XVII.
"Je begrijpt
dat ik 't niet aanneem," zeide Nita tot Yvo, nadat zij het briefje
van Déa gelezen had, dat hij, met de oogen verslond en niet uit
zijn vingers wIlde loslaten.
"En ik dan, moet ik gaan?"
"Ja, bij den ondertrouw moet je zijn..."
"Maar ik bedoel bij de receptie, de feesten!"
[130:]
"Wil je er heen of niet ?"
"Ja - ik - ik - weet het heuscb niet als het moet..."
"Je hart trekt er heen, ik weet bet, maar de vraag is, als de komedie
lukken moet, wat is dan beter en verstandiger?"
"Maar toch voor de wereld..."
"Voor de wereld kan je er best af, want hier in Holland verschijnen
geen geengageerde mannen op partijen, waar hun meisjes niet bij zijn
en ik ben je meisje, vergeet bet niet. Dus kan je er best af... als
je het werkelijk wilt."
"O, Nita! Je bebt gelijk als altijd, maar - maar..."
"Als het voor je bestwil was, zou ik met je meegaan, hoe moeilijk
het mij ook valt, maar geloof me, hoe minder je haar ziet, hoe beter
voor je beiden!"
Hij hief de oogen op van het lilabriefje en zag Nita aan.
"Wat zie je er uit?" riep hij verschrikt, "komt dat door
mij, dat je zulke flauwe oogen hebt en zoo'n moeie trek om je lippen?"
"Neen, door de hoofdpijn!" antwoordde zij met een pijnlijk
lachje.
Hij nam haar hoofd in zijn handen en kuste haar op de haren, drie, viermaal,
zonder dat zij 't beletten kon.
"Ik wou dat je werkelijk mijn vrouwtje werd, Nita."
"Om met mij over Déa te kunnen spreken?" vroeg zij,
met eene poging tot scherts, zich terug trekkende.
"Neen, om je te kunnen verwennen, je te koesteren, want waarlijk,
ik houd veel van u - van je - en als je wilde, ik geloof dat wij het
goed samen konden vinden."
"Dat kan nu eenmaal niet, praat er dus alsjeblieft niet van."
"Neen, dat begrijp ik heel goed. Ik zou het niet
[131:]
in ernst
mogen willen," antwoordde hij eenvoudig, alsof het vanzelf sprak
en toen begon hij weer er over of hij nu met fatsoen uit Den Haag kon
wegblijven.
"'t Komt er alleen op aan, wat je wil," herhaalde Nita beslist.
"Wil je Déa's strijd verlichten, dan moet je niet gaan en
dan zal ik haar schrijven om mij te excuseeren en natuurlijk ook mijn
aanstaande. Wil je genieten van haar bijzijn, dan - dan is de heele
komedie van ons engagement overbodig en hoe spoediger 't uit is, hoe
beter."
Yvo zag haar een oogenblik recht in het gezicht, als stond hij verbluft
over haar krasse uitspraak; toen zeide hij na een oogenblik:
"Je hebt gelijk, Nita, er is niets aan te doen. Ik blijf hier.
Schrijf haar een afzeggingsbriefje."
Hij ging heen en Nita schreef twee brieven; toen zij ze naar de bus
bracht, kwam zij Yvo tegen.
"Heb je den brief klaar?"
"Ja."
"Mag ik hem lezen?"
"Och, er staat niets in! Hij is heel in de vormen, maar toch vriendelijk
en zóó dat zij er niets op kan terug antwoorden."
"Je hebt daar nog een anderen brief, voor wien is die bestemd?"
"Wat ben je toch nieuwsgierig!"
En zij liet beide enveloppen in de bus glijden.
"Excuseer! Ik dacht dat je werkelijk mijn aanstaande vrouw was
en recht had... het te vragen."
"Wat zou je die tyranniseeren! Yvo!"
"Wees blij dat je het niet bent. Kom! Geef mij maar een arm en
dan maken wij een wandeling!"
"Neen!" antwoordde Nita, voor wie het samenzijn met hem steeds
meer en meer een kwelling werd, "ik heb nog zooveel cahiers te
corrigeeren."
"Kan ik je niet helpen?"
"Dank je!
[132:]
"Nu, dan breng ik je tot aan de deur!"
Zij gingen een poos zwijgend naast elkander.
"'t Is dus over vier weken, het trouwen!"
"Ja, Donderdag over acht dagen het aanteekenen en dan precies drie
weken later het vervloekte huwelijk!"
Zij haalde diep adem en haar vingers balden zich zenuwachtig in elkander.
"Yvo!"
"Nu, wat wou je dan?"
"Je moet dien tijd niet hier doorbrengen. Je moet op reis gaan,
den Rijn op of naar Parijs."
"In deze stemming? Nu ik liever niets deed dan stil op mijn kamer
te zitten droom en en zuchten."
"Echt mannelijk! Neen, onmiddellijk na het aanteekenen ga je op
reis! en je komt terug daags vóór het trouwen."
"Ik houd het niet vol!" kermde hij, "als je wist, hoe
ik verlang haar terug te zien."
"'t Moet! Je bent het verplicht aan haar, aan je vriend."
Hij liep zwijgend voort, de oogen neergeslagen. Nita merkte hoe hij
worstelde met zijn ontroering.
"Wat 'n ramp toch, Nita!" zeide hij na een poos met trillende
stem, "denk toch eens aan, toen ik hier aan kwam, zoo vol triomf,
zoo gelukkig, zoo tevreden over mijzelf en nu - O - dikwijls denk ik,
of niet het beste was - een schot."
"Yvo!"
"Als ik jou niet had, Nita - dan zeker!"
"Lafaards ben jelui mannen toch! Een hinderpaal gooit die sterke
kerels tegen den grond. Wat zou je zeggen van een leven als het mijne
- zonder eenige vreugd, zonder afwisseling, zonder hoop - zonder - zonder.
. ."
"Liefde", had zij willen zeggen, maar haar stem stierf weg
in een snik vol moedeloosheid. Hij drukte haar hand innig en warm.
[133:]
"Nita, wij behooren bij elkander, kunnen wij schipbreukelingen
misschien niet een vlotje vinden om het ons dragelijk te maken, die
lange tocht over zee?"
Zij schudde energiek het hoofd.
"Neen, neen, neen! Ik heb geen geluk te verlangen, maar jij wel
en daarom - in eeuwigheid niet."
"0 God! Wat is 't leven toch een ellende," barstte hij los.
"Neen," zeide zij, "'t is een plicht en alle plichten
zijn zwaar. De eene heeft er veel bloemen op, de andere niet, maar zwaar
blijft het altijd - ten minste als men diep denkt en voelt. Daarom,
als je werkelijk van Déa houdt, Yvo, maak haar last niet zwaarder
en ga heen!"
"Je hebt gelijk, Nita! 't Is het beste!"
Zij stonden voor het huis en hij gaf haar den hand.
"Veel plezier met je correctiewerk."
Zij glimlachten beiden, maar hun oogen stonden vol tranen.
"Een engagement onder duizend. Wie zou dat vermoeden?" zeide
bij en toen ging hij heen, ziels bedroefd, maar toch vast besloten haar
goeden raad te volgen; en diep, diep in zijn hart hoorde bij het juichen
en jubelen:
"Donderdag zal ik haar terugzien."