X.
Het was een drukke
tijd, die nu kwam voor Yvo; hij amuseerde zich zeer in Den Haag, vooral
door den dagelijkschen omgang met de Van Meylingens waar hij altijd
als kind des huizes werd ontvangen, hoewel hij zich niet btjzonder in
de gunst van Mevrouw mocht verheugen.
Zij vond hem niet - niet - gentlemanlike? - neen, niet mondain genoeg,
want zij zwoer bij mondaniteit; eigenlijk vleide hij haar niet genoeg.
"De menschen moeten mij vleien," zeide zij, "daar ben
ik op gesteld. Ik weet dat alles rondom mij mooi is, mijn kinderen,
mijn huis, mijn meubels...."
"En je man?" vroeg men.
"O mijn man! Dien behoeven ze niet te vleien. Dat zal ik wel doen,"
zoo gleed zij over de lastige vraag, "en omdat ik 't weet, vind
ik het leelijk van de menschen als zij het niet erkennen en het mij
zeggen. Dat is een bewijs dat zij mij benijden en het mij niet gunnen.
Die er zich in verheugt, zegt het ook graag."
"Sterna zal het u toch wel gunnen, denk ik," zeide Déa.
[78:]
"Ik weet het niet. Hij zwijgt er over, omdat het hem hindert
dat het bij zijn vriend in verre na zoo'n milieu niet is als hier en
het Déa daar stellig moet tegenvallen.
"Ik geloof niet dat hij zoover denkt," meende Déa koel.
Het was dat jaar een vroege Paschen geweest en een vroege lente. De
lente was er als bij tooverslag, de boomen van de Scheveningsche boschjes
en het groote Bosch, waren in een nacht als met een groen luchtig schuim
bedekt, in de tuinen vlogen de bloemen als het ware uit den grond, seringen
en meidoorns deden de lucht geuren. 't Was een symphome van kleuren,
een orgie van tinten; de zon verdween niet van den hemel, zij besproeide
met haar glans de tuinen en pleinen, zij wekte overal leven en lust,
na den donkeren, somberen wintertijd.
En terwijl de lente alles naar buiten riep, waren de wintergenoegens
nog in vollen gang; na een middag in de lenteweelde van het Bosch volgde
een avond vol kunstgenot in komedie, opera of concert.
Met koortsachtige opgewondenheid stond mevrouw Van Meylingen er op dat
haar dochter van alles in ruime mate zou genieten. Zij dreef haar naar
het Bosch, naar de winkelstraten, naar den schouwburg en de concerten.
Verstandiger als haar moeder, trachtte het meisje zich aan den invloed
te onttrekken; zij had er behoefte aan stil te zijn en na te denken,
zich een denkbeeld te vormen van het nieuwe leven, dat haar wachtte
van haar nieuwe plichten, haar toekomstig lot.
Zij wilde ernstige boeken lezen, zich terugtrekken, zich geheel doordringen
van hetgeen haar wachtte, haar ouders zooveel mogelijk van te voren
schadeloos stellen voor hetgeen zij later moesten missen.
Maar de wereldsche moeder liet haar geen tijd om deze goede voornemens
te vervullen; als Déa op haar
[79:]
kamer zat, kwam zij haar
telkens storen met een nieuw plan, een invitatie, die zij niet af kon
slaan, een boodschap van naaisters of modiste en met geweld werd Déa
uit haar eenzaamheid gerukt en gedwongen zich te bewegen in den eindeloozen
cirkelgang van het drukke stadsleven, vol ledigheid en ijdelheid.
"'t Doet mij verlangen naar de stilte van Tandjong Karbo. Wat zal
ik daar rusten," zeide zij tot Yvo.
Hij vergezelde de dames dikwijls; mevrouw stond er op, daar zij niet
pronken kon met "mijn schoonzoon", wilde zij toch den vertegenwoordiger
van den schoonzoon vertoonen en Yvo was zeer presentabel, nadat hij
zich bij een echt haagschen "tailor" in de kleeren had gestoken
en zijn verbrande kleur kwijt was.
Hij ging gaarne mede; het uitgaan beviel hem nu Déa hem veel
uitlegde. Hij ging eens met haar en haar moeder naar Amsterdam en zij
maakten er een prettig dagje van. Hij hing aan haar lippen tot groote
verveling van mevrouw, die met haar face à main door de zalen
en gangen van het Rijksmuseum dwarrelde en een en al oog was voor de
vreemde toiletten van een troepje Engelsche toeristen.
Déa wist hem op het mooie in elk schildertij te wijzen, op het
karakteristieke van Rembrandt, Frans Hals, Rubens; hij luisterde toe
en was trotsch zelf zijn opmerkingen te maken en door haar lachje beloond
te worden, wanneer zij juist waren.
Hun verhouding was nu zeer aangenaam en vrij; zij noemde hem Sterna
en hij haar Déa; zijn brieven aan Charles waren vol lof over
zijn meisje, de hare echter zeer teruggetrokken omtrent hem. Over het
algemeen bevielen haar brieven aan haar verloofde haar in den laatsten
tijd volstrekt niet meer. Zij had geen lust meer, hem de honderd kleinigheden
die haar leven vulden te schrijven; zij verontschuldigde zich altijd
over drukte en voegde er dan bij:
"Mondeling praten wij over alles honderd uit en
[80:]
vertel ik
je alles. Ik moet nu de onderwerpen om te praten aanhouden en opsparen,
anders hebben wij elkander niets meer te zeggen."
Yvo ging af en toe naar IJkerk, waar men zijn afwezigheid nu juist niet
zoo hard betreurde - tenminste zijn vader en tante niet. Voor Nita daarentegen
ging de zon op telkens als hij weer het smalle trapje bij drie of vier
treden tegelijk opsprong en met zijn harde vingers tegen haar deur tikte.
"Binnen!" riep zij dan met een kleine trilling van vreugde
door haar geheele zijn.
En dan kwam hij binnen en vertelde van al die mooie dingen daarbuiten,
van alles wat hij gezien en gehoord had, van den prettigen omgang met
de Van Meylingens, van Déa's lieftalligheid.
Nu en dan voelde Nita een steek, bij de gedachte dat hij geheel en al
zijn invitatie had vergeten, om eens eenige dagen met haar naar Amsterdam
te gaan.
De Paaschvacantie was reeds lang voorbij en hij kwam niet meer op zijn
voorstel terug; 't scheen hem geheel door het hoofd gegaan.
Zij troostte zichzelf; 't was ook te dwaas geweest. Men zou er bepaald
hier in IJkerk schande van spreken, en daarbij al stelde zij zich ook
hoog boven het praten der menschen, haar zenuwgestel zou niet tegen
de drukte van een groote stad en de eigenaardigheden van een meuwe omgeving
kunnen. Zij voelde reeds het boren van de pijn in haar hoofd, het suizen
langs haar ooren, de loomheid in haar voeten. Welk een armzalig gezelschap
zou zij voor dien goeden jongen zijn, wat 'n verschil met die opgewekte,
levenslustige Van Meylingens. Maar telkens kwam zekere ongerustheid
in haar op, dezelfde van Déa's moeder.
"Hoe zal dat meisje zich na zoo'n druk opwindend leven in die woestenij
kunnen wennen en jezelf - ik vrees dat ge beiden heimwee zult krijgen
naar Europa."
[81:]
"Neen! ik wen mij zoo spoedig aan alles, aan een goed leventje
zoo goed als aan een kwaad, alleen maar niet aan zoo'n gebondenheid
als bij ons in huis, en zij - zij krijgt haar huishouden."
"Zij zal veel, heel veel van haar man moeten houden, om zich daar
te schikken. Hem wacht een zware taak."
"Nu praat u precies als haar malle moeder, juffrouw Nita. Ik ben
er niets bang voor. 't Is zoo heerlijk bij ons."
"Gelukkig!" antwoordde Nita nadenkend; "en het trouwen
zal plaats hebben..."
"Vijftien of zestien Juni en einde Juni gaan wij op reis. Mijnheer
en mevrouw reizen mee tot Genua."
Terwijl hij weg was, had Déa onder voorwendsel van een verkoudheid,
die zij opzettelijk erger maakte, van haar moeder verlof gekregen tot
een huis-arrest van eenige dagen.
Zij zat in haar boudoir met een boek voor zich, waarin zij niet las,
naast haar in een kristallen vaas stonden groote blauwe irissen en gele
narcissen.
Droomerig staarden haar oogen op de bloemen of dwaalden naar het tuintje
dat er nu zoo allerliefst lenteachtig uitzag. Groote struiken rhododendrons
gaven er een roodpaarsen tint aan. Tegen den muur stond een meidoornstruik
in vollen bloei als een reusachtig bruidsbouquet, seringen en goudenregen
schitterden nog op den voorgrond, maar er waren reeds teekenen van hun
langzaam verbloeien.
"Het eene volgt op het andere, een processie van bloemen, deze
verwelken, die ontluiken, zoo gaat het in het leven; het eene gaat onherroepelijk
voorbij en dan komt er weet iets nieuws - maar zal dat nu mooier zijn
dan het eerste - neen! 't Eerste is het beste, want dan weet men niet
dat er reeds iets anders geweest is, dat voorbij ging en stierf."
Toen viel het haar in, dat zij nog nooit zoo'n heer
[82:]
lijk voorjaar
had doorleefd als nu, dat zij nog geen enkelen keer zoo gevoeld had,
hoe verrukkelijk de jeugd en hoe vol genot de lente was.
Zou het zijn omdat zij ging trouwen? Maar toen kromp haar hart ineen,
trouwen beteekende heengaan, dit alles verlaten, misschien nooit weer
zulk een lente zien; zij stond op, de oogen gevestigd op het portret
van den man tegenover haar.
Maar die trekken zeiden haar niets, die blik was zoo koud, zoo strak
en eensklaps overviel haar een vreeselijke angst en zij vroeg zich af,
of een leven met dien vreemden man wel het groote offer waard was, dat
zij hem ging brengen, of zijn liefde voldoende zou wezen om haar te
doen vergeten, wat zij hier achterliet. Zij gevoelde dat wat haar nu
nog met de aantrekkelijkheid van het nieuwe vervulde, haar spoedig zou
vervelen of zelfs tegenstaan; er waren reeds oogenblikken dat uitgaan
en zelfs reizen haar vermoeide, haar hart was te groot om zich te vullen
met uiterlijkheden. Zij huiverde voor een gemoedstoetand als van haar
moeder, die in een nieuw toilet, in menschen zien, in lange saloncauseriën
genoeg vond om haar dagen te vullen. Het frivole Haagsche leven stond
haar nu reeds tegen; zij had soms een hevig verlangen naar een stil
leven in het indische gebergte vol huiselijkheid, vol plichten, maar
ook: vol liefde.
"O God! Wat dan als ik hem niet liefheb, als ik voel dat ik hem
alleen achten kan."
En zij bad:
"Alles Heer! maar geen leven zonder liefde! 't Is niet voldoende
dat hij mij bemint, maar ik moet hem ook liefhebben met mijn heele ziel,
uit al mijn krachten. Dan kan ik alles ontberen en zoo niet, dan heb
ik al die onbeduidendheden noodig om mij te verstrooien, om mij te doen
vergeten."
Eensklaps was zij wakker geworden en zag zij dui
[83:]
delijk haar eigen
leven en dat van haar man, voor zich ontrold, een loterij, alles op
één kans geplaatst. Miste zij die kans, dan stond zij
aan den rand van een afgrond.
"Zal ik kunnen, zal ik..."
Huiverend schrikte zij terug voor haar toekomst, zij keek rond, zij
hechtte haar oogen aan elk voorwerp rondom haar om zich te overtuigen
dat alles nog van haar was, dat er nog niets veranderde om haar heen,
dat zij haar eigen vrijheid nog bezat en alles ook staarde haar aan
- zij verbeeldde zich treurend en zuchtend bij het vooruitzicht, dat
zij hier zouden blijven en hun jonge meesteres alleen moesten laten
heen gaan.
Boven haar bureautje hing een fraaie gravure van de Sixtijnsche Madonna,
het vorige jaar in Dresden gekocht. Was het niet of de engeltjes schreiden
terwijl zij op haar neder zagen? Alles, ja alles scheen haar te beklagen.
Waarom deed zij het ook, waarom verliet zij dit alles? 't Kostte haar
maar een woord, haar moeder zou juichen, haar vader haar berispen, maar
toch er in toestemmen en zij behoefde niet heen te gaan, zij kon hier
blijven, zich een leven van eigen keuze en smaak inrichten, in plaats
van een lot te volgen, dat zoo onzeker scheen, een woord trouw te blijven
door haar als kind gegeven.
Een dwaas verlangen vervulde haar naar Yvo, zij wilde hem spreken, van
hem de verzekering ontvangen dat zij gelukkig zouden zijn - ja wat nog
meer - zij wist het niet. De verlamming in haar werd steeds grooter.
Zij zocht een steun, een kracht, en vond die eindelijk in het bewustzijn
van haar plicht.
"Er is niets veranderd, Fleming is nu nog dezelfde als voor vier
jaren, ik heb hem toen mijn woord gegeven, nooit is het in mij opgekomen
het terug te vragen, waarom schrik ik er nu voor terug, nu het
[84:]
oogenblik nadert om het gestand te blijven! Moet de stemming van een
oogenblik dan beslissen over het geluk van twee menschen?"
Zij stond op en ging weer voor het raam staan.
"Geef mij kracht, God van liefde!" verzuchtte zij uit het
diepste van haar hart, "kracht en liefde, dan is geen plicht zwaar."
Maar na dien dag vermeed Déa van Meylingen de eenzaamheid.