XVI.
Dien avond schreef
Yvo een brief aan Dea's vader:
"Waarde heer Van Meylingen!
"Overtuigd van uw belangstelling en der uwen in mij, zend ik aan
u het eerste bericht van mijn verloving met juffrouw Agnita Verbrugh,
onderwijzeres te IJkerk.
"Nu begrijpt u ook welk een gewichtige perkara het was, die mij
dwong onmiddelijk Den Haag te verlaten. De zaak was reeds lang hangende
maar is nu tot mijn groote vreugde beslist.
"Natuurlijk zal ik mijn verplichtingen als officieele bruidegom
tegenover juffrouw Déa blijven vervullen.
Hoogst aangenaam zou het mij in de gegeven omstandigheden zijn, indien
mevrouw Fleming onder bescherming van een ander de reis naar Indië
kon maken,
[122:]
daar mijn huwelijk wel niet vóór den
herfst kan gesloten worden en het u begrijpelijk zal voorkomen dat ik
gedurende mijn engagement de groote reis liever niet maak.
"Mocht u echter geen beter gezelschap voor uw dochter vinden, zóó
ben ik bereid mijn belofte aan mijn vriend gedaan, geheel te vervullen,
en zal mijn eigen belangen gaarne daaraan ten offer brengen.
"Na beleefde groeten aan mevrouw en juffrouw Déa,
hoogachtend,
Yvo STERNA.
Het laatste voorstel
was hem op zijn kamer, eigenlijk onder het schrijven, ingevallen wanneer
hij de reis van zich af kon schuiven, dan was de zaak reeds meer dan
gewonnen - onmiddelijk na het huwelijk kon hij zich terugtrekken, hij
behoefde niet naar Indië terug te keeren en wilde weer zijn zwerftochten
beginnen, zoodra hij Nita gevoegelijk kon vrijlaten.
Toen hij haar verlaten had, maakte hij in het donker nog een groote
wandeling om geheel tot kalmte te komen en verbaasde zich over zijn
eigen ijzige bedaardheid toen hij de stille, rustige huiskamer der beide
oudjes binnentrad.
"Goeden avond, papa, tante," zeide hij, en toen zonder meer,
"ik ben met Nita geëngageerd."
Tante Da liet haar breikous vallen.
"Goeie gunst! Hoe kom je daaraan? Zoo'n schooljuffer die je moeder
bijna kon zijn."
"Over den smaak valt niet te twisten, tante!"
"Ik hoop dat het tot je geluk mag strekken."
"Misschien is het wel goed voor je, een oudere vrouw."
"Om mij onder den duim te houden. Ja, dat heb ik ook gedacht, vader!"
"Nu, jongen, ik feliciteer je!"
[123:]
"Ingelijks, neef."
"Dank u wel! Dus vindt u goed, dat ik u morgen mijn meisje presenteer?"
"Och, morgen is het Zaterdag. Zou je niet tot Zondag kunnen wachten,
neef?"
"O jawel, tante, best!"
"Zullen wij dan maar een boterhammetje eten, neef? Laat een flesch
wijn halen, Da, om te drinken op de gezondheid van het jonge paar! Je
had ze maar dadelijk mee moeten brengen, Ief!"
"'t Is zonde, wij hebben van avond niets dan kaas en koek."
"Och neen! Wij zijn beiden een beetje van streek en hebben alleen
rust noodig."
Na het boterhammetje wenschte Yvo hun goeden nacht en ging naar zijn
kamer.
Zondag haalde Yvo Nita af voor de kerk en liep met haar gearmd door
de dorpsstraat; alle oogen waren op hen gevestigd, alle menschen kwamen
op den drempel; hij liep hoog opgericht met iets uitdagends in de houding
van zijn hoofd en in zijn oogen.
Zij wist niet hoe zich te houden van verlegenheid, elke minuut veranderde
zij van kleur; de schoolkinderen gaapten hen onnoozel aan, waar zij
hen tegen kwamen.
"De juffrouw geëngageerd en met zoo'n jongen man!"
De meisjes van de notabelsten vonden het jammer van den knappen jongen;
de jongelui lachten er om en maakten allerlei flauwe grappen over trouwen
met zijn tante of grootmoeder.
Toch was het paar alles behalve opvallend. Nita zag er onder haar zomerhoedje,
van het vorige jaar, dat zij in der haast wat opgeknapt had en in een
donkergroen, onberispelijk zittend mantelcostuum zeer jeugdig uit, de
blos die niet van haar wangen week, deed haar er frisch uitzien.
Haar oogen fonkelden onder den invloed der nieuwe
[124:]
sensatie; het
was werkelijk een zeer knap paar bij wie het verschil van leeftijd niet
opviel.
Na de kerk brachten zij een bezoek bij den notaris, die zijn aanstaande
schoodochter een ceremonieelen kus op het voorhoofd drukte. Tante Da
liet zich door hem kussen; zij zoende nooit iemand dan Wappie en wist
haar lippen misschien niet eens tot kussen te plooien.
Toen zij na een vormelijk bezoek van een half uur heengingen, stond
het hoofd der school voor zijn deur en vroeg ook om de eer het jonge
paar te mogen feliciteeren.
Zij gingen even naar binnen, namen de wenschen in ontvangst en zoo ging
het op hun terugweg de geheele straat langs.
Op haar kamer vond Nita een grootbouquet van pioenen, jasmijnen en vroege
rozen van haar kostjuffrouw, die zeer veel sympathie scheen te hebben
voor de gelukkige gebeurtenis.
"Och," zeide zij aan ieder die het maar hooren wilde: "'t
kan mij zoo'n plezier doen voor dien stumper. Zij kan haar plezier wel
op, altijd maar van school naar huis, van huis naar school en nooit
zonder hoofdpijn en toch geloof ik zeker dat de jonge man moeite genoeg
heeft gehad om haar jawoord te krijgen.Vrijdagavond toen het er door
is gekomen, bleef hij heel lang boven en heeft het toen zoo geweldig
op zijn zenuwen gekregen, dat ik er heelemaal van streek door was. Ik
wou reeds kloppen om te vragen of ik iets van de apotheek zou halen,
maar 't schijnt dat de juffrouw eerst niet wou en dat hij daarom zoo
aanging. Nu hij krijgt een goede vrouw, al zeg ik 't zelf, hij heeft
haar nageloopen van het eerste oogenblik af dat hij hier kwam en zijn
papegaai bracht. Zij heeft geen vinger uitgestoken om hem te krijgen,
dat weet ik maar al te goed."
Deze lezing vond ingang, tot groote geruststelling
[125:]
van Nita;
men zeide algemeen dat Yvo heel veel moeite had gehad om haar toestemming
te krijgen.
Men vond zijn keuze natuurlijk dwaas, een verwelkt oud meisje, een schooljuffrouw
nog wel; hij had waarlijk toch wel iets anders kunnen krijgen, maar
wat kan je verwonderen van den kant van iemand, die met een aap, twee
papegaaien en een javaanschen jongen midden in den winter uit de Oost
komt aanzetten?
Maandag reeds ontving Yvo een zeer hartelijk schrijven van den heer
Van Meylingen, vol gelukwenschen en den raad met het maken van zijn
plannen te wachten totdat zij te zamen over de reis zouden gesproken
hebben; hij zelf had een plan maar wilde daarover nog niet tegen de
dames in bijzonderheden treden. In elk geval verwachtte hij dat juffrouw
Verbrugh de feesten ter eere van Déa's huwelijk met haar bijzijn
zou vereeren.
Donderdag over acht dagen zou de ondertrouw plaats hebben en dan Zondag
daarop de receptie; 's avonds een kleine sauterie onder goede vrienden
in het Doelen-Hotel, waarbij natuurlijk de waarnemende bruidegom en
zijn echte bruid niet mochten ontbreken."
De brief was buitengewoon hartelijk en uitvoerig.
Yvo las hem over en vond den toon geheel verschillend van de gewone
afgemetenheid van den ouden heer. Zou Déa's vader iets vermoeden
en zich verheugen over die onverwachte oplossing? Zij kon hem toch niet
beschuldigen van haar bedrogen te hebben. Hij ging zijn gedrag na en
vond er niets in dan een kameraadschappelijke verhouding tusschen hen
beiden; hij was zoo volkomen te goeder trouw geweest in zijn eerbiedigen
van haar als de bruid, de vrouw bijna van zijn vriend, totdat hem de
oogen waren opengegaan, en hij voor het vreeselijke feit stond - hunner
schuldige liefde.
[126:]
En toch sidderde hij bij de gedachte dat Déa boos zou
zijn, hem gebrek aan oprechtheid verwijten, misschien verachten, omdat
hij een dubbel spel had gespeeld - als zij het dien avond geraden had
wat hij werkelijk voelde, en dan begreep, dat hij toen reeds stil met
een ander verloofd was, zou zij het recht hebben hem te verachten.
Hij kon al deze tegenstrijdige gevoelens in zijn hoofd niet verwerken
en kwam er dan altijd maar mede bij Nita. Zij moest alles hooren van
Déa, op alles antwoord vinden.
Haar hoofd gloeide meer dan ooit, de schroeven in haar slapen boorden
er zich steeds dieper in; het kostte haar vreeselijke inspanning, die
komedie voor de buitenwereld vol te houden, op felicitatiën mondeling
en schriftelijk te antwoorden en dan altijd weer van hem hetzelfde te
hooren, want zooals alle verliefden, was hij in zijn onbewust reusachtig
egoïsme slechts over een onderwerp te spreken. Dat deed haar meer
pijn dan iets anders; zij kon die Déa niet uitstaan - zij benijdde
haar alles, haar jeugd, haar schoonheid, baar rijkdom, haar ouders,
haar leven en misshchien het meest van alles - zijn liefde.
Werkelijk zijn meisje te zijn, werkelijk het recht te hebben door hem
te worden bemind, hem te verzorgen, - de gedachte deed haar duizelen.
Snel verdreef zij die - het was te dwaas - zij mocht er niet bij stilstaan,
zij was zijn oude, trouwe vriendin, zijn vroegere onderwijzeres, die
hem helpen moest uit deze moeilijke pas; niets onverstandiger dan toe
te geven aan onverstandige voorstellingen, te denken dat huiselijk geluk,
de liefde van man en kinderen, nog zoo laat haar deel konden worden.
Zij hield zich zoo flink, dat bleeke onderwijzeresje met haar zwakke
trekken en door hoofdpijn smartelijk verwrongen gezichtje; zij nam haar
taak zoo ernstig, zoo hoog op, dat hij, de sterke man, er geen ver
[127:]
moeden
van had, hoeveel het haar kostte, haar rol vol te houden, tegenover
de menschen, tegenover hem en tegenover zichzelf
"Hoe heeft Déa het opgenomen?" was het telkens terugkeerend
refrein van zijn gedachten, "is zij verddrietig, is zij boos, is
zij teleurgesteld, of - verlicht?"
Déa zat in haar kamer, bleek als was, in haar kamer vol koffers
en kisten, vóór haar reeds half ontruimd bureau, waarop
niets anders meer in droeve eenzaamheid stond dan Flemings photographie.
"Het beeld van mijn leven," dacht Déa, met kracht wischte
zij haar oogen, die zich telkens met tranen vulden, droog. "Ik
ben gek, ik wil er niet aan toegeven, ik wil, ik zal - mijn lot ondergaan!"
Maar dat lot scheen het verwende kind zoo donker, zoo eenzaam toe; zij
schaamde zich voor zichzelf. Hoe was het mogelijk dat zij zich zoo kon
vergeten; eene schrale troost bleef haar alleen over, zij verbeeldde
zich dat niemand iets gemerkt had dat niemand iets vermoedde van haar
innerlijke vernedering, hij het allerminst.
Haar moeder was blijde over Yvo's verloving, nu zou Déa niet
meer alleen zijn, in de wildernis, zij had een andere Europeesche vrouw
in haar nabijheid.
Nita moest overkomen, zij wilde en zou met haar kennis maken, haar persoonlijk
haar dochter toevertrouwen, weten, wat voor iemand, dat dorpsonderwijzeresje
was, zeker één die ver beneden Déa stond, misschien
volstrekt geen conversatie voor haar, evenals Yvo geheel buiten hun
kring, maar toch zij vond het geruststellend en nog meer waardeerde
zij het, nu Van Meylingen een woord losgelaten had naar aanleiding van
Yvo's brief. Het zou voor hem te bezwaarlijk zijn in deze omstandigheden
Déa te geleiden naar Indië, wie zou hem beter kunnen vervangen
dan haar moeder?
Tegen een reis over de groote zee zag mevrouw Van Meylingen niet op,
zij had het zoo dikwijls gedaan
[128:]
en haar schat nog langer bij
zich te hebben - dat was elk offer waard - voegde zij er sentimenteel
bij.
Déa liet haar praten, alleen toen haar moeder bij haar op de
kamer kwam en begon aan te dringen, dat zij Nita een briefje zou schrijven,
om met de aanstaande feesten over te komen, toen, werd het haar te benauwd.
"Zie je, zij kan best hier logeeren. Ik vind het zeer geschikt,
dat zij bij alles is; dan kan ik op mijn gemak met haar praten en 't
een en ander op het hart drukken. Kom nu Dé, schrijf haar een
hartelijk briefje, dat ben je wel aan Sterna verplicht en zeg haar dat
wij er stellig op rekenen, dat zij overkomt om kennis te maken. Je kunt
het zoo gauw, doe 't uit mijn naam natuurlijk. . .!"
"O Ma, plaag me toch zoo niet!" barstte Déa uit; en
een moeder moest al heel vervuld zijn met zichzelf, om de bittere smart
niet te herkennen uit dien angstkreet.
"Je plagen," zei mevrouw hoogst verwonderd, "je plagen,
hoe kom je daar aan? Is het zoo erg een briefje te schrijven? Jij die
zoo vlug bent met de pen?"
"Och 'k heb 't al zoo druk, ik weet mijn gedachten niet bij elkander
te houden."
En haar handen woelden door haar krullen.
"Je doet nogal wat, alles laat op mij aankomen."
Déa begon luid te snikken en nu was haar moeder dadelijk verteederd
en vermurwd.
"Maar kind, wat scheelt je toch? Is het zoo erg? Je bent nog niet
getrouwd, je kunt er nog af."
"Ik wil er niet af," en zij stampte met haar voetje eigenzinnig
op den grond, "ik kan alleen die drukte niet om mij heen verdragen.
't Is erg genoeg! Als men mij maar alleen liet, heel alleen, zonder
al die menschen en die logé's..."
"De grootste druktemaker is er niet, dat is een
[129:]
geluk. Die
werkt nu bepaald op mijn zenuwen, maar als zijn meisje hier is, zal
het heel anders gaan, dan kunnen zij samen uit, hij zit niet den heelen
dag op onze handen. Kom toe, wees verstandig en schrijf dit briefje..."
"Goed, goed! Ik zal 't doen maar laat mij nu met rust."
"Is dat nu een toon tegenover je eigen moeder en dat een van de
laatste dagen dat wij samen zijn? Enfin! 't is zoo 's werelds loop!
Dat heb je te wachten van je kinderen en dat zal je later ook ondervinden."
Déa keerde zich om, en liet haar moeder de kamer verlaten; als
zij doorgegaan was met schreien zou haar moeder hebben meegedaan. Er
was dan een treffende scène gevolgd van kussen en omhelzingen,
maar daar had Déa geen behoefte aan; haar hart uit te storten
bij haar moeder, als zij dat had kunnen doen! Maar hoe zou dat gaan
bij zoo veel oppervlakkigheid en dan, wat moest zij zeggen? Dat zij,
de bruid van den ééne, den aanstaande van een andere liefhad?
De vernedering in haar eigen oogen was reeds groot genoeg.
Zij ging vóór het ontredderde bureautje zitten en onder
de oogen van Flemings portret, schreef zij een heel beleefd briefje
aan Nita Verbrugh.