijdkreet uitgalmend
rukte zij zich los en sprong weg - in wanhoop bracht zij de handen aan
het voorhoofd - overal zag zij menschen - aan ontvluchten viel niet
te denken. Zij hoorde een helsch geweld om haar heen, hinnekende paarden,
blaffende honden, luid roepende vrouwen en daartusschen zachte, vriendelijke
woorden.
De dames waren naderbij gekomen en trachtten haar te lokken door haar
schitterende sieraden of lekkere vruchten te toonen.
Zij scheen onzeker wat te doen; bij instinkt scheen zij te begrijpen
dat die vrouwen haar geen kwaad wilden doen, maar toen konden de jagers
zich niet langer bedwingen en wierpen zich joelend en reeds, triomfkreten
uitschreeuwend op haar.
De angst maakte haar nog woester en luid kermend snelde zij weer weg,
nu eens hier dan daar springend om haar vervolgers op een dwaalspoor
te brengen. Zij was op een open plek in het bosch gekomen; in het midden
stond een ruige eik. Nu voelde zij zich veilig en was in een oogenblik
vlug als een eekhoorn boven in den top van den hoogen boom geklauterd.
Van hieruit zag zij naar beneden, de jagers omsingelden den stam - nog
niet wetend wat te doen; eenigen wilden een vuurtje stoken onder den
boom
[32:]
en door den rook
haar dwingen zich over te geven, anderen haar door den honger dwingen.
Maar Raoul wilde hier niet van weten.
"Ik weet iets beters," zeide hij en liet toen door een der
bedienden een groot net halen, dat hij over den boom wilde doen werpen;
hiervoor klommen hij, Antoine en eenige andere jagers in den boom.
Het meisje zat op den bovensten tak en bemerkte hoe onder haar de jagers,
de pikeurs en de boeren zich rondom den boom verdrongen; zij zag de
wapens flikkeren in het zonlicht en begrijpend dat allen het op haar
gemunt hadden, kwam de vrees voor den dood haar ziel vervullen, voor
den dood dien zij zoo dikwijls in haar strijd tegen de wilde dieren
had getart.
Zij zag het net omhoog heffen en over de bladeren als een sluier neervallen.
Zij stak haar vingers in de mazen en deed verwarde pogingen om ze te
verscheuren en ondertusschen werd de kring om den boom steeds dichter
en dichter; zij trachtte nog niet haar knods te zwaaien, maar het net
omwikkelde haar steeds meer en meer; zij vond geen ruimte genoeg om
het wapen te hanteeren. Zij was gevangen, alle uitwegen werden haar
afgesloten en angstig trok zij zich zoo ver mogelIjk terug op een der
hoogste takken, maar wat hielp het?
Raoul en Antoine naderden steeds dichterbij.
"Doe haar geen kwaad!" riep Raoul bezorgd, terwijl hij steeds
hooger klom, een paar zijden doeken in de hand houdend.
[33:]
"Wees gerust,"
antwoordde Antoine, "wij zullen haar sparen, zooveel wij kunnen."
Het was aandoenlijk het arme schepsel te zien in haar doodsangst, zooals
zij daar ineengedoken zat diep in het gebladerte verscholen, met beide
handen zich vastklampend aan een tak. Groote tranen rolden langs haar
wangen en.in haar oogen lag de smartelijke uitdrukking van een stervend
kind.
"Het net!" riep Raoul, "laat het net zakken!"
Zij begreep niet wat hij bedoelde, maar wilde toch een laatste poging
tot redding wagen; hoog richtte zij zich op en strekte de armen uit
om met geweld het net te verscheuren, maar nog voordat zij het wist,
daalde het op haar neer en handig bonden Raoul en de boschwachter het
toe, zoodat zij geen beweging meer kon maken.
Akelig kermend moest zij toelaten dat Raoul met de zijden doeken haar
de handen bond en dat beide mannen toen met de grootste omzichtigheid
haar uit den boom droegen.
"Arm schaap! Je zult ons later dankbaar zijn," zeide Raoul,
maar zij verstond hem niet. Zooveel zij, kon spartelde zij tegen en
wrong zich in alle bochten, zoo geboeid en machteloos als zij was en
verzwaarde daardoor niet weinig hun moeilijke taak.
Eindelijk waren zij met hun kostbare vracht uit den boom gekomen en
legden haar op het zachte mos neder; van alle kanten kwamen nu de nieuwsgierige
jagers en hunne dames nader.
"Maar zij ziet er lief uit!" riepen de dames.
"En wat is zij blank, ofschoon erg verbrand."
[34:]
"Dames en
heeren," zeide Diane, "het arme schepsel is op onzen grond
gevonden, wij hebben dus recht op haar, Ik neem haar als mijn dochter
aan en geef mij daardoor het recht haar te beschermen en op te voeden..."
"Dat zal me een werk zijn, haar op te voeden. Een meisje dat wolven
de hersens inslaat en wolvenbloed drinkt! Kijk, haar handen dampen nog
van bloed!"
"O foei, vreeselijk!"
En elegant gillend, gingen de dames achteruit, bedekten met haar fijne,
beringde, blanke handjes de geblankette gezichten en de beschilderde
oogen.
"Wij moeten van haar een mensch maken!" zeide Diane ernstig.
"Ja zeker! Dat is een mooie taak die je op je neemt," sprak
Raoul, "en God zal je bijstaan!"
Het meisje lag ondertusschen bewegingloos, de vuistjes gebald, de oogen
gesloten. Wat ging er in die weinig geoefende hersens om?
Mevrouw d'Armentières gaf een wenk aan twee harer lakeien, en
deze namen haar op en droegen haar in een der koetsen; zij zelf stapte
er ook in, terwijl Raoul en de graaf naast het portier bleven rijden.
Het meisje deed geen pogingen meer om zich te verweren; zij lag doodstil
neer en liet nu en dan alleen een hartverscheurenden zucht hooren,
In triomf omringden de jagers en jageressen de koets, het bericht van
den gelukkigen uitslag der jacht verspreidde zich in een oogwenk door
de
[35:]
heele streek en
van alle kanten verdrongen zich de landlieden op den weg om iets te
zien van het boschmeisje, dat hen zoo lang met zulk een bijgeloovigen
schrik had vervuld.
De gravin liet zoodra zij op het open plein van het kasteel gekomen
waren, de poorten sluiten en gaf bevel dat men het kind in een kamer
zou brengen, die goed gesloten kon worden en waarvan de ramen getralied
waren.
Het meisje werd hier losgewikkeld uit het net en alleen met de doeken
van Raoul gebonden, op het bed neergelegd; zij bood geen weerstand meer.
In doffe wezenloosheid scheen zij het lot te ondergaan dat over haar
was beschikt; maar toch school in haar half gesloten oogen een bedreiging,
een stil afwachten van een goede gelegenheid om zich los te werken.
Mevrouw d'Armentières had een dokter laten ontbieden en deze
kwam met Raoul binnen.
"Tot welk ras zou zij behooren?" vroeg de geneesheer aan Raoul.
"U heeft de heele wereld doorreisd en zal dus wel verstand hebben
van vreemde menschen."
"Zij is een Europeesche, daar twijfel ik geen oogenblik aan, zij
is fijn gebouwd ook, zie haar handen en voeten maar en haar regelmatige
trekken - men zou zelfs zeggen dat zij van goede familie was."
"'t Is en blijft een raadsel, men ziet aan haar wat de mensch in
wilden staat gebleven of gekomen, vermag; de behoefte om te leven, zich
te
[36:]
voeden en te kleeden
heeft haar geleerd zich zelf te helpen."
"Maar hoe?" merkte Diane op met een medelijdenden blik op
de konijnenvellen, die haar eenige kleeding uitmaakten.
"Toch moet u haar bewonderen, mevrouw! Het instinkt alleen heeft
dit kind geleerd de doornen als spelden te gebruiken om die vellen aan
elkander te hechten, zij heeft geleerd te jagen en te visschen om niet
van honger te sterven."
"En wat zullen wij met haar beginnen, dokter?"
"Wat is uw bedoeling mevrouw, wil u haar in het leven houden?"
"Natuurlijk dokter! Wij willen haar leeren spreken en denken en
leven als haar medemenschen."
"Dan moet u zich niet overhaasten en haar niet te spoedig beschaven
door haar onze gewoonten op te dringen. Leg wat vruchten bij haar neer
en laat haar vandaag stil aan haar lot over; wij moeten haar zoo vrij
mogelijk in deze kamer laten."
Hij maakte de laatste banden los en zeide toen tot de gravin en haar
broer:
"Wij zullen morgen weer naar haar komen kijken, nu gaan wij heen
en laten haar aan haar lot over."
Nauwelijks waren de anderen vertrokken en voelde het boschmeisje zich
in vrijheid of zij liet een vreugdekreet hooren, die door het geheele
kasteel weerklonk.