III.
Juffrouw
Nita Verburgh de onderwijzeres, haastte zich naar huis. Zij liep vlug
den korten weg af tusschen haar kosthuis en de school, zonder links
of rechts te zien. Waarom zou zij het ook doen, zij kende immers elk
steentje van de muur, elken naam op de huizen; daar stond de pomp en
daar sloeg de weg af, en daar was het huis van den bakker met de zwarte
krenten broodjes en oudbakken cadetjes voor de glazen, en dit hekje
behoorde tot het tuintje van den burgemeester; dan nog een paar stappen
en zij stond voor het roodsteenen huisje met de grauwe, twee treden
hooge stoep van haar kostjuffrouw.
Het was een gewoon, heel gewoon dorpshuis met een groene deur in het
midden en twee vensters aan weerskanten; links een winkeltje van kruidenierswaren
en IJkerksche zoute bollen, de muren behangen met reclameplaten van
stijfsel, tandpoeder en allerlei soort van beste, allerbeste en goedkoopste
cacao, de vloer van roode bier en daar gebarsten steenen. De juffrouw
met een wollen doek om het gezicht in een eens zwart, nu rossig tricot
met gladde mouwen, waarmede Nita zelf een paar jaren mooi was geweest,
woog voor één cent blauwsel af voor een dorpsjongetje
op klompen.
Nita kwam langs, vluchtig groetend en ging de trap op. Zij was haast
blind en doof van de hoofdpijn, en liep krom van pijn in den rug. Zij
had het bijna altijd, maar vandaag toch erger dan anders. De kinderen
waren van middag ook zoo woelig en onrustig en ongezeggelijk geweest,
en die school rook zoo echt duf en benauwd: 't was of die lucht van
slecht gewasschen onverzorgde kinderen haar hersens versufte; hun gonzende
stemmen ruischten haar nog door de ooren, het getrappel der klompen
hamerde tegen haar slapen.
[24:]
Zij was reeds achttien jaar onderwijzeres geweest, en zij had
nooit plezier gehad in het vak, het verveelde haar ontzaggelijk, soms,
zoo als vandaag, walgde het haar zelfs. Zij hield niet van kinderen
of het moesten lieve, fijne, welopgevoede kinderen zijn, met frissche
gezichtjes, rozige mondjes, tintelende oogjes en goudblonde krullen,
maar die dorpsjeugd met hun glimmende gezichten, hun akelige hoofden,
hun nare kleeren, bah! 't Was me een lot, daartusschen te leven jaar
in, jaar uit.
Wie had het haar voorspeld toen zij nog jong was en mooi, en haar examen
maar deed uit liefhebberij, om de eer. Wat scheen dat leven haar toen
heerlijk - een lange dag vol genot - vol weelde, zulke goeie ouders,
zoo'n mooi huis, alle jaren een prachtige reis, 's winters bals, concerten,
komedie, opera, alles wat het Amsterdamsche leven aan een meisje van
goeden huize kan aanbieden. De beker schuimde reeds aan haar lippen,
zij had slechts toe te tasten; daar viel hij rinkelend ter aarde, niets
bleef er over, geen huis, geen geld, geen reizen, geen uitgaan meer.
Vader dood gevonden in een vijver van het Vondelpark - moeder krankzinnig
- het geld weg - de familie verontwaardigd, haar zwager woedend, haar
zuster huilend - haar broer vertrokken naar het buitenland en daar spoedig
gestorven, en zij - ja, zij moest een betrekking zoeken. Hoe gelukkig
toch van dat diploma!
En toen begon dit leven, dit ellendige, hopelooze leven - die heerlijke
jeugd dag voor dag wegrafelend, zonder dat zij er iets van genoot, een
snoer parelen, één voor één wegrollend en
voor altijd verloren - een zomer, die vol zonneschijn had moeten zijn
verloopend in regen en somberheid - dit werd haar het leven, haar die
meende geschapen te zijn voor alle goede, alle mooie dingen in de wereld.
Zij, die natuur en kunst, verfijnde weelde en comfort onontbeerlijk
achtte voor het bestaan - moest
[25:]
leven in bedompte schoollokalen,
tusschen kinderen van het volk en kinderen van boeren, domme, onoogelijke,
onsmakelijke kinderen - en de eene dag was gelijk aan den andere, de
eene zomer volgde op de lente en de herfst werd weer winter, en de winter
bracht het voorjaar, en zoo ging het voort, en soms verhief zich de
vertrapte, gedrukte jeugd, en er flikkerde tusschen al die wolken van
verveling en een tonigheid een straaltje zon en een bloempje begon te
bloeien tusscben die kale steenhopen en een vogeltje te zingen:
"'t Is zoo mooi buiten, zoo zonnig, zoo geurig, er komt verandering!"
en dan droomde zij van een prins, die van buiten kwam, en die haar zag
een vermomde prinses, en hij nam haar mee naar een heerlijk wonderland.
Ach! die droomen, als zij daar lag in het bosch, met zonneschijn en
vogelengezang en bladergeritsel rondom haar, als zij zich nauwelijks
durfde bewegen uit vrees de betoovering te verbreken, - dat waren de
eenige lichtpunten in dit lange, grijze verleden, maar die droomen,
hoe lang duurden zij - een, twee dagen dat zij een soort van dubbel
leven voerde, dat de droom werkelijkheid scheen, en de werkelijkheid
droom, maar dan werd zij wakker, het leven zorgde er wel voor, dat wreede,
onbarmhartige leven, schudde haar duchtig aan den arm om haar er aan
te herinneren dat niets veranderd was, dat droom droom en werkelijkheid
werkelijkheid was.
Dan lachte zij bitter en liet de kinderen een som uitwerken op het bord,
en bepaalde al haar gedachten daarbij, tot haar hersens zich op een
punt samenschroefden en zij weer hoofdpijn kreeg, vreeselijke, brandende
hoofdpijn.
Nu was sedert jaren dat korte droomen ook al voorbij, zij kon het niet
meer, maar de hoofdpijn bleef en werd van jaar tot jaar heviger en meer
aanhoudend.
[26:]
Soms was zij ze in weken niet meer kwijt. Soms kwam zij ook bij
vlagen, dat had zij 't liefst, dan kon het zoo ontzettend drukken en
steken op een punt; zij wist dat het erger zou worden, heel, heel erg,
tot zij het haast uitschreeuwde, maar nu wist zij vooruit: werd het
minder, altijd door minder, eindelijk heel dragelijk, en dan was het
of 't alles licht werd, en zij geen pijn meer voelde, dat was haar liefste
vorm van hoofdpijn, dit gaf haar ten minste iets om te hoopen en te
vreezen, dan voelde zij nog eenige verandering, maar die eeuwig knagende
pijn, vandaag precies hetzelfde als gisteren, van morgen net als van
avond, Zondag als Vrijdag, o, dat was om gek te worden!
Nu voelde zij het weer, zij had dan een ziekelijk verlangen naar rust,
kalmte, stilte; zij wilde niets meer hooren, niets meer zien, zij had
heimwee naar haar tehuis, een vierkant kamertje met een kleine alcoof
daar naast, waar haar ijzeren bedje stond, met haar waschtafel, afgeschoten
van den zolder, heel zindelijk maar zoo in-burgerlijk. Vroeger had zij
pleizier gehad de kamer nog op te sieren met allerlei prulletjes, photographieën
in mooie lijstjes, handwerkjes en kunstbloemen; de laatste jaren was
die liefhebberij den weg gegaan van alle andere liefhebberijen. De dingen
stonden er nog, maar verschoten, verlept, onfrisch; de meubels van rood
mahonie, glimmend gepolitoerd, de vloer geschilderd, alleen met een
karpet; in het middenj voor de ramen gele jute gordijnen, bonte oleographieën,
premieën van goedkoope tijdschriften aan de muren, met hun ordinair
behangsel van 10 cent de rol.
Een ding was er maar wat Nita aanlokte, wat haar op school met verlangen
vervulde, het was de gemakkelijke stoel vóór het raam,
dien zij van haar spaarpenningen had gekocht. Daar zat zij nog liever
in dan dat zij te bed lag.
Nu kleedde zij zich gauw uit, die kleeren - mis
[27:]
schien was het maar
verbeelding - bewaarden de lucht nog van school. Zij deed haar peignoir
aan, een katoenen peignoir midden in den winter, het deed er niet toe,
zij was zoo warm geweest - het was een verandering het nu koel te hebben
- de zware schoenen wierp zij uit, maakte het grijsblonde haar los,
en zonder een minuut te verliezen, wierp zij zich in den stoel, het
hoofd tegen de leuning, de oogen gesloten, - zoo, nu kon de pijn op
haar gemak knagen, woelen, prikken, het eene uur in, het andere uit,
zij had den tijd, zij bad niets anders te doen.
De pendule tikte, zij hoorde eIken tik, terwijl zij daar zoo onbewegelijk
stil zat, elke tik een stukje leven. Hoeveel was er reeds weg? Het grootste
gedeelte reeds. Het vloeide weg, druppel voor druppel. Zij hoorde, zij
voelde haar leven wegglippen met het voortloopen der pendule. Zij zag
haar jaren in den vorm van een zandlooper, reeds vele korrels waren
er door, de anderen volgden steeds vlugger en vlugger.
Zij was nu negen-en-dertig, - zij huiverde - den volgenden verjaardag
werd zij veertig. Veertig jaar, hoe is 't mogelijk? Niemand zou ze haar
geven, ondanks haar door hoofdpijn vermoeid, afgemat, mager gezichtje,
met de groote, hongerige oogen, en de lijdende lippen, en het zwakke
trekje om den neus, en de vele grijze haren, die echter, daar zij blond
was, niet zoo erg in 't oog vielen. Zij was slank, tenger, gracieus,
in haar loop en en staan. Alles wat zij aanhad stond haar goed, zij
was en bleef een aardig persoontje, maar toch, zij werd al veertig -
hoe is 't mogelijk?
Wat 'n zware last van jaren, en toch voelde zij het niet; 't was of
het leven nog zoo beginnen moest, maar zij was reeds zoo moe. Is men
veertig, dan is het mooie van het leven weg, dan wordt elk jaar minder,
dan vergaat elke kans op verandering, op verbetering.
[28:]
Och! wat kwam het er op aan, zij had alles verleerd, zij kon toch
niet meer gelukkig zijn, niet meer verdriet hebben, niet meer hopen
of bang zijn, zij kon nog maar alleen meer of minder pijn hebben.
Jaren geleden kon zij soms uren lang huilen, dat luchtte haar op, dan
voelde zij zich beter na zoo'n bui. Dat kon zij niet eens meer. Lachen
nog veel minder. Was er werkelijk een tijd geweest dat men haar lachebekje
noemde? Neen, dat was zij toch zeker niet geweest.
Zoo'n kleurloos leven, wie had het ooit durven voorspellen, een leven
waarin niets voorviel, letterlijk niets, waar geen plaats in was voor
de eenvoudigste emoties van het menschelijke leven, verdriet verrassing,
blijdschap, kunstgenot, angst, vrees, illusiën, spanning.
Eerst was zij gouvernante geweest, want wat kon zij anders? Daarop was
zij onderwijzeres geworden aan de openbare school in een groote stad,
en toen was deze betrekking open gekomen en zij had er naar gesolliciteerd;
die stadskinderen waren zoo ondeugend, zoo vroeg bedorven. Zij had nog
idealen gehad over buitenleven - over dorpskinderen - vijftien jaar
geleden was zij hier gekomen op f 509, nu had zij er f 600; zij betaalde
f 350 aan inwooing, kost en bewassching, en dan hield zij nog f 250
over, waarvan zij geregeld f50 op het spaarboekje bracht, en de rest
was op voor zij het wist.
In de eerste jaren had zij de vacantie bij haar zuster doorgebracht,
maar het gezin was daar groot, het waren kinderen, altijd kinderen,
en zij had tot over de ooren genoeg van kinderen, en haar zwager was
bits en knorrig; hij kon 't der familie van zijn vrouw maar niet vergeven
dat zij hem bedrogen had.
Hij meende een rijk meisje te trouwen, en bij slot van rekening bleek
het de dochter te zijn van een bankroetier. Haar zuster altijd druk
en ziekelijk, verlangde dat zij in de vacantie zou meehelpen, daarom
[29:]
kwam zij er nu maar heel kort.
Eerst had zij nog logies gevonden bij oude vriendinnen, maar die vriendschappen
waren langzamerhand ook gestorven. De eene was vertrokken, de andere
getrouwd, een derde dood, anderen vroegen haar niet meer, zij vonden
haar zoo saai worden en verboerd.
Nita bleef nu in de vacanties maar liefst op 't dorp; zij rustte uit
op haar stoel. Vroeger las zij veel, romans, geschiedenis, klassieken,
memoires; nu boeiden zij haar niet meer, alles kwam toch op hetzelfde
neer, en 't bleef haar eigen zelf zoo vreemd.
Zij was te oppervlakkig opgevoed om in godsdienst of plichtsgevoel werkelijk
troost te vinden. Zij verlangde soms te sterven, en toch was zij bitter
bang voor den dood, en misschien was dit nog het eenige dat haar staande
hield: Als ik hier zoo eenzaam en treurig leef, dan krijg ik misschien
nog eens vergoeding als ik sterf - en dan kon zij droomen van een leven
vol geluk, vol licht en glorie, maar dadelijk huiverde zij weer als
zij dacht aan dien akeligen, donkeren, somberen, dood. Was dat maar
voorbij - en dan schrikte zij op uit haar droomen, keek angstig rond,
hield met moeite een gil terug en deed zich zelf pijn, om te voelen
dat zij nog leefde, niet dood was.
Men ried haar den dokter te raadplegen voor haar hoofdpijn en rugpijn;
deze gaf de schuld aan de gewone hedendaagsche meisjes-modeziekte: bloedarmoede.
Zij moest staal innemen, misschien was 't ook malaria, en zij kreeg
chinine pillen. Drie dagen lang nam zij alles trouw in, en dan liet
zij het staan. Het hielp toch niet - het langzaam van honger sterven
van haar hart, de anaemie van haar geest was haar eenige kwaal - zij
had geluk noodig - misschien ook verdriet, - iets anders dan dit eeuwige
vervelende niets, iets achter zich van herinnering - niets van tegenoordig
- niets van toekomst.
[30:]
De juffrouw tikte en kwam binnen met een kop thee en een paar
anijsbeschuitjes.
"Is 't weer zoo laat, juffer?" vroeg zij deelnemend.
"Ach ja, moeder Klaasje, 't is weer het oude lied."
"'t ls toch wat te zeggen met de juffer; als de juffer nu maar
de medicijnen wou innemen, maar die staan er nog altijd."
"Och, 't geeft toch niets!"
De vrouw verschikte iets aan de gordijnen, na het kopje naast haar te
bebben gezet.
"Weet de juffer dat de zoon van den notaris terug is? Juffer weet
wel die de schuur in brand heeft gestoken van den Tongerboer, en daarvoor
zitten moest."
"Yvo Sterna?" vroeg Nita, bet boofd wat opheffend om haar
thee langzaam op te drinken. De beschuitjes liet zij liggen, zij vond
ze duf, evenals alles wat uit den winkel van beneden kwam.
"'t Is nog een leerling van mij."
"Een leerling? Hoe kan dat ?"
"'t Was den eersten tijd dat ik hier was, en ik woonde nog bij
den meester. Ja moeder Klaasje, ik word al veertig met April."
"Veertig, heeremijntijd, hoe is 't mogelijk. Men zou de juffer
amper twintig geven."
"Nu, ik voel het anders wel," zuchtte ze "vooral als
ik hoofdpijn heb. Hij was toen tien jaar en een aardig ventje."
"'t Is een heele herrie geweest in 't dorp," en moeder Klaasje
vertelde van de koffers, de papegaaien, de zwarte knecht en den aap.
Nu herinnerde Nita zich over dezelfde dingen druk en hard te hebben
hooren praten door haar leerlingen; zij had er niet op gelet. Even wilde
zij het verband ertusschen zoeken, maar de pijn werd haar te erg, zij
reikte de vrouw het kopje over - en snel haar oogen sluitend, liet zij
het boofd weer tegen het verschoten sluimerkussen vallen.