[31:] IV.
Zij lag reeds lang
rustig, geheel verzonken, opgaande in haar pijn, totdat die pijn ook
meer en meer naar achter week en iets buiten haar scheen te worden.
Alles in de donkere, benauwde kamer zwom in elkander, niets bleef er
meer wezenlijks over, niets teekende zich meer scherp af, alles daagde
nu weg, en, zij kon tien minuten, misschien een uur zoo gelegen hebben.
Alle begrip van tijd was voor haar weggewischt, toen zij heel in de
verte iets meende te hooren, en te gelijk kwam het bewustzijn van de
pijn weer langzaam terug, maar zij verroerde zich niet, zij wist hoe
bij elke beweging haar kwelgeest weer terug zou keeren, en hoewel nauwelijk
zich bewust van hetgeen zij voelde of wilde, of wat haar dreigde, wist
zij dat zij voor 't oogenblik; niets beters te doen, had dan zich onbeweeglijk
stil te houden. Maar het gestommel op de trap werd steeds grooter en
grooter, de stem van de juffrouw klonk in met nog iets vreemds, iets
scherps, iets onmenschelijks er tusschen.
Nog bleef Nita beweegloos, maar zij voelde nu dat zij wakker was, heel
wakker, en de pijn zich nog steeds diep in haar hersens boorde.
Daar werd de deur woest opengegooid, een stroom van licht goot zich
over haar oogen. Zij opende ze snel en sprong verwilderd op.
"Wat is er - wat is er te doen?"
"Best juffrouw, dank je wel, nu kan ik 't alleen af."
Haar verduisterde, door 't plotselinge licht verblinde oogen zagen iets
reusachtigs in de kamer staan, vlak voor de geopende deur. Eerst het
volgende oogenblik bemerkte zij dat het een menflch was met iets in
de hand, wat het harde, schelle geluid maakte, waardoor zij zoo verschrikt
was, en toen voelde zij haar hand grijpen.
"Juffrouw Nita,
lieve juffrouw Nita! Weet u wel, dat ik het u eens beloofd heb? Hier
breng ik hem u nu. 't Is een mooie een prachtige, hoor! Kom, wees nu
lief! Wat zegt de zoete Lorre: "Nita, zoete Nita!"
En nu pas begon zij iets te vatten - dat gestommel, die harde stem,
die vreemde man, dat licht, het plaagde haar pijnlijke hersens zoo.
Zij begon het te begrijpen, maar eerst langzaam; zij moest er allen
tijd voor hebben, en dien liet men haar niet.
"Hebben wij u verschrikt, juffrouw Nita? Och kom! 't Is toch niemendal.
Ik ben 't alleen, uw ondeugende ongezeggelijke, domme mauvais sujet
van een leerling. Hij is u boven het hoofd gegroeid, maar wat is u nog
klein en fijn gebleven. 't Is of u nog jonger is geworden, zoo echt
meisjesachtig."
Zij zag er ook zoo jong en tenger uit in haar lichtblauw katoenen peignoir,
het lichte haar los krullend om de schouders; zij begon te lachen:
"Och Yvo - mijnheer Sterna, neem mij niet kwalijk. Ik herkende
u niet - ik verwachtte u dan ook volstrekt niet; ik had zoo'n hoofdpijn,
ik was een beetje ingedommeld."
"Ik ben van nacht teruggekeerd. In 't holle van den nacht, ten
minste voor IJkerk, en mijn bagage kwam van morgen. 't Heele dorp staat
op zijn achterste pooten. En nu is mijn eerste uitgang naar u om dezen
vogel te brengen. Weet u wel dat ik u dien beloofde?"
Zij glimlachte en nam de kooi in de hand.
"Heeft u dat gedaan? Ik weet het niet meer. 't Is al zoo lang geleden,
maar ik ben toch blij u te zien zoo flink, zoo mannelijk."
"Zoo alle wilde haren er af! Verrast u dat niet? Ik heb eens uw
goudvinkje laten verhongeren. Weet u dat niet meer? U ging uit logeeren,
en ik beloofde, voor het beestje te zorgen, en - ik vergat het na
[33:]
tuurlijk
- en toen u terugkwam lag het dood voor zijn leeg bakje."
"Ja - ja -," zeide zij zich langzaam herinnerend.
"En toen beloofde ik u - u krijgt eens een grooten, mooien vogel
van mij terug. Ik betaal al mijn schulden af, dus ook aan u!"
"Ja, ik weet het nog goed."
"En u huilde toen zoo! U had er verdriet van. Ik had mij wel voor
het hoofd willen slaan, maar ik liet er niets van blijken. Dat doen
jongens zoo niet. Eerst later, veel later dacht ik er aan, en toen heb
ik de mooiste lorre die ik krijgen kon, voor u gekocht en breng ze u."
Zij zag hem in het prettige, ronde, bruine gelaat met de heldere blauwe
kijkers, en hoewel het geschreeuw van den vogel haar ooren doof, en
haar zeere hersens suf schetterde, straalde toch haar gezicht van iets
nieuws. Iemand had aan haar gedacht, had zich iets van haar herinnerd,
een band hechtte haar nog aan de menschheid buiten de school.
"Ik dank u wel, ik vind het heel lief en vriendelijk van u"
wat minder banaals kon zij niet vinden tusschen het altijd voort blijvende
knagen van haar hoofdpijn en het geroep van den vogel: "Nita, Nita
- zoete Nita."
"'t Is een mooi dier, hij zal mij gezelschap houden."
Toen knielde zij voor de kooi neer en stak een anijsbeschuitje door
de tralies.
"Zou hij dat lusten?"
"O, hij is tusschen de matrozen geweest, hij lust van alles en
nog wat. Kom Lorre, wat zegt de lieve Lorre? Zoete vrouw - zoete vrouw!"
"Pegie per Satan!" (Loop naar den duivel), gilde het dier.
Beiden zagen elkander aan en begonnen te lachen.
"Dat heeft hij ook van de matrozen geleerd," zei Nita.
"Ja dat kan wel. Ik heb hem fatsoen ingeprent zoo
[34:]
veel ik zelf
bezat - want wat ik weet, heb ik aan u te danken, juffrouw Nita."
"Och kom mijnbeer Sterna!"
"Zegt u Yvo, als u wil! U ziet, ik voel mij nog altijd uw leerling,
al ben ik u ook over het hoofd gegroeid."
"Maar wil u niet even plaats nemen, mijnheer St . . . Yvo? U is
zoo vriendelijk geweest mij uw cadeau zelf te brengen." Zij wees
hem de fauteuil.
"Ontrief ik u niet?"
"O neen, maar excuseer mijn toilet! Mag ik even hier naast. . ."
Zij wees naar haar loshangend haar.
"O neen! wat ik u bidden mag!" hij greep haar hand vast, "dat
niet! Ik zie zoo graag los haar; de dames in Indië dragen het in
de vroegte altijd. Dat staat zoo frisch, zoo gezellig!"
"Maar dan zijn ze niet grijs als ik."
"Och kom, wat 'n pretentie! U en grijs, zoo'n heuveltje nog! Wel
wat durft u zich verbeelden zou ik zeggen, als ik - mocht."
"Nu hoe oud ben ik dan?"
"Zoo oud als u er uit ziet! Precies als toen u mij rekenen en Fransch
leerde. De jaren hebben geen vat op u. Maar zij glijden hier ook zoo
ongemerkt voorbij, zonder emoties, zonder schokken - zonder verdriet..."
"Zonder geluk! Och neen! Geluk is een paradijsvogel! Die komt maar
eens in de honderd jaar, zonder dat iemand hem ooit ziet! Men voelt
zich hier niet leven."
"Vreeselijk, zich niet te voelen leven! Ik moet het voelen, in
elke pees - in elke zenuw; alles in mij moet trillen van pijn of van
genot!" hij rekte zich uit in den gemakkelijken stoelj "O
wat heerlijk! Zoo'n stoel is er in huis van vader en tante niet te vinden."
"Mijn eenig weelde-artikel!"
"En ik beroof er u van. Wat een beer zal u mij vinden."
[35:]
"Ik bid u blijf zitten. Ik vind het zoo prettig u ten minste
iets te kunnen aanbieden, want wat zal ik u presenteeren? Ik heb hier
niets. De thee is onuitstaanbaar slap, - alles product uit den winkel,
en u komt kersversch uit de Oost."
"U hebt gelijk, koffie en thee zijn afschuwelijk in dit landje;
ik ben er nog geen vier en twintig uur en 't benauwt mij reeds. Ik heb
zoo'n behoefte mij uit te slaan."
"Zijn uw vader en tante niet erg blij?"
Hij lachte, zijn luiden, vroolijken lach, maar met iets er in dat pijnlijk
of valsch klonk.
"Ja, heel blij, maar nog blijder zullen zij zijn als ik weg ben!"
"0h!"
Zij keek hem ongelovig aan met haar groote, bruine, oogen, die flikkerden
in 't lamplicht.
"Gelooft u het niet? 't Is toch zoo. Ik heb 't gemerkt, of liever
gevoeld.'t Is misschien ook mijn schuld. Ik heb hun overstelpt door
de terugkomst van den Verloren Zoon met bagage, papegaai, kakatoe, aap,
zwarte knecht. Tante is geen mensch meer, zij leeft voor haar tapijten,
haar meubels, als een kloek voor haar kuikens, en vader - och vader!
Ja, die wist dat hij kalmte en rust had toen de deugniet van huis was,
en wat hij nu zal krijgen - Staoe!" [Ik weet het niet.]
Hij haalde de schouders op.
"En 't is pas de eerste dag..." ging hij voort.
"Blijft u lang?"
"Dat hangt er van af. Weet u waarom ik eigenlijk hier ben?"
"Ik weet nauwelijks dat u hier is."
"Om te trouwen."
Zijn oogen tintelden van verborgen ondeugd.
"O zoo! Is u geëngageerd?"
"Dat zal hier feest geven, hij zal mij er op vragen, dat kost een
nieuwe japon en slapelooze nachten en hoofdpijn" flitste het haar
door 't hoofd, maar dadelijk daarop dacht zij: "O, maar 't is niet
gezegd dat zijn meisje hier op het dorp woont."
"Neen! En toch ga ik trouwen. U is zoo knap, juffrouw Nita, kan
u dat oplossen?"
Zij drukte de hand op het voorhoofd.
"Ik word zoo dom, zoo dom! Nog juist ben ik knap genoeg om deze
dorpsjeugd te leeren. Anders niet."
"Zal ik het u zeggen?"
"Nu dan?"
"Ik trouw niet voor eigen rekening, ik trouw voor een vriend, mijn
besten vriend, mijn weldoener, Charles Fleming, kent u hem? Och neen!
hoe zou u hem ook kennen. Een brave kerel, ik ben hem veel verplicht.
Misschien alles - nà u."
"Och! kom."
"Ja zeker! U is de eenige van wie ik soms hoorde hoe ik moest zijn;
vader en tante en de meiden bij ons wisten precies wat ik niet mocht
doen, en dat werd mij ongezouten gezegd, als ik het ten minste niet
voelen moest."
Zij spraken over den ouden tijd, en Nita voelde die dagen weer opleven
in haar geest;hoe had zij dat zoo geheel en al achteruit kunnen schuiven
in de nevelen van haar mistig, grijs grauw leven.
't Was toch iets anders geweest in de eerste jaren van haar verblijf
hier. Zij was toen nog jong, zij hoopte nog altijd op iets-zij wist
niet wat- maar dat toch stellig komen moest, en alles om haar zou veranderen.
De meester had kleinen Yvo onbarmhartig de deur gewezen ; er was met
den kleinen duivel niets te beginnen.
"Wil u 't eens probeeren, juf?"
"Mij goed!" sprak zij.
't Had haar zwaar gevallen zich te wennen aan dat woord "juf";
nu hoorde zij het niet eens meer;
[37:]
Zij had het geprobeerd, en 't ging uitstekend. Zij kon alles van
den wilden jongen gedaan krijgen, hoe, dat had zij zelf niet eens kunnen
zeggen. Hij luisterde naar haar, hij maakte zijn werk netjes af, hij
verdroeg haar aanmerkingen, en hoe hij zich ook gedroeg in zijn vrijen
tijd, bij haar op de les vond zij hem onberispelijk.
Dat had bijna twee jaar geduurd, toen was hij naar een drilschool gezonden;
spoedig kwam hij terug - gedwongen fraaiigheid - geen drilmethode bleek
sterk genoeg om hem te drillen, en het zonderlingste was dat hij haar
vermeed, hij durfde haar niet onder de oogen komen, en nu zat hij daar
weer, een jonge reus zoo forsch en zoo krachtig, dat zij zich klein
en nietig naast hem moest gevoelen.
Hij sprak vertrouwelijk van zijn kwajongensstreken, van zijn vlegeljaren,
die vlegelachtiger geweest waren dan van de meeste jongens, van de geschiedenis
die hem buitenslands had gedreven, van zijn omzwervingen in den vreemde
- hij was koksjongen geweest straatveger, herder, jager, matroos, hij
had alle werelddeelen bezocht, honger en dorst geleden, bittere armoede
en ellende gekend - ziek had hij gelegen in sombere hospitalen - honderden
malen was hij den dood heel dichtbij geweest - totdat een toeval hem
Charles Fleming deed ontmoeten.
"Jongen, 't is zonde zoo'n flodderig leven, als je leidt,"
had deze hem gezegd; "kom, maak je op, wees eindelijk eens een
man!"
En Fleming leerde hem werken, hard werken, en dat bleek een versterkend
bad tegen zijn "flodderigheid," en na een paar jaar was hij
Flemings vriend en rechterband geworden.
"Nu ga je naar Holland, maak alles met je oude lui in het reine,
en kom dan voor goed terug, dan word je mijn compagnon," sprak
Fleming nu zes weken geleden tegen hem, "en breng mij dan meteen
mijn Dea mee."
[38:]
Fleming had Dea op Batavia leeren kennen, waar haar vader een
hooge betrekking bekleedde, zij waren verloofd geraakt toen de familie
op het punt stond naar Holland te gaan, en er werd besloten dat Fleming
nog twee jaar met het huwelijk zou wachten. Dea was pas zeventien jaar,
zij moest haar opvoeding nog voltooien, het een en ander zien in Europa
"profiteeren" zei haar moeder zuchtend, voordat zij zich in
de binnenlanden van Sumatra ging "begraven." De verloving
was volstrekt niet naar mama's zin, maar papa dweepte met Fleming, zijn
soliditeit, zoo zeldzaam in Indië, zijn mooie positie. Hij bewilligde
slechts noode in het uitstel, maar Fleming, altijd beredeneerd, altijd
verstandig, drong er zelf op aan. De twee jaren waren drie-en-een-half
geworden, altijd had hij nog gehoopt zelf de bruid te kunnen halen,
maar het ging niet, onmogelijk, en daarom stuurde hij zijn gezant.
"Wat 'n taak voor mij, vindt u niet, juffrouw Nita? Ik ben er zoo
trotsch op dat hij, juist hij, mij het liefste wat hij bezit toevertrouwt.
Dat doet men toch niet aan den eerste den beste..."
"Neen, zeker niet," antwoordde Nita nadenkend, en na een poos...
"Waar woont zij?"
"In den Haag."
"Nu gaat u er zeker spoedig heen?"
"Ja zeker! Ik heb haar vader geschreven. Ik wacht het antwoord.
Zijn ze spoedig klaar, dan trouwen we spoedig, en vertrekken onmiddellijk.
Ik had nog illusies," zeide hij half droevig, half spottend, "ik
dacht, het zal zoo hard zijn voor den ouden heer mij dadelijk weer te
moeten laten gaan, maar nu weet ik beter..."
"Dat is de eerste indruk. U is zoo onverwacht komen binnenzeilen
met volle, bonte wimpels bij die bedaarde stille luidjes. Zij zijn er
nog - zooals zij hier in 't dorp zeggen - beduusd van. U moet hen tijd
geven zich in al dat nieuwe te denken, er zich in te leven.
[39:]
Dat
gaat zoo gemakkelijk niet; u is zoo heel anders geworden in uw ideeën,
uw opvattingen."
"Dat is mijn goeie meesteres weer!" riep Yvo opgewonden uit,
"zoo mag ik 't hooren, zoo is 't of ik bij Fleming ben. O, ik heb
't zoo noodig dat iemand op die manier tegen mij spreekt, dat hij mij
de waarheid zegt... anders spring ik weer uit den band."
"Houdt u mij voor den gek?"
"O neen, ik spreek zoo ernstig. Mag ik meer bij u komen? Gezellig
praten? Ja?"
" Welzeker. . " antwoordde zij een beetje aarzelend.
"En dan breng ik chineesche thee mee en die zet u voor mij. Tante
heeft er geen slag van. Koffie en thee smaken bij haar bijna hetzelfde
als kamille."
"Nu maakt u het een beetje te erg."
"Waarachtig niet. Kom, ik moet weg. Zij zullen niet weten waar
ik blijf, en ik moet mijn personeel nog verzorgen. Ik sta er alleen
voor."
Hij stond op en keek rond.
"Och hoe houdt u 't vol. Is dat leven in zoo'n hok?"
"Ik moet wel."
En tranen parelden aan haar oogen.
"Waarom om - dat...?"
Hij streek met de duim langs de vingers.
"Ja natuurlijk..."
"O foei! Ik wou dat u mij wilde toestaan - Enfin! dat is van later
zorg. Dag juffrouw Nita, tot spoedig!..."
Hij gaf haar de hand en drukte de hare bijna tot brekens. Nog even liep
hij naar Lorre, om hem goeden nacht te wenschen en Nita eenige aanwijzingen
te geven over zijn verzorging en liep toen heen, met drie treden tegelijk
de trap afspringend.
"Pegie per Satan" riep kakatoe hem na, onmiddellijk gevolgd
door een "zoete vrouw, zoete Nita!"
De kruideniersjuffrouw was bijna dadelijk nadat hij de deur achter zich
had toegeslagen, boven bij Nita.
"Juffrouw, wat ik schrok!" begon zij, "daar ston
[40:]
den
ze met hun tweeën in den winkel, mijnheer en zijn zwarte knecht,
en die droeg de vogelkooi.
"Woont hier juffrouw Verbrugh?" "Jawel mijnheer!"
"En is de juffrouw thuis?" "Ja, ze is boven." "Nu
dan..." en hij sprak op zijn pappelementsch (de juffrouw had familie
in Curaçao) tegen den zwarten knecht, en zij stommelden de trap
op. Ik had werk hem bij te houden met de lamp. En wat doet de juftrouw
nu met de kakatoe?"
Nita keek een beetje hulpeloos rond.
Het was onmogelijk het dier bij zich op de kamer te houden; zij sliep
er vlak naast, en 't was er zoo klein en bedompt.
"Kan hij niet op zolder staan? Maar hij moet het warm hebben, zeide
mijnheer." "Ja, dat kan hij wel zeggen, maar waar blijven
wij hier met dat beest! Bij ons in de keuken kunnen wij die sta-in-den
weg ook niet zetten. 't Is mij het cadeautje wel; als het nog een vinkje
of een kanarietje was!"
"'t Doet er niet toe, juffrouw! Als het niet anders kan, dan moet
hij hier blijven," zeide Nita kortaf.
"'t is een erg behelp voor mij, maar daar is niets aan te doen.
Ik kan hem niet weggeven."
"Neen, ten minste niet zoolang als hij hier is, maar hij gaat gauw
weer been, zeggen zij."
"Nu, dan blijft hij hier in dien tusschentijd."
"Dat is juist iets voor uw hoofdpijn."
"Ik zal er wel mee klaar komen."
"'t Zal mijn zorg niet zijn," en zij ging knorrig weg.
Nita had dien avond geen lust meer in den grooten stoel te rusten.
Ze kamde haar losse haren uit, en plotseling viel het haar op dat zij
geen hoofdpijn meer had.
"Hoe gek, hij heeft die meegenomen!" zeide zij lachend.
"Nita, zoete Nita, zoete vrouw !" vleide de vogel.