[9:] II.
Den volgenden dag
ging het 't heele dorp door dat Yvo Sterna terug was. Ze kenden hem
goed in Ykerk. Die wilde jongen van den notaris! hoe was het mogelijk
van zoo'n bedaard kalm man, dat die zoo'n bandiet tot zoon had gekregen.
Die was eens op alle lippen geweest. Van jongs af, was er nooit een
kwajongensstreek op het dorp geweest, of lef was er de aanstoker of
ten minste de uitvoerder van geweest. De jongen groeide op voor galg
en rad.
De notaris en zijn zuster - woonden sinds onheugelijke tijden samen
- dat hij eens getrouwd was geweest bleek wel uit het bestaan van den
zoon, die er wel voor zorgde niet over het hoofd te worden gezien. Maar
overigens - was dat huwelijk zoo lang geleden en het had zoo kort geduurd,
dat slechts heel weinigen zich het bleeke, fijne, zwakke notarisvrouwtje
herinnerde. Van haar had Yvo dus ook niet zijn opborrelende levenslust,
zijn ontembare wildheid geërfd. De Sterna's stamden uit een heel
oud geslacht, van een zijner voorouders had Yvo misschien zijn dolle
jonkers eigenschappen mee gekregen. 't Deed er niet toe, de notaris
had er een kruis aan en juffrouw Daatje niet minder. Geen feeks werd
ooit met meer moeite getemd dan deze bengel; de meesters verloren er
den adem bij. Kostscholen zonden hem onder beleefde dankbetuiging terug.
Wat er mee te beginnen? Yvo werd grooter en ouder; met kunst en vliegwerk
leerde hij 't een en ander. Zijn innige wensch, om dienst te nemen,
mocht niet vervuld worden.
Alle methoden waren op den jongen geprobeerd, alleen voor dit paardenmiddel
schrikte de notaris met echt burgerlijken angst terug.
Twintig jaar oud kwam Yvo op het kantoor van zijn vader; ondanks of
misschien juist om zijn woel
[10:]
waterige eigenschappen was hij zeer
populair op het dorp.
Ongelukkig koos hij zijn vrienden niet onder het beste soort; men maakte
misbruik van zijn goedheid; en er gebeurden allerlei onaangenaame dingen,
vechtpartijen, standjes en zelfs een brandstichting; de zoon van den
notaris werd voor den schuldige gehouden en met nog een paar belhamels
gearresteerd. Hij verdedigde zich niet, en werd tot een paar maanden
gevangenis veroordeeld, de vader strikt eerlijk en rechtvaardig in alles,
betaalde de schade tot den laatsten cent, maar nu was zijn geduld ook
uitgeput. De zoon kwam niet meer thuis, eenigen meenden dat hij als
Koloniaal had dienst genomen, anderen dat hij ingescheept was naar Amerika
of den Transvaal. De oude heer en zijn zuster spraken er zelf nooit
over, en zij genoten zeven jaar lang een kalme, welverdiende rust totdat
zij nu, midden in den nacht - wat voor hen ten minste nacht beteekende
- uit hun zalige stilte werden opgeschrikt.
Het sloeg reeds weer tien uur en nog was de Verloren Zoon nog niet aan
het ontbijt verschenen. De notaris, methodisch als altijd, zat op zijn
kantoor, maar zijn klerk merkte dat hij niet geheel bij zijn akten was.
Een boer, die hem kwam raadplegen over een testament, moest zelfs twee
keer relaas doen, daar mijnheer hem den eersten keer niet goed had begrepen.
Tante Daatje deed onmogelijke toeren met haar thee om ze warm te houden;
Keetje zat met de handen in den schoot. Wat moest zij doen? De kamer
kon geen beurt krijgen vóór dat de theeboel en het ontbijt
was opgeruimd; men kon niet voort en tante Daatje dacht er met weemoed
aan hoe zij anders om deze tijd reeds rustig in het voorkamertje zat
voor het raam, met een stoof onder de voeten, poes op den schoot, en
een breiwerk in de hand, in afwachting dat klokke elf precies Keetje
de koffie binnenbracht.
[11:]
Dan kwam broer Jozef een kopje mee drinken, zeide iets over het
weer of over een dorpsnieuwtje dat hij van den klerk of van een boer
gehoord had.
Soms kwam een kennis even binnenloopen en een halfuurtje met tante Da
praten en dan was het zoetjes aan halfeen geworden. Het koffiegoed werd
omgewasschen, dan ging zij even naar de keuken om te zien of Keetje
voort kon met het koken. Om een uur kwam de notaris weer binnen en zij
wachtte hem met madera of een morelletje - als die er nog was. - Precies
halftwee - men at vroeg in Ykerk - zette men zich aan tafel en zoo ging
het dag in, dag uit, alleen gevarieerd op zon - en feestdagen.
"Och, och! 't Lieve leventje begint weer," zuchtte zij, "het
zal gelukkig niet lang duren. Ik mag 't hopen voor Joop!"
Zij verzette de theestoof maar lichtte nog verder haar hoofd op dan
zij van plan was, getrokken als haar aandacht werd door een luid gejoel
op straat.
Het was een drukte van de andere wereld; een stoet van kinderen hossend
op klompen, moeders met haar zuigelingen op den arm, volwassen mannen
druk redeneerend met de handen in den zak, allen elkaar verdringend
en wegduwend.
Keetje had het nog eer dan de juffrouw gemerkt en stond reeds vóór
de deur; midden tusschen een hoop menschen kwam een handkar, door een
paar spoorarbeiders voortgeduwd, met een paar koffers en op de koffers
een kooi met een luid schreeuwende kaketoe en een bonte niet minder
schel kakelende papegaai en naast de kar een javaansche jongen, den
hoofddoek om het hoofd, een sarong om de heupen over een europeesche
pantalon, en een jasje van grijs fluweel. Op zijn arm een rustig notenknabbelend
aapje.
"Zeker van een spel," zei Keetje tot het buurmeisje.
"Zij had de woorden nog niet gezegd toen de kar
[12:]
stilhield
voor haar deur en-met de kar ook het geheele publiek er om heen.
"Dit is voor jou, Keetje!"riep een der spoorarbeiders, "een
aardig presentje!"
Juffrouw Daatje voelde zich koud in den rug worden.
Als die boel eens van Yvo bleek! Tegen alle ramen drukten neuzen zich
plat, voor alle deuren stonden menschen - de oploop werd steeds grooter,
zij zag de kooien naar binnen dragen, de koffers aftillen. Zij wilde
roepen, zeggen dat zij hier verkeerd waren, maar daar stormde Kee binnen,
het gewone kloppen dat zij telkens bij het binnenkomen tot vervelens
herhaalde - geheel vergetend en 't haast uitgillend:
"Zag u dat, juffrouw? Dat is voor meneer van gisteravond, zooveel
als zijn pakkerij en er is zoo'n vieze jongen met een apensnuit bij
en hij heeft een andere aap op zijn schouder en die koffers zijn zoo
groot, zij kunnen niet eens in de gang."
"Zeg dat zij de muur niet beschadigen," had juffrouw Da nog
even de kracht om te zeggen vóór dat zij als verpletterd
in den leuningstoel zonk, "en roep de notaris...."
Maar deze had het reeds gemerkt, de klerk was er het eerst achtergekomen
en wipte vlug van zijn tabouret.
"Mijnheer, mijnheer, een spel bij u aan de deur!"
Bij de eerste oogopslag had hij alles begrepen en zonder zijn pen af
te drogen - een verzuim dat hij niet meer begaan had sedert den noodlottigen
dag toen men hem de arrestatie van zijn zoon mededeelde - maakte hij
zich op naar de huiskamer, die slechts door een gang van zijn kantoor
was gescheiden. Hij gevoelde behoefte aan juffrouw Daatje, evenals juffrouw
Daatje aan hem.
"Die bagage zou die van Ief zijn?"
"Wat beginnen wij er mee, die kolossale kisten kunnen de trap niet
op. 't Is een ruïne voor het huis
[13:]
en dan al dat vee - dat
kunnen wij toch ook niet hier bergen."
Wappie en de poes gluurden om den hoek der deur, beide een beetje uit
het veld geslagen en niet wetend wat te denken van de ongewone drukte.
"Waar is hij nu? Nog op zijn kamer?"
"Dat zal wel! Ik zit al den heelen morgen de thee voor hem warm
te houden - 't is halfelf, verbeeld je!"
De notaris wilde in de gang kijken, zijn bezorgde zuster riep hem na:
"Doe toch je overjas aan, Joop! Je vat nog kou, je bent zoo vatbaar
en dan in je kantoorjasje."
De arbeiders stonden afwachtend te kijken naar de koffers, die hoog
opgestapeld lagen op het stoepje vóór het huis..
De dorpskinderen waren met een massa vermeerderd; het scheen wel of
de meester ten einde raad om zijn hoopvolle jeugd bij zulk een openbare
vermakelijkheid rustig kunnen houden, hen vrijaf had gegeven, en allen
omringden de vogels, die luid schreeuwden van "Lorre, zoete Lorre."
afgewisseld door "Pegie per Setan" [Loop naar den duivel.]
en andere maleische lievigheden meer.
De Javaan stond rustig tegen den deurpost geleund, rillend van de kou,
soms in zijn handen blazend, die in dikke wanten staken; de aandacht
werd vrij gelijkelijk verdeeld tusschen aap en mensch, en hier en daar
hoorde men medelijdend uitroepen:
"Die stumpers, wat hebben zij 't koud!"
"Waarom laten zij hen niet binnen?"
"Wat moeten ze toch van den notaris hebben?"
Een vroolijke stem liet zich boven hooren, luid en helder zingende:
Dieu,
que ma voix implore,
Fais moi bientôt mourir!
C'est trop longtemps souffrir
Adieu ma Leonore - Leonore!
[14:]
"Ben
je daar, Yvo?" riep de notaris, "kom eens beneden. 't Is mij
hier zoo'n boel, wij weten geen raad. Hoort dat alles jou toe?"
Bij drie treden kwam hij de trap afgevlogen; hij had een Indisch negligé
van wit flanel aan, en chineesche muiltjes aan de voeten. Hij zag er
frisch en uitgerust uit, een krachtige, flinke, levenslustige, jonge
man.
"Ha Katjong! Begiemana, soeda dateng sini!" [Hoe is 't? Ben
je al hier?]
"Tobat toewan!I telaloe dingin skalie!" [Och meneer! 't Is
hier al te koud.]
"Kom dan binnen, kerel! Verduiveld, wie houdt die deur ook open
in het hartje van den winter. Tabéh, Monjet!" [Dag Aap!]
Hij greep den aap, legde hem liefkoozend tegen zijn wang, trok toen
met krachtigen arm Katjong naar binnen en flapte de deur toe.
"Een heele hofhouding vindt u niet vader?" vroeg hij lachend,
"wat zegt tante Daatje er van?"
"Ja maar jongen, dat gaat zoo niet. Wij zijn hier klein behuisd
- en - je weet vanouds: orde en regel zijn bij ons nummer één.
Je koffers kunnen achter in de schuur worden geborgen, maar die beesten
en dan - dan die man."
"O, Katjong is met alles tevreden. Laat u hem maar onder een paardendeken
's nachts in de keuken liggen."
"Groote Grietje! Hoort u dat, Juffrouw?" vroeg Keetje aan
juffrouw Daatje; "in de keuken slapen! Dat zal mij ook een gedoe
geven."
"Als je tante het goed vindt."
"Nu anders laat hem maar ergens hier in 't dorp onder dak komen."
"En die beesten?"
"O, de aap blijft bij Kat jong, en die papegaai heb
[15:]
ik meegebracht
voor onze oude Mie, de werkster ..."
"Die is al sedert drie jaar dood."
"Och, dat spijt me! Nu, dan zal ik er wel iets anders voor bedenken;
en de kakatoe is voor mijn ex-meesteres juffrouw Nita Verburgh. Die
is toch ook niet dood, hoop ik?"
"Neen, zij woont nog hier."
"Mooi, dan breng ik ze haar vanmiddag. Wat zijn de lui hier weinig
gewend, wat maken ze toch een herrie om niets."
"Nu, me dunkt het. Zoo'n maskerade! Hadden wij 't maar vooruit
geweten dan ware 't minder geweest."
"Och, ik had niet gedacht dat die boel zoo spoedig komen zou; ik
had gisteravond wel wat anders in het hoofd dan dien rommel. Er zitten
nog een massa cadeautjes in mijn kisten, maar die moeten nog komen."
"Wat, is dat niet alles?"
"O dat is mijn hutbagage maar, die twee koffers, en dat is de rijkdom
van mijn Katjong. Och, die arme kerel, hij staat daar zoo te bibberen.
Pigie die dapoer, Katjong!" [Ga naar de keuken, Katjong]
Als een automaat ging de jongen naar de keuken, tot grooten schrik van
Keetje, en van juffrouw Daatje die uit de deur van de huiskamer het
tooneel aankeek.
"Zou je niet eerst ontbijten neef?" vroeg zij met een gezicht
van volle maan in doodsnood. "De thee staat reeds drie uur lang
te trekken."
"Best tante!"
Hij gaf nog een paar bevelen aan Katjong en bracht zonder complimenten
de beide kooien met vogels in de huiskamer. De notaris ging naar achteren
en liet de koffers in het schuurtje brengen; ondertusschen proefde Yvo
zijn thee, die sporen genoeg droeg van het drie uur lang trekken en
zette een leelijk gezicht.
Hij zag de tafel rond en vond er niets dan de Leidsche
[16:]
kaas van
gisteravond en eenige snippertjes rookvleesch dun als vliesjes.
"Hm, tante!"
"Verlangt u iets, neef?"
"Ja ziet u, ik heb honger voor drie en die cadetjes zijn heel lekker
en uw boter is exquis maar ziet u ik ben gewoon altijd iets warms te
hebben bij mijn ontbijt, spiegeleieren met ham bij voorbeeld, of varkenscotelette,
of een biefstukje of ook gebakken visch, bokking, tong of zo iets..."
"Maar neef! Dat doet men hier zoo niet, dat hebben wij niet bij
de hand. En dan 't is nu al elf uur, en 't is zoo dadelijk half twee
ons etensuurtje. Je zoudt je appetijt bederven."
"O tante dat hindert niet, hoor! Maakt u zich niet ongerust, neen,
ik zal nog best uw goede gaven kunnen waardeeren."
"Nu dan zal ik maar spiegeleieren met ham laten maken. Dat is 't
gauwste klaar en ook 't eerst bij de hand.
"Ham and eggs! Heerlijk! Maar och, wil u ook eens even kijken of
Katjong wat te eten heeft? Hij is met een beetje tevreden, wat gekookte
rijst met spaansche
peper en een gebakken vischje."
"Ja maar Yvo!" en tante's stem nam haar hoogste diapason aan,
wat niet zoo heel veel beteekende, want zij had een pieperig klagend
stemmetje, dat volstrekt niet scheen te passen bij haar kolossalen omvang,
"hoe krijg ik al die dingen bij mekaar? Bedenk toch wij wonen hier
op een dorp en 't is in het drukste van het werk, en Keetje is haar
hoofd heelemaal kwijt door de herrie van dezen morgen. Rijst moet toch
gekookt worden. Ik wil je knecht graag een boterham geven. . ."
"Ik weet niet of hij dat lust, maar u kon 't eens probeeren, als
u hem dan maar een kopje koffie laat zetten, - en om u de waarheid te
zeggen, heb ik 's morgens ook liever koffie dan thee - vooral niet,
als zij zoolang heeft staan braden."
[17:]
"Ik hoop 't waar te nemen," sprak tante Daatje zeer
waardig en voor haar doen erg uit de hoogte en wilde de kamer uitgaan.
"Tante, als u dan voor oom Biribi nog een paar appelen en noten
heeft? Dat houdt hem zoet."
"Wie is dat oom Bi-bi?"
"Wel, mijn aap!"
"Nu dat moet er nog bijkomen," pruttelde tante Daatje, "voor
den neef moet ik zorgen, voor den knecht, en nu voor den aap nog op
den koop toe. Zoo kan 't niet blijven!"
In de keuken was Keetje met een heel boos gezicht bezig het fornuis
aan te maken. Katjong zat er voor of liever half er op; hij had zijn
knellende schoenen uitgetrokken en stak zijn lomp gesokte voeten in
den nog kouden oven.Toen juffrouw Daatje binnenkwam, begroette hij haar
met een grijns en zeide niets dan: "Dingin, Nja!" [Koud, njonja
(Mevrouw).]
"Ja, dat wil ik wel gelooven, al versta ik het niet! Och Keetje,
denk eens aan, mijnheer moet spiegeleieren hebben met ham, en dat mensch
daar rijst met spaansche peper en gebakken visch, en die andere aap
appelen en noten."
"Jawel, niet meer dan dat! 't Kan wel lukken, dunkt mij. Dat oostersche
volk heeft noten genoeg op zijn zang. Dat kreng zit mij van alle kanten
in den weg. Ik kan mij niet roeren of draaien, en dan nog zoo veel poeh
aai maken voor dat gespuis."
Keetje's ruwheid in den mond beviel juffrouw Daatje maar half; in haar
stil huis detoneerde nooit iets onaangenaams, maar zij was zelf te verontwaardigd
en misschien ook te onthutst om er aanmerkingen op te maken.
"En nu moet u eens kijken wat die jonge mijnheer daar boven een
zwijnerij heeft gemaakt. Ik heb 't expres maar den boel den boel gelaten,
dan kon u 't
[18:]
eens zien, geplast van heb je me, de heele waschtafel
drijft. Op den grond zoo'n vijver, een handdoek als een bal in den hoek
gerold, een andere in den kom, het zeepbakje een en al water, een jas
hier, een sok daar."
Als verstond hij haar booze woorden begon Katjong in zijn eigen te grinniken,
terwijl hij zich in de blauwbruine verkleumde handen wreef.
"Houd je leelijke bakkes... aai - aai!"
Zij had niet uitgesproken toen er iets op haar schouders en in haar
muts vloog; het was oom Biribi, de aap, door Kat jong een oogenblik
onbeheerd gelaten, en die nu triomfantelijk allerlei grimassen maakte
boven haar tullen muts. Tante kroop verschrikt in een hoek, half huilend,
half kermend. Keetje bleef aangaan of zij vermoord werd, Katjong strekte
kalmpjes den arm uit, en greep het ondeugende dier in den nek, maar
Keetje zat nog een heelen tijd na te jammeren en te schelden, terwijl
zij haar hoofdtooi weer een beetje in dragelijken toestand bracht.
"'t Is God geklaagd. Dat gaat zoo niet langer. 't Geeft moord en
doodslag!" zuchtte juffrouw Daatje en verliet de keuken.
In de huiskamer knielde neef vóór den kooien en voerde
de vogels met stukjes suiker: "Lorre, Lorre, zoete Lorre! Tabé
Nonna, Nonna Nita" roepend.
Toen zij binnenkwam keek hij met grage oogen op.
"O tante! Neemt u mij niet kwalijk. Ik dacht dat u mijn ontbijt
kwam brengen."
"Je ontbijt, ja, dat mankeerde er nog aan! Heb je dat geweld niet
gehoord in de keuken? Daar heeft je zwarte knecht, dien leelijken aap
opgehitst tegen Keetje, ik dacht dat zij van haar zelf viel toen het
beest haar in 't gezicht vloog."
"Kom tante! Dat geloof ik niet, Katjong is veel te zacht en te
beleefd om zoo iets te doen. En wat maakt zoo'n meid dan een geweld
voor niets! Oom Biribi zal geen vlieg kwaad doen!"
[19:]
"Mooie dingen! Je brengt hier den boel in de war. Niet dat
ik het je misgun, je bent hier in je vaders huis natuurlijk, maar 't
is verschrikkelijk - verschrikkelijk."
Tantje Daatje was nooit erg bespraakt geweest, maar in oogenblikken
van heftige ontroering scheen haar tong alle dienst te weigeren en zij
kwam niet verder dan tot allerlei herhalingen.
"En die boel die je daarboven hebt gemaakt in je kamer. De meubels
zijn daar nog zoo goed als nieuw en het kleed van de buiskamer - ja
- het kleed - dat - dat is daar met den laatsten schoonmaak - ja 't
is verschrikkelijk - gekomen - 't is nog - nog zoo mooi - ja, 't is
- verschrikkelijk."
"Maar tante heb ik 't zoo erg gemaakt? Ik heb mij alleen maar gewasschen,
heel gewoon! Niet eens gemandied [Gebaad.] U moet maar geduld met mij
hebben tante, want de meubels moeten ons dienen en niet ons de meubels,
zegt men bij ons in Indië."
"Bij jullie in Indië - ja bij jullie in Indië, daar ja!"
Haar hart was overvol maar juist daarom kon haar mond geen uitdrukking
meer geven aan haar overkropt gevoel.
De notaris kwam binnen.
"Zeg eens Yvo, je mag wel eens gaan kijken, in de schuur, daar
is een kistje dat geeft zoo'n onmenschelijke lucht van zich af. Wij
dachten dat er dooie beesten in zaten, 't is beschadigd en daardoor
komt dat goed naar buiten."
"O dat is 't kistje met trassie en gedroogde visch, Ikan kering,
die ik mee heb gebracht, voor de aanstaande schoonmoeder van Fleming,
't kan geen kwaad. Laat het maar stil zoo blijven."
"Ja, maar het verpest de heele schuur."
Hij glimlachte.
[20:]
"Aan de schuur is toch niet veel te bederven. Nu als ik ontbeten
heb, zal ik kijken."
Tante had ondertusschen haar spraakvermogen teruggekregen en zeide nu
heel vlot:
"Hoor eens neef! je moet het mij niet kwalijk nemen. 't Is je van
harte gegund, dat weet je vader ook wel, maar Keetje heeft de handen
vol van morgen en zij moet zóó met het eten beginnen,
en kan geen extra schoteltjes voor je klaar maken. Morgen zal ik de
werkster laten komen en dan zal je beter bediend worden."
"Best tante, best! Ik heb ook wel geleerd mij te behelpen!"
En hij schonk zich bedaard nog een kop thee en smeerde zich een boterham
wel een vinger dik met boter, tot schrik niet alleen van zijn tante
maar ook van zijn vader.
"Ik heb een boel moois meegebracht, vader! Voor u een pauwenveeren
sigarenkoker en ivoren bekeren een mooie schrijfcassette uit Ceylon
en een stok en een tijgervel voor een alcatief en voor tante prachtige
chineesche papans [Paneelen] en japansche kopjes en ik weet niet wat
voor prullen al meer, maar dit is het beste," hij haalde een zakportefeuille
voor den dag - die dik zat van bankbiljetten en nam er eenige uit.
"Zoo dat is mijn schuld! Mag ik die meteen afdoen, misschien is
't iets meer dan u betaald heeft. Dat doet er niet toe. Dat is de rente."
"Maar jongen," en de notaris telde de biljetten drie, viermaal
na, "maar dat is heusch te veel. Zeker een kleine f 1200 te veel."
"Nu 't is niemendal hoor, vader! Voor 't verdriet, de schande en
wat al meer mag u toch wel een kleine. schadeloosstelling hebben. Ik
heb mijn best gedaan dit bij elkaar te krijgen. 't Is mij een spoorslag
ge
[21:]
weest om niet te luieren of te boemelen. Die historie heeft mij
wakker gemaakt en nog bijtijds doen keeren, want werkelijk, al ben ik
vol leelijke hebbelijkheden - vraag tante maar - een deugniet ben ik
niet meer."
"Des te beter, jongen, des te beter! Nu, ik zal het maar aannemen
en wegbergen en voor jou vastzetten. Je krijgt alles toch later, maar
dit is misschien nog een appeltje voor den dorst - men kan nooit weten."
Yvo lachte hartelijk.
"Vader heeft niet veel vertrouwen in mijn financieelen of industrieele
bekwaamheden. Ik zal u tot mijn bankier promoveeren. Al gaan alle notarissen
in Holland over den kop: Jozef Sterna blijft pal staan."
"Foei, Yvo, hoe kan je zoo praten?"
Tante had het heele tooneel met glazige oogen aangestaard, en geluisterd
of zij niets hoorde. Eigenlijk interesseerde haar de geheele geschiedenis
bitter weinig.
Zij behoorde tot de vrouwen, die met droge oogen het verlies kunnen
dragen van eenige duizenden guldens, maar buiten zichzelf raken over
een vlek op het tapijt of een gebroken schaal, en zulk een slag in jaren
niet te boven komen. Zij had zich nooit veel aangetrokken van de heldendaden
van haar neef; hart had zij ook nooit voor hem gehad. Haar huis en meubels
hadden dit hart te veel vervuld; alleen wanneer hij kattekwaad deed
in haar kamer, dan werd het haar soms te warm, en wenschte zij, hem
naar den Noordpool. Haar broer van zijn kant had ook te veel last van
zijn zoon beleefd, dan dat hij vurig gesmacht zou hebben naar diens
terugkomst. Nu juist begon hij door de regelmatige behaaglijkheid van
hun rustig huis in een aangenamen dommel te geraken, toen als een wervelwind
de zwerver aan kwam zetten om wie weet welke onaangename veranderingen
te veroorzaken.
Hij keek eens naar zijn zuster om te weten welken indruk het teruggeven
van het geld op haar maakte,
[22:]
maar toen zij niet van gelaatsuitdrukkig
veranderde, en in gedachten slechts scheen uit te rekenen hoe vandaag
het werk klaar kon komen, begreep hij dat zij geen lust had den Verloren
Zoon met al te veel vreugdegejuich binnen te halen.
Even vertrok haar gezicht bij het luid schreeuwen der papegaaien, en
zij wierp Yvo een kwaadaardigen blik toe.
"Kan je die dieren niet ergens anders onder dak brengen,"
vroeg de notaris, niet heel gerust over haar stemming.
"O jawel, in de keuken is 't ook warm. Daar kunnen zij best heen."
"De keuken, de keuken!... Ja, de keuken... de keuken is geen -
geen - beestenstal."
In de stilte was tante Daatje's kwaad humeur een heel eind voortgegaan,
getuige haar stotteren.
"Maar hier kunnen zij toch ook niet blijven?"
"Nu van middag zal ik ze aan hun adres bezorgen, als u ten minste
er niet op gesteld is ze te houden..."
"Ik - ik - zou je - danken!"
Yvo lachte; hij nam alles even licht en luchtig op.
"Ik zal eens naar de schuur gaan en kijken water uitgepakt kan
worden. Katjong kan mij helpen."
Nauwelijks waren broer en zuster alleen, of juffrouw Daatje, nu een
beetje gekalmeerd, riep uit:
"'t Is me een bezoeking - een bezoeking. Ik wil er niets van zeggen,
want 't is en blijft jouw zoon, maar toch ik blijf er bij, en kan niets
anders zegggen dan 't is een bezoeking."
"Hij gaat weer spoedig heen," kalmeerde haar de notaris, "hij
zei 't gisteravond."
"Maar dan kan onze heele inboedel reeds bedorven zijn," klaagde
zij.