[71:] IX.
Ook
Déa was den volgenden morgen aan het schrijven in haar boudoir
- een beeldig iets van gedempte maar toch bonte kleuren, meubels van
bamboe en japansch lakwerk, vol van de snuisterijen en bibilots, zonder
welke men zich geen meisjeskamer kan denken.
Zij zat vóór haar bureautje, rijk versierd met fantastische
chrysanten, water-leliën, vlinders en vogels - in haar peignoir
van rose fluweel, met zilver geborduurd.
Vóór haar stond een fraai kabinetsportret van Charles
Fleming, een mager glad gelaat, dat men zich hier op de kleurlooze photographie
denken kon als vaal geelbleek, met gewone trekken, maar door en door
vriendelijk en verlicht door een hoogere, intellectueele schoonheid.
Op haar vloeiboek lag een fijn velletje papier met
het woord "Déa" in goud, schuin door een hoek geschreven;
de pen rustte nadat zij in flinke, krachtige trekken er op gezet had:
"Lieve Charles!
"Je laatste brief..." verder kon Charles wachten er kwam niets
meer.
Déa speelde met de zilveren cordelières van haar peignoir,
keek naar de rozen op het tapijt, naar de zwaluwen, in bevallige vlucht
langs het blauw geschilderde plafond strijkend, neuriede een wijsje,
las nog eens over wat er reeds stond en zuchtte toen:
"'t Is tijd, dat wij mekaar spreken, ik heb niets meer te schrijven
- en toch moest ik juist nu wat hebben."
Maar wat kon zij hem schrijven over zijn vriend?
Déa had door haar moeder een hekel gekregen aan alle mogelijke
soorten van lof; zij vond die zoo bol en vervelend en dat Yvo zijn vriend
hoog ophemelde stond haar tegen. Zeker, zij wist dat Fleming een
[72:]
bewonderenswaardige man was, dat zij een lot uit de loterij trok, dat
zij haar geluk nooit genoeg beseffen kon, maar dat telkens weer te moeten
hooren, vond zij voor het minst even kriegel als haar moeder altijd
te hooren verklaren dat zij zelf een model dochter, een model jong meisje,
een model van alles was.
"Twee diamanten als die elkander maar niet te hard slijpen,"
dacht zij glimlachend, "zoodat het gruis er afvliegt."
Déa had tot nu toe in een soort van droom vol zoete bedwelming
geleefd; juist zooals zij het gisteren Yvo zeide, waren de indrukken
der laatste jaren te overstelpend geweest, zij hadden zich te scherp
en te druk gegrift in het maagdelijke was van haar zieleleven. Zij scheidde
wel hart en geest; in waarheid hadden beiden het heele proces meegemaakt,
beide waren overvuld met allerlei; en zij had nog geen tijd gevonden
iets te schiften of te ontwarren, het was een chaos, waarvan de verwarring
haar somtijds. verschrikte.
Haar jeugd had zij op Batavia doorgebracht onder leiding der gouvernante;
juist had zij de lange rokken aangekregen en een paar bals bijgewoond
toen Fleming haar zag en betooverd door haar frissche jeugd en naïve
onschuld haar hand vroeg - zij had hem die beloofd omdat haar vader,
dien zij hoog achtte en innig liefhad zijn voorspraak was. Nauwelijks
voelde zij zich geëngageerd en koesterde zij zich in de teere liefde
en hoofsche zorgen van een edel mensch, of haar vader werd ernstig ziek
en moest zoo spoedig mogelijk naar Europa.
De gebeurtenissen volgden elkander nu op met verbijsterende snelheid
- de ziekte, het verlof, de vendutie, het afscheid en het vertrek. Zij
zou toen, vóórdat zij de smart van de scheiding had doorgemaakt,
tevreden zijn geweest met Charles te trouwen en hem in zijn wildernis
te volgen. Mama, die toen alles
[73:]
regelde, besloot het anders en
Papa, ziek en zwak als hij was gaf toe. Fleming liet haar vertrekken;
uit overdreven kieschheid hield hij zich te veel op den achtergrond.
"'t Is oneerlijk," sprak hij, "misbruik te maken van
haar jeugd en onervarenheid. Als zij haar hart kent en toch nog terugkeert
tot mij, dan bezit ik de beste waarborgen voor ons geluk."
Zeer fijn gevoeld en verstandig overlegd, maar Fleming, vergiste zich
indien hij meende dat zij nu, na bijna vier jaren, beter haar hart kende
dan toen zij zich in den salon der stoomboot, onder bittere tranen door
hem aan het hart liet drukken zonder echter zijn liefkoozingen te beantwoorden.
Zij was toen geëngageerd met Fleming zij was het nog, het kwam
niet in haar gedachten op dat zij ooit een ander zou trouwen en vast
geankerd aan dit weten, opende zij alle poorten van haar ziel voor de
nieuwe indrukken, die haar van alle kanten bestormden.
Haar ouders, vooral haar moeder, zorgden er voor dat zij het europeesche
leven leerde kennen van zijn sschoonste, schitterendste zijde. Niets
had de ijdele vrouw liever gewenscht, dan dat haar dochter het eenmaal
gegeven woord zou betreuren en terugvragen, maar Déa idealiseerde
haar Charles meer en meer, verhief hem torenboog boven alle mannen,
die zij tegenkwam en verder bleef haar hart slapen terwijl haar geheele
wezen ten volle genoot van haar jeugd, haar schoonbeid, van haar opgewekt,
aan afwisseling zoo rijk leven.
Het ging zoo van maand tot maand als in een heerlijken droom; haar vader
was geheel hersteld, hun woning in den Haag smaakvol ingericht, de eene
verstrooing volgde de andere. Zij hield Charles trouw op de hoogte van
al haar indrukken, zij babbelde aardig op het papier, zij had veel te
vertellen, alles dingen van buiten. Wat zij dacht, wat zij voelde bleef
hem
[74:]
verborgen, omdat het voor haar zelf nog ongelezen lag in een
met zeven sloten verzegeld boek.
Het Haagsche uitgaan nam haar geheel in beslag; als het langer had geduurd
zou dit leege, holle bestaan haar innerlijk verdord hebben, nu had het
nog al het aantrekkelijke van het nieuwe, en verrijkte haar geestesleven.
Haar ziel was vervuld met nog gesloten bloemen, die slechts op een zoel
lente windje wachtten om geheel te ontluiken.
Het schrijven ging nu toch niet; zij stond op, keek, uit het raam in
het tuintje, waar twee tuiniers bezig waren de boomen van hun stroohulsels
te ontdoen, en de paadjes op te harken; uit de zwarte aarde der parken
gluurden reeds de roode en gele kopjes der tulpen en de lila punten
van de crocussen. Een bak vol hyacinthen voor het even opengeschoven
raam bracht de lentegeur in de kamer.
Déa trachtte iets te voelen voor hetgeen haar wachtte - spijt
dat het de laatste lente was, die voor haar opbloeide, vreugde dat zij
haar aanstaande spoedig zou terug zien, maar zij voelde niets, noch
spijt, noch verlangen.
"Ik wist het vooruit, het moest gebeuren", herhaalde zij zich
telkens. In waarheid kon zij er zich nog niet indenken, dat zij van
alles, wat tot nu toe deel van haar bestaan had uitgemaakt, zou worden
gescheiden.
Eens had zij even gevoeld, wat die verandering beteekende.
't Was in Parijs toen Yvo's brief er aan kwam, maar dadelijk verdrongen
zich weer nieuwere indrukken; alles bleef immers hetzelfde om haar heen,
en zij kon in haar soes voortleven.
De portière van japansche koralen werd opgelicht.
"Mag men binnen komen?"
Snel keerde Déa zich om, haar moeder stond in de deur, met de
linkerhand in bestudeerde bevalligheid
[75:]
de koralen ter zijde schuivend;
achter haar een langere gestalte.
"Mijnheer Sterna wil je een visite brengen in je heiligdom?"
"Zonder belet te vragen?" vroeg Déa lachend.
"Ja juist zonder belet."
Hij keek rond naar alle hoeken der kamer.
"Ik moet het immers goed opnemen - in commissie."
Zijn oogen teekenden verrukking terwijl zij beurtelings van de etui
naar het kleinood gingen, die zoojuist in elkander schenen te passen.
"Ja, ziet u 't eens goed aan en vertelt u dan maar aan uw vriend
hoe lief zijn vrouwtje het hier had. Ik kan hem niet benijden als hij
zorgen moet dat het haar niet tegenvalt bij hem."
"Och mama, soeda!" zeide Déa, "dat zijn immers
maar uiterlijkheden."
"Waarin je vastgegroeid bent, o als je ze mist zal je ze eerst
recht gaan waardeeren."
Juist omdat haar moeder zoo dikwijls met dergelijke dingen aankwam,
maakten zij niet de minste impressie op het kind; sedert Sterna er was
voelde zij ze echter telkens weer als iets bijzonder onaangenaams.
"Maar kind! hoe verzin je het, met zoo'n weer het raam open te
laten. 't Is om bronchitis te krijgen."
"Zoo'n weer! 't Is heerlijk zoel!"
"En het sneeuwt!"
Déa zag door het raam, werkelijk waren nu de crocusjes en tulpen
in sneeuw gezet.
"Hoe aardig zoo pas in het zwart en nu in het wit!" riep Déa
lachend en schoof het raam neer.
"Dat kunnen wij u ten minste beter aanbieden: ons klimaat. Daarmede
verbetert u zich!"
Zij haalde de schouders op en mevrouw haastte zich te zeggen:
"Het mag dan ook wel! Is het geen bijoutje deze kamer? Alles hebben
wij uit Londen laten komen en
[76:]
nu gaat ze heen. Zij wil alles aan
Lucie vermaken, maar het duurt nog wel vier jaar vóór
haar educatie voltooid is en- in dien tijd blijf ik alleen."
"Wees maar blijde, moeder, dat u mij nog zoo lang heeft gehouden.
Anders was ik reeds minstens drie jaren getrouwd."
"Ja, voor anderen brengen wij onze kinderen op."
"En voor anderen planten wij onze boomen en voor anderen tappen
wij onze petroleum af."
Déa lachte, zoo'n heldere, vroolijke nog echt kinderlijke lach.
"Dat zal daar niet lekker ruiken met die petroleum. Bah! 't is
zoo'n ordinaire lucht en gevaarlijk ook!" meende mevrouw.
Maar Yvo lette niet meer op haar woorden; in een hoek van de kamer had
hij een vreemdsoortig voorwerp ontdekt. Onder een wit fluweelen bekleedsel
teekende zich duidelijk de vorm af van een harp.
"Een harp! Speelt u daarop?" vroeg hij, zijn schitterende
oogen op Déa gericht.
"Ja, vindt u dat niet iets bijzonders?"
"Zij doen het wel eens bij straatmuzikanten of in een orkest maar
in een kamer door een dame heb ik 't nooit gezien of gehoord."
"Nu zal u 't eens mogen hooren! U moet al mijn talenten kennen.
Mama zegt immers dat ik er zoo vele heb."
"Daar heb ik ook voor gezorgd."
"'t Was een illusie van mij op de harp te leeren spelen maar nu
ik 't ken, geef ik er niets meer om en vermaak mijn harp ook aan Lucie."
"Och kind! Praat zoo niet of je sterven gaat!"
"Mijn jonge meisjwsleven gaat ook sterven," zeide zij en voor
't eerst voelde zij iets of haar hart zich samentrok bij die gedachte.
"Ik ga het nog wat genieten als Jephta's dochterke en dan - dan
-"
Zij voelde tranen opstijgen in haar oogen, hoe dwaas
[77:]
juist nu
dat te voelen terwijl zijn afgezant daar bij stond; als zij zoo begon
wat wachtte haar dan nog verdriet en zij schrikte terug van verdriet.
"O neen!" riep hij uit, "zoo mag u het niet opnemen,
uw levensbootje gaat nu juist in zee, vroolijk en vlug, van boven tot
beneden versierd met bonte wimpels."
Zij glimlachte half treurig, half schertsend.
"Wij zullen maar blijde zijn zoolang er geen rouwvlag boven op
de mast waait."