VIII.
Yvo bleef eten dien
middag en hij bleef ook logeeren. Hij had den moed niet zich weer buiten
te wagen in die ongezellige koude, terwijl het binnen zoo echt warm
en behagelijk was.
Zelfs verwonderde het hem dat hij zich hier zoo spoedig en zoo recht
op zijn gemak gevoelde; het was er hem niets deftig; de fijn toebereide
spijzen smaakten hem nog beter dan de hutspot en erwtensoep van tantelief.
Zijn oogen genoten van al het schoone dat de ka
[65:]
mer vervulde; 't
was hem alles zoo nieuw maar ookzoo aantrekkelijk.
Na het eten ging men in het salon en Déa vroeg hem heel vriendelijk
of bij muziek maakte.
"Och ja!" antwoordde bij, "evengoed als een boer dansen
kan."
"Nu dan!" en glimlachend wees zij hem de piano.
"Neen maar! ik ben uw Charles niet, die zoo heerlijk viool speelt
en 't dikwijls uren lang in den nacht doet."
"Ja, dat herinner ik mij nog," zeide zij met een innigen blik,
waarmede zij als 't ware het verleden scheen te willen doorboren.
"Maar meer toch ook nog, niet waar!"
Zij schudde het hoofd en zuchtte:
"'t Spijt me zoo, maar, ik was toen nog te jong, de herinnering
aan Charles was als een indruk in versche was; daarna kwamen zoovele
andere indrukken. Er is zooveel daarover heen geschreven en misschien
ook gekrast, dat ik dikwijls moeite heb mij hem voor te stellen, zijn
stem te hooren. Mijn geest is te vol van andere dingen."
"O uw geest, dat is minder, uw hart, daar komt het toch op aan."
"De geest moet soms het hart helpen en 't hart wil zoo gaarne,
maar de geest is te verstrooid."
"Ik zal uw herinneringen opfrisschen."
"Daar reken ik op," antwoordde zij eenvoudig en toen opstaande,
"wil u niet musiceeren?"
"Ik zou graag luisteren."
"Bespeelt u geen instument?"
"O ja, een ongeoefend, primitief instrument."
En hij wees op zijn keel.
"Nu dan mogen wij dat toch hooren in elk geval; 't is het mooiste
instrument."
"Als het u plezier kan doen, maar waarlijk, 't is niet veel moois,
en zoo ongeschoold."
[66:]
"Des te beter, scholen lijken allen op elkaar."
Zij stonden voor de piano en Yvo legde zijn hand op de serenade van
Weckerlin.
"Die speelt Charles ook."
"Nu dan ter eere van Charles."
Het waren de woorden der serenade uit Ruy-Bins:
A
quoi bon entendre
Les oiseaux des bois,
L 'oiseau le plus tendre
Chante dans ta voix.
Que Dieu montre ou voile
Les astres des cieux,
La plus pure étoile
Brille dans tes yeux.
Qu 'Avril renouvelle
Le jardin en fleur,
La fleur la plus belle
Fleurit, fans ton coeur.
Cet oiseau de flamme
Cet astre du jour.
Cette fleur de l'ame
S'appelle l'amour.
Déa had een
mooie, niet al te zware stem, met tranen er in; de lessen hadden er
de frischheid en ronding niet aan kunnen ontnemen, maar wat haar vooral
onderscheidde was een overgroote eenvoud, vrij van alle affectatie.
Yvo luisterde ademloos, zulk een zingen had hij nooit gehoord; in de
opera of op concerten was het stellig krachtiger, omvangrijker, kunstiger,
maar zoo lieflijk, zoo innig konden alleen de vogels zingen - de vogels
of de engelen.
"O zing nog meer - zing nog meer - zing den geheelen nacht,"
smeekte hij haar.
Zij glimlachte en zocht iets anders - nu uit de Freischütz.
Und ob die Wolke sich verhüllen,
Zijn oogen werden vochtig, zijn handen koud, als hij in zijn jeugd zoo had hooren zingen, hij zou nooit
[67:]
zoo wild, woest en ruw zijn geworden. Hij had behoefte
om de handen te vouwen, te bidden.
En toen zij gedaan had, vroeg hij:
"Mag ik nu iets zingen ?"
"Wel zeker, heel gaarne!"
"O neen, ik kan niet pianospelen en mij accompagneeren. Misschien
doet u het wel!"
En hij begon:
Du
bist wie eine Blume
So hold, so rein.
Déa
haalde de muziek van Liszt en speelde. Hij had een mooie bariton, zonder
eenige oefening of polijsting, maar daarom juist klonk zij hier in deze
atmosfeer van verfijnde weelde frisch en krachtig, zoo iets als boschlucht
meedragend.
"'t Is niet veel moois, maar ik moet het u toezingen - zeggen kan
ik het niet."
"Bravo, bravo!"
En mevrouw haar face-á-main tegen de oogen gedrukt, kwam nader
bij het paar.
"Hij heeft een goede stem, niet waar Dé? Mijnheer Sterna
moest lessen nemen, in den tijd dat hij hier is. Zonde zoo'n prachtig
materiaal te laten braak liggen."
"O neen, Mevrouw! Geen lessen! Ik houd niets van lessen; ik zou
mijn stem moeten wringen en draaien in allerlei bochten. Dat kan ik
niet. Ik zing als de vogels. Als die zingen zooals zij gebekt zijn waarom
mag ik het dan niet doen?"
"Maar u zal veel meer genot er door kunnen geven."
"In de binnenlanden van Sumatra? Daarvoor ken ik ruim genoeg. Wij
zullen heerlijke concerten hebben, juffrouw Déa, u piano en zang,
Charles, viool - ik zal u samen laten zingen - wanneer ik mee kras,
dan bederf ik het toch maar."
"'t Is een uitkomst, dat Charles zoo muzikaal is," zeide Déa,
"want dat maakt veel goed."
[68:]
"En hoe vindt u de stem van mijn dochter?" vroeg mevrouw
Van Meylingen, "die is nu geschoold en ontwikkeld."
"En toch is ze zoo heerlijk mooi gebleven," antwoordde bij,
"dat zal ik Charles dadelijk schrijven."
"'t Heeft ons geld en haar tijd en studie genoeg gekost, om het
zoover te brengen en nu te denken dat alles begraven moet worden in
bet binnenland, want zij is in alle opzichten zoo talentvol, die Déa
van ons. Zij schildert heel mooi en zij spreekt vier talen. Al zeg ik
't zelf, 't is een juweel, dat uw vriend krijgt."
Ter zijde zag hij Déa aan merkte dat zij tot aan den hals vuurrood
werd en dat haar lippen ongeduldig op elkaar waren geperst; de onhandige
lof van haar moeder vond zij blijkbaar onaangenaam, al was zij er aan
gewoon.
Mevrouw Van Meylingen had de gewoonte om altijd en alles wat van haar
zelf was tegenover ieder te prijzen, een eigenaardigheid met haar welopgevoedheid
en tact moeilijk in overstemming te brengen, maar zij deed het zoo natuurlijk,
zoo smakelijk, dat men er niet aan dacht zich te ergeren.
Het was alleen wanneer het zoo regelrecht in 't gezicht werd uitgesproken
als nu, dat het onhandige opviel.
"U vindt mij misschien ijdel," ging zij in een adem voort,
"maar de ijdelheid van een moeder is de vergeeflijkste die er bestaat
en Déa is altijd het liefste van mijn kinderen geweest, de oudste
en de hartelijkste, niet waar engel."
"Och Ma!" zei Déa altijd in haar muziek bladerend.
"En daarom ben ik er op gesteld, dat zij gelukkig wordt, mijnheer
Sterna!"
"O mevrouw als het van mij afhing, dan kon u misschien niet zoo
gerust zijn, maar gelukkig rust de toekomst van juffrouw Déa
in de handen van iemand,
[69:]
oneindig beter dan ik, dus heeft u geen
reden tot ongerustheid."
"Neen, die mag ik niet hebben, maar toch - toch het is zoo hard,
zoo vreeselijk hard!"
Déa toonde zich nu waarlijk zoo hartelijk niet als haar moeder
juist beweerde dat zij was: zij lette niet op haar woorden en een stuk
op den lessenaar plaatsend, vroeg zij aan Yvo òf hij het kende.
"Er, der herrlichste von allen!"
"Ja, zingt u dat eens met uw volle gevoel denkend aan uw - aan
onzen vriend."
Maar zij zong het mat, flauw, conventioneel zonder dat het op Yvo eenigen
indruk maakte.
Mevrouw deed niets dan aan haar oogen doppen met den zakdoek, en hem
te zeggen met woord en gebaar:
"Wat 'n gevoel! Wat 'n sentiment."
"Neen," zeide Yvo ronduit, "eerst als juffrouw Déa
haar aanstaanden bruidegom teruggezien heeft, zal zij het kunnen zingen
zooals het moet en zooals hij het ten volle verdient - Der herrlichste
von allen."
"Dan nu iets anders," zeide Déa goed gehumeurd, "en
daarna is 't uw beurt weer."
Er kwam bezoek, mevrouw ging heen om bij de theetafel te zitten en daar
lofredenen te houden eerst over haar dochter, toen over den man, dien
zij krijgen zou, verder over haar mooie Puck en haar Sèvres theeservies,
over haar zoontjes en haar tweede dochter, die in Engeland op pensionnaat
was, en eindelijk weer over Déa, en over haar voorbeeldige trouw
aan haar verloofde.
"Ja, want ziet u, zij was toch maar een kind toen zij Fleming haar
woord gaf en 't was zijn wensch en ook de onze dat zij zich heel vrij
zou voelen, dat zij van alles profiteeren mocht. Aan boord begon het
reeds."
Déa keek geërgerd om.
"Ieder maakte haar het hof, zij is ook zoo lief, zoo
[70:]
zacht,
zoo in-goed en dan zoo gracieus - vindt U niet, al zeg ik het zelf -
zij is misschien niet mooi, maar zoo gracieus en daarbij goed ontwikkeld,
geestig en zij was toen pas zeventien, maar ieder wist zij op een afstand
te houden en hier ook. Zij ging op bals en danste graag, wij gaven soireetjes
- en 's zomers op reis of hier in het Kurbaus altijd werd zij omfladderd
door enkele heel serieus, maar ik geloof dat zij nog geen man in de
oogen beeft gekeken. 't Is sterk van zoo'n jong meisje, weinigen doen
het haar na !"
Yvo vond mevrouw Van Meylingen kinderachtig.
Die ophemelingsmanie stond niets bij haar deftig voorkomen en voorname
manieren. Déa had ze nooit zoo hinderlijk gevonden als van avond.
"Zijn oogen lachen onophoudelijk," dacht zij, "wat moet
hij van mij denken. Ik wed, dat hij mij veel te onbeduidend vindt voor
zijn volmaakten vriend, Mama tilt mij over het paard en hij steekt zijn
vriend in de hoogte, zoo komen wij precies bij elkander."
Toch verliep voor Yvo de avond hoogst aangenaam.
Alles maakte indruk op hem, het zachte gedempte licht door de vertrekken,
slechts voorwerpen omhullend vol schoonheid en artistieken smaak, schijnbaar
zonder veel orde geschikt, maar alles in harmonie, niets schreeuwends,
niets boekerigs, en toch huiselijkbeid en comfort ademend.
"En dat zoo'n ondeugende rakker hier ontvangen wordt als een hoog
gewaardeerde gast, dat dank ik ook aan Charles," zeide hij tot
zich zelf, toen hij 's avonds in de gemakkelijk ingerichte logeerkamer
zich op de chaise-longue uitstrekte, "ik moet hem toch schrijven,
dien goeien, ouden jongen! Jammer dat hijzelf dit alles niet geniet!
Ik gun het hem zoo graag. Plezier als hij hebben zal, wanneer hij hoort
hoe ik mij in dit lekker leventje schik. Neen, ik had niet gedacht dat
ik zulke aristocratische neigingen bezat om mij zoo goed te kunnen wennen
in dit milieu."