XVIII.
De ondertrouw had bij de Van Meylingens in huis plaats. Déa en Yvo zagen elkander terug in een verwarring van vreemde menschengezichten en vreemde menschenstemmen en 't leek hem toe of zij ver, heel ver van elkander af stonden; bun blikken vermeden
[134: ]
elkaar en hun handen hadden nauwelijks elkanders
druk gevoeld.
Mevrouw week haast niet van zijn zijde; hij had haar nooit zoo lief
bijgewoond.
Zij was een en al belangstelling voor zijn meisje; waarom had zij Déa's
invitatie afgeslagen? Het zou zoo aardig zijn geweest en zoo gezellig,
als zij hier had gelogeerd en die kennismaking voor Déa zooveel
waard met het oog op de toekomst.
Yvo herhaalde letterlijk wat Nita als excuus had opgegeven voor haar
wegblijven en dat precies klopte met haar briefje aan Déa:
"Mijn aanstaande is er op gesteld haar betrekking tot het laatst
stipt te vervullen en wil geen verlof vragen."
"Och, dat is wel wat overdreven! En 't mooist of liever het leelijkst
is, dat Van Meylingen nu niets weten wil van dat feestje in den Doelen.
Hij vindt het te opwindend voor Déa en nu zullen wij niets hebben
dan een dejeuner-dinatoire, voilà tout! En misschien heeft hij
gelijk. Wij hebben geen reden tot feestvieren, nu wij ons liefste kind
gaan missen, want lief is zij, mijnheer Sterna, al is zij mijn eigen
dochter, ik moet het toch zeggen. Uw vriend is wel gelukkig."
"Dat is hij zeker, mevrouw!"
"Ik geloof dat zij erg tegen het vertrek op ziet, ofschoon nu ik
meega, het ergste er af is. Zij laat zich niets uit, zoo vreemd. Zij
zeggen dat zij er slecht uitziet. Vindt u dat ook?"
"Misschien wat, maar..."
"En daarom moet zij in de volgende weken haar gemak nemen. 't Spijt
mij anders wel voor het feestje, niet voor mij zelf natuurlijk, maar
ik vind het zoo eng - nu mijn oudste dochter trouwt, het zoo stil te
moeten doen zonder eenig feestvertoon, maar zij zelf is er het meest
tegen. Déa, kom eens hier lieveling!"
[135:]
Zij kwam nader, de oogen strak op haar moeder gevestigd, en met
de linten van haar ceintuur spelend.
Zij zag er werkelijk ontdaan uit en mat, maar zij was jong en de jeugd
staat alles goed, zelfs verdriet.
Yvo had haar ten minste nooit zoo lief en aantrekkelijk gevonden.
"Juffrouw Verbrugh blijft onverbiddelijk."
"Dat dacht ik wel na haar briefje."
En toen de oogen opheffend naar Yvo maar zonder hem recht aan te zien.
"Zij heeft mij heel lief geschreven."
"O, ja dat kan zij," antwoordde hij; "zij heeft een goeden
stijl."
Beiden keken hulpeloos rond, de bruidsmoeder was er niet meer. Zij stond
op een afstand met iemand, anders te praten.
"'t Verwonderde mij zeer, dat bericht van uw engagement. U had
niets gezegd van uw plannen..."
"'t Kwam ook zoo onverwacht," stotterde hij.
"En nu brengt u mij niet meer weg."
"Het - het - spijt me zeer natuurlijk - maar..."
"U houdt zich alleen aan het eerste gedeelte van uw opdracht, aan
het makkelijkste. . ."
"O neen,:' riep hij uit de volheid van zijn hart, "O maar
- ziet u . . .
"O ja uw eigen zaken gaan voor. Ik zie het wel."
"Maar voor u is het toch zoo veel aangenamer."
"Zeker!"
Zij keerde zich haastig om en liet hem staan; hij begreep er niets van,
was zij boos en waarom dan?
Zou hij zich toch vergist hebben? Had die opwinding van het bal hem
toen alles in een ander licht doen zien? Was het maar verbeelding van
hem geweest, dat zij hem liefhad?
Maar wat hij zeker wist, het was dat hij zich tot haar getrokken voelde
met alle krachten van zijn wezen, dat zij de eenige was, die voor hem
bestond
[136:]
op de wereld, dat alleen de trouw aan zijn vriend hem
belette haar voor zichzelf te winnen. Zij was zijn alles; het kwam er
niet op aan of zij zijn gevoel deelde of niet - maar als hij zich vergist
had, en zij was hem onverschillig - of het misschien geworden na zijn
engagement, dan was er niets verloren - dan kon zij nog gelukkig worden
en Fleming ook, niemand behoefde meer te lijden dan hij en alles werd
zoo eenvoudig, zoo veel eenvoudiger.
Hij bedankte voor het diner, want hij wilde nog dien avond terug zijn
in IJkerk.
"Juffrouw Verbrugh wil u niet afstaan, zelfs niet aan uw officieele
bruid," zeide Déa een beetje scherp.
"Zeg liever dat mijnheer Sterna de oogenblikken telt, die hij niet
bij haar doorbrengt," plaagde een vriendinnetje, die aan Déa's
arm hing.
"Nu dat is toch ook de plicht van iederen geëngageerde, zou
ik denken," antwoordde hij.
"Dan beklaag ik je armen bruidegom," zei het meisje, "die
moet zich maar schikken in zijn lot."
"Wij moeten ons allen schikken de eene meer de andere minder,"
sprak Déa kortaf, "ik houd je niet langer op, Sterna. Groet
juffrouw Verbrugh van mij en goede reis!"
Maar dien avond toen zij in haar kamer was, viel zij hartstochtelijk
snikkend in de kussens neer.
"En ik moest blijde zijn dat hij gelukkig is, dat hij niet aan
mij denkt en 't is of het nu nog zwaarder valt, nu ik alleen mijn vernedering
moet dragen."