III.
Reeds zeer vroeg
stond de jonge markies op en begaf zich op weg.
Het was een heerlijke morgen; de eerste stralen der zon verguldden de
toppen der eeuwenoude boomen en boven tusschen de struiken hingen nog
de als met paarlen en diamanten versierde sluiers van dauw.
De vogels lieten hun vroolijkste liedjes hooren, de eekhoorntjes schoten
bij zijn nadering snel hoog in de boornen - maar Raoul had geen oog
voor het heerlijke ontwaken der natuur, voor de blijdschap van vogels,
bloemen en zonnestralen; hij ging snel het park door, vervuld van zijn
gedachten, en liep vastbesloten het bosch van Soigny in.
Een heerlijk bosch was het en hij, die zoovele trotsche natuurtooneelen
had aanschouwd, moest erkennen dat hij weinig gezien had, waardig om
met dit bijna tropische woud te worden gelijkgesteld.
De hoogste boomen warrelden hun takken en bladeren dooreen, zoodat de
zon moeite had met haar stralen het dikke loof te doorboren. Zware
[20:]
rotsblokken versperden
den weg en stapelden zich op tot een hoogen muur, zich dreigend verheffend
aan gene zijde van een bijna geheel verdroogden bergstroom, die zich
met moeite door de verwarring van varens, doornstruiken en de ruige
wortels van de hooge boomen een weg baande.
Op den rand van dit woeste ravijn bleef Raoul stilstaan en ademde met
gretige teugen den doordringenden scherpen geur der woudplanten in,
terwijl zijn oog als geboeid rustte op de wilde eenzame natuur, die
thans misschien des te dieper indruk op hem maakte, daar zij hem aan
de onvergelijkelijke schoonheid der amerikaansche en aziatische oerwouden
herinnerde.
Een kraken der takken stoorde hem in zijn stille bewondering en omziende
bemerkte hij Antoine den boschwachter, die een pas door hem gedood hert
op de schouders droeg.
"He Antoine!" riep de jonkman vriendelijk uit, "dat treft.
Ik ging juist naar het bosch om jou te zoeken. Herken je mij nog?"
"Nu, wie zou mijnheer den markies niet kennen," antwoordde
de oude man met zijn ruige hand het hoofd ontblootend.
"Geef mij een hand, oude? Wat, durf je niet? Vergeet niet dat je
mijn oude meester bent geweest in het schieten?"
Het gerimpelde gelaat ontplooide zich tot een breeden lach en de oude
stotterde:
"Mijnheer de markies is te goed, veel te goed; en gaat mijnheer
nog eens jagen? Och ja! u heeft
[21:]
tijgers en leeuwen
geschoten, nu vindt u zeker de wilde zwijnen te mak wild."
"Toch niet, Antoine! Het edele jachtvermaak trekt mij nog evenveel
aan - maar nu kom ik je toch niet spreken over herten en hazen, maar
over heel ander wild."
"Wat bedoelt mijnheer?"
"Nu dan Antoine, ik wij dat je me alles vertelt, wat je over het
wilde boschmeisje weet."
Antoine schudde het hoofd.
"Ja, ik begrijp het wel, ik dacht het al dadelijk, toen ik mijnheer
hier zag komen, zij lachen mij allemaal uit om dat vervloekte boschmeisje
en mijnheer zal het ook doen."
"Neen Antoine, ik geloof er wel degelijk aan - als er ten minste
geen bedrog in 't spel is van den een of anderen kwajongen, die zich
zoo aanstelt, om naar hartelust te kunnen stelen."
"O neen! 't Boschmeisje bestaat wel degelijk en ik weet zelfs,
waar zij zich ophoudt. Ik heb haar meer dan twintig malen gezien."
"Vertel het mij dan op je gemak. Laat ons hier op dezen boomstam
zitten en stort je hart eens uit."
"Ja, maar...?"
"O, ik weet dat mijnheer goed is, dat hij het kind geen kwaad zal
doen..."
"Wel Antoine! Dat begrijp je toch wel! Ik wil juist al het mogelijke
doen om dat meisje uit haar ongelukkigen toestand te verlossen en haar
haar
[22:]
plaats terug te
geven onder haar medemenschen."
"O ja, mijnheer, dat is het juist wat ik ook zou willen, maar het
landvolk hier is zoo woest en wreed, zij zouden haar doodschieten of
doodslaan als zij haar in handen kregen."
"Ik geef je mijn eerewoord dat het niet gebeuren zal. Ik wil alles
in het werk stellen om haar in handen te krijgen, maar zonder dat er
een haar van haar hoofd gekrenkt wordt. Vertel dus maar gerust alles,
wat je van haar weet!"
"Nu dan, 't is zoowat een maand geleden, dat ik heel vroeg in den
morgen door het bosch ging om de sporen te vinden van een wolf, die
de boeren in den omtrek erg lastig viel. Ik zocht op den natten grond,
maar vond daar sporen, die mij geheel in de war brachten."
"Waarop leken zij dan?"
"Ik bukte mij om ze goed op te nemen en ik zou gezworen hebben
dat het menschenvoeten waren, maar zoo zonderling als ik ze nooit zag.
De teenen stonden ver van elkaar en hadden lange nagels, die bijna op
klauwen geleken. Ik volgde ze tot dat groepje boomen daar ginds, toen
ze eensklaps verdwenen en ik maakte er uit op, dat het schepsel in een
boom moest geklommen zijn of wel langs de rotsen naar beneden was geklauterd
naar de rivier. Ik keek naar beneden, maar die natuurlijke rotstrap
was zoo steil, dat geen mensch het in zijn hoofd kon halen er in af
te dalen; ik had mij nu eenmaal er op gezet de zaak te onderzoeken en
daarom klom ik zoo ver ik kon de rotsen af."
[23:]
"En wat vond
je daar?"
"Toen ik zoowat half weg was, ontdekte ik tusschen de steenen een
opening, een soort van grot; ik kroop er in en zag dat een redelijk
wezen daar verblijf moest houden. Een hoop dorre bladeren lag in een
hoek en men kon duidelijk den indruk daarin zien van een mensch; ook
zag ik nog het gebeente en het vel van een haas. Ik besloot alles te
doen om achter dit geheim te komen, en toen klauterde ik naar boven
en verschool. mij in het kreupelhout; ik moest lang wachten. Eindelijk
hoor ik heel zacht loopen en meteen een gil zoo wonderlijk, als ik nag
nooit een hoorde en die door de echo werd herhaald; door het gebladerte
zag ik een gedaante, zeer slank en niet bijzonder groot. Zij steeg de
rotsen af en wilde zich zeker in de grot verbergen, toen ik een beweging
maakte; zij hoorde het, schrikte en klom in minder dan geen tijd de
rotsen weer op en verdween in het bosch. 't Ging zoo vliegensvlug dat
ik geen tijd had mij te bezinnen, maar na dat oogenblik had ik maar
één wensch, het wilde meisje, want dat was het zeker -
dat zag ik aan haar lange haren, levend in handen te krijgen."
"En heb je haar na dien tijd meer gezien?"
"O ja, heel dikwijls! en als ik gewild had zou het mij geen moeite
gekost hebben op haar te schieten, maar dan zou ik haar gewond of misschien
gedood hebben en dat wou ik niet."
"Daar hadt je gelijk aan. En wat gebeurde verder?"
"Langen tijd heb ik er niemand over gesproken,
[24:]
maar toen doken
er allerlei praatjes over haar op. De eene had haar hier gezien; de
andere daar, eenigen geloofden er aan, anderen lachten er om, maar niemand
durfde haar volgen of opjagen. De boeren denken dat zij een boschduivel
is en loopen weg als zij haar in de verte zien."
"En komt ze nooit meer hier in het vogelravijn?"
"Ik geloof het niet, want de bladeren van haar bed zijn onveranderd
en een heele provisie vruchten ligt te rotten in haar hol."
"Gisteravond is zij in het park geweest en wij hebben haar hooren
zingen en besloten toen een groote jacht te organiseeren om haar te
vangen."
"Alsof zij een stuk wild was," zeide de boschwachter verontwaardigd.
"O neen," stelde Raoul hem gerust, "dat zeker niet. Mijn
zuster neemt haar onder haar bescherming, en als zij in onze handen
valt, zullen wij voor haar welzijn en geluk zorgen."
"Stil, mijnheer, stil! Verberg u, spoedig, spoedig!"
Raoul had juist den tijd zich achter een dikken eik te verschuilen,
Antoine kroop tusschen twee rotsen; een zachte stap alleen door het
geoefend oor van den boschwachter te hooren, kwam nader en met ingehouden
adem staarden de beide mannen naar de zonderlinge verschijning.
Het was een jong, teer meisje, gekleed in hazevellen, ruw met dorens
aan elkander gehecht. Lang zwart haar omhulde haar als een mantel; in
de eene hand hield zij een haas met verbrijzelden kop, in de andere
een korten knuppel. Haar gezicht was
[25:]
gebruind en verbrand
door de zonnestralen, maar had toch regelmatige, fijne trekken.
Schuw zag zij rond, men kon zien dat zij vreesde opgemerkt en vervolgd
te worden; maar toen alles stil bleef, scheen zij zich geruster te voelen.
Zij zette zich neer en begon weer te zingen, zoo als den vorigen avond;
het was een zang, dien zij van de vogels moest hebben afgeluisterd.
Het was of de vogels haar herkenden en als hun zuster begroetten; zonder
vrees vlogen zij nader als geroepen door haar zang en zetten zich neer
op haar schouders, haar handen, haar hoofd; zij lachte hen toe en speelde
met hen, liet zich door hen liefkozen en zong in wedstrijd met hen altijd
luider, altijd vroolijker.
Daar ritselde weer iets tusschen het geboomte; met een snelle beweging
schudde zij de vogels van zich af en luid kwinkelend fladderden ze weg,
terwijl zij zelf in een oogwenk tusschen het struikgewas verdween.
"Zullen wij haar volgen?" vroeg Raoul.
"'t Zal niet helpen, markies! Zij is ons veel te vlug af; wij maken
haar schuwen dat is het eenige."
"Maar wat moeten wij dan doen om haar in handen te krijgen."
"Wil u dat arme meisje werkelijk vangen?"
"Ja zeker. ik ben het vast van plan."
"Nu, dan moet mijnheer d'Armentières een klop jacht laten
houden. het bosch omsingelen en dan hebben wij haar binnen twee dagen."
"Maar ik wil haar geen kwaad doen. 't Is om
[26:]
bestwil dat ik
haar, een redelijk schepsel Gods, aan dit menschonwaardig bestaan wil
ontrukken."
"t Is mijnheer goed toevertrouwd. Mijnheer is een edelman en een
christen, en die zal geen slechte daad doen."
"Best Antoine, maar kom, laat ons naar je huis gaan; je vrouw heeft
zeker nog wel een stukje brood en een glas geitemelk voor mij, want
die vroege wandeling heeft mij dorstig en hongelig gemaakt."
"O ja, mijnheer de markies! Dat zal Annette pleizier doen - en
't zal mij een flink standje besparen, want de vrouw kijkt altijd zuur
als ik zoo lang wegblijf, wat ik in den laatsten tijd nog al veel doe."