II.
De muzikanten hielden
stil, de dames verlieten haar plaatsen en vluchtten naar het midden
der zaal en Raoul vroeg:
"Maar wat is er toch, Diana? Wie schreeuwt daar zoo? Is het een
dier of een mensch? Weet je het?"
"Ik weet het en ik weet het niet," antwoordde mevrouw d'Armentières,
"het is zeker het boschmeisje dat zoo schreeuwt!"
"Het boschmeisje!" riepen allen verbaasd, wie is dat? Wie
heeft daar ooit van gehoord?"
"Wel, dat is een wilde vrouw, die hier in de bosschen leeft."
[14:]
"Een wilde
vrouw", en Raoul lachte ongeloovig, "wij zijn hier toch niet
in de amerikaansche oerwouden; hoe kan hier nu een wilde vrouw zijn?"
"Ik verzeker je toch dat het zoo is," verzekerde zijn zwager,
"al heb ik haar nooit gezien."
"Zie je wel? Jullie praat er van, niemand heeft ze gezien."
"Ik zei dat ik ze niet had gezien, maar Antoine, de boschwachter
wel."
"O Antoine! Hij is geen kind meer en bijgeloovig is hij ook niet
en verzekert die, dat hij het wilde meisje gezien heeft, en waar?"
"Hij is de eenige niet; sedert een week of wat schijnt zij zich
hier in den omtrek op te houden - de ééne heeft haar hier
gezien en de andere daar - maar allen verzekeren, dat zij in het bosch
een heel vlug wezentje hebben gezien, dat met ongelooflijke vlugheid
van den eenen boom op den anderen sprong. Firmin, de tuinman, merkte
dat zijn perziken op onrustbarende wijze verdwenen, en hij bleef op
de loer. Toen zag hij een vrouwelijk schepsel duidelijk in het maanlicht
van boom tot boom klauteren en de vruchten plukken. Maar hij is geen
held en liep wat hij loopen kon."
"Geen wonder! Hoe griezelig!"
De jonge dames rilden o, zoo heerlijk! De heeren luisterden aandachtig
toe.
"En zag niemand anders haar meer?"
"De molenaar heeft gezien dat zij zwom in het water, dat zijn molen
in beweging bracht en dat zij
[15:]
met de hand onbegrijpelijk
behendig allerlei visschen er uit ving."
"Verbazend, zwemmende visschen vangen!"
"Nu, dat is al een heel knap boschmeisje."
"Daar moet ik meer van weten," zeide Raoul nadenkend en als
tot zich zelf.
"Wat wil je dan doen?" vroeg de graaf.
"Haar vervolgen."
"Op zoo'n arm schepsel jagen, foei!" riep Diana meewarig.
"Wees maar niet bang, zusje, ik zal haar geen kwaad doen."
"Neen, neen! Laat haar stil begaan! Wie weet of het geen - geen..."
"Tooverheks of boschnimf is," lachten allen.
"Of een bedriegster," meende Raoul; "de angst vergroot
alle dingen en men overdrijft ze door het vertellen. Het zal een vruchtendief
zijn, die den armen Firmin de schrik op het lijf heeft gejaagd, of 't
is misschien een aap uit een kermistent weggeloopen. Wat het ook is,
wij moeten het onderzoeken, en als het een mensch is, hem verlossen
uit zijn treurigen toestand en hem dat geven, waarop elk mensch recht
heeft, behoorlijke huisvesting en voldoende voeding."
"Ja, als ge het zoo beschouwt..."
"Mij dunkt dat het onze plicht is!"
"Juist iets voor Raoul dat zoo hoog op te nemen," fluisterde
Diana een paar oude douairières toe, wier kleindochters haar
zeer geschikt voorkwamen om vrouw van haar broer te worden.
[16:]
"Maar hoe
wilt ge dat aanleggen?" vroegen eenige der heeren; "'t zal
een moeilijke jacht worden."
"Ik zal met den boschwachter er over spreken en het bosch laten
omsingelen en zoo langzamerhand haar schuilplaats zien te vinden, Het
wordt geen wreede jacht, zelfs de dames kunnen er deel aan nemen, hetzij
te voet of in haar koetsen."
"Heel graag!" riepen allen, "wat zal dat interessant
zijn."
"En nu, dames, stel ik u voor dat wij onze menuet voortzetten,
die zoo onverwachts is gestoord,"
"Neen!" riep mevrouw d'Armentières levendig uit, "de
lust tot dansen is toch weg; zij hebben allen de jacht in het hoofd,
Het park is geïllumineerd, ik heb een kleine loterij voor mijn
lieve gasten georganiseerd en je zult mij zeker niet kwalijk nemen Raoul,
dat ik eenige van je cadeautjes tot prijzen heb bestemd. Wil het gezelschap
mij volgen?"
Allen gingen nu de breede, marmeren trappen af, die naar het groote,
mooi aangelegde park leidden, en dat er met zijn talrijke gekleurde
lichten uitzag als een toovertuin uit de sprookjes van "Duizend
en Een nacht".
Op een groot rond grasperk stonden in kleine tentjes tafels met de prijzen,
de jonge meisjes deelden de loten uit, de jonkers hielpen de prijzen
uitzoeken en terwijl het orkest tusschen de boomen verschillende zoete
melodieën deed hooren, bewonderden de gelukldge winsters haar mooie
geschenken en prezen om strijd de aardige verrassing der lieve gastvrouw.
[17:]
Raoul echter nam
geen deel aan het vroolijke spel. Hij was nog onder den indruk van het
zonderlinge verhaal door zijn zwager gedaan en telkens weer meende hij
den eigenaardigen kreet van het zoogenaamde boschmeisje te hooren.
Onwillekeurig zag hij naar boven in het dichte, gebladerte der boomen,
dat een soort van koepeldak scheen te vormen over het ronde helder verlichte
perk en - bedrogen zijn oogen hem niet? Er scheen iets te ritselen en
te bewegen in de boomen, hij scherpte zijn oogen en ontdekte daarin
een menschelijke gedaante, een fantastischen vorm, geheel gewikkeld
in donkere, lange haren.
Het gezicht boog zich tusschen twee takken enscheen op het levendige
tooneel onder haar neer te zien; plotseling en onverwachts barstte er
boven de feestelingene een lied uit van wilde maar zoete klanken een
echten wildzang en nachtegaalgetril, weIijverend met de lieflijke muziek
der violen.
Allen zagen verbaasd op en dachten aan een nieuwe verrassing, maar niemand
kon met meer verbazing en verwondering rondzien dan de graaf en gravin
zelf.
"Het boschmeisje, het boschmeisje!" riepen allen; de lakeien
namen brandende fakkels en schudden aan den boom in welks takken zich
het geheimzinnige wezen bevond, maar toen verstomde eensklaps het gezang,
een akelige, woeste kreet sneed door de lucht en deed de dames beven
van angst en zelfs de mannen voor een oogenblik opschrikken.
[18:]
Men zag haar in
een ondeelbaar oogenblik, tusschen de takken, toen nam zij haar vaart
en sprong in het groen van een naburigen boom. Vlug als een vogel verscheen
en verdween zij telkens weer tusschen de takken en bladeren, totdat
zij eindelijk diep in het park verdween, nu en dan haar akeligen ruwen
kreet doende hooren.
"Wel Raoul, geloof je nu aan het boschmeisje?" vroeg de graaf
zijn zwager.
"Ja," antwoordde Raoul ernstig, "ik geloof er aan."
Het rechte vuur was uit het feest verdwenen, ieder was te veel vervuld
van de vreemde verschijning en de gesprekken hadden geen ander onderwerp
meer dan het boschmeisje.
Eenigen meenden dat zij een indiaansch meisje was, ontsnapt uit een
der troepen van amerikaansche wilden, die zich op de kermissen vertoonden
en zich met rauwe wortels en levende visschen voedden; men verzekerde
zelfs dat zij rood van huid was.
"Neen," zeide Raoul de Soigny beslist, "ik heb haar maar
even gezien, doch dit durf ik gerust verzekeren, een lndiaansche is
zij niet."
Anderen beweerden dat zij de een of andere krankzinnige was, enkelen
gingen zoover met te beweren dat zij een bovenaardsch wezen of een fabelachtig
figuur moest zijn - een boschgeest, een houtnimf of wel een betooverde
prinses.
Het duurde dien nacht lang vóór dat Raoul de Soigny den
slaap kon vatten, hoewel hij in het groote ledekant rustte, in zijn
eigen kamer, waarvan hij zoo dikwijls in verre gewesten had gedroomd
en met heimwee naar verlangd.
En toen hij eindelijk in slaap viel, droomde hij van niets anders dan
van het geheimzinnige, dartele meisje uit het woud.