[110:] XV.
"Wil u van
middag na schooltijd even wachten? Ik had u iets te zeggen," zeide
den volgenden morgen het Hoofd der school tot Nita Verbrugh.
Zij wachtte hem gehoorzaam in het schoollokaal totdat alle leerlingen
weg waren; hij had zijn deftigste gezicht uitgestreken en kuchte een
paar keer vóór dat hij vlak tegenover haar staande, op
hoogst gewichtigen toon begon.
"Juffrouw Verbrugh, ik hoop dat u overtuigd is in mij een vaderlijken
vriend of liever een ouderen broer te bezitten."
Nita had nooit iets van die vaderlijkheid of broederlijkheid gemerkt;
zij moest het goed uitrekenen, wie ouder was hij of zij, in elk geval
kon het verschil niet grooter zijn dan een jaar of wat.
Zij antwoordde niet, maar vergenoegde zich hem aan te zien in afwachting
der dingen die komen moesten.
"Gelukkig verkeer ik zelden of nooit in de minder aangename noodzakelijkheid
aanmerking te maken op uw manier van zijn en van doen. Uw onderwijs
is van dien aard dat er niets op te zeggen valt en uw gedrag buiten
de school heeft tot nu toe ook nooit aanleiding gegeven tot bijzondere
opmerkzaamheid."
"Tot nu toe mijnheer! En nu!"
"Ja ziet u! In de laatste maanden heeft u hier min of meer de tongen
in beweging gebracht, met of zonder reden wil ik niet beslissen, maar
reeds dikwijls is mij het een en ander ter ooren gekomen, waaraan ik
echter geen geloof wilde slaan, vóór dat ik zelf met eigen
oogen mij overtuigd had dat het op iets anders berustte dan op losse
praatjes."
Zij bleef hem strak aanzien zonder iets te zeggen.
"Nu heb ik het gisteren zelf gezien en ik acht het
[111:]
mijn
plicht u te waarschuwen. Uw verhouding tot dien Indischman, den zoon
van den notaris, heeft reeds veel kwaad bloed op het dorp gezet."
"Mijn verhouding? Hij is een leerling van mij geweest. Wat steekt
er nu in, dat hij soms met mij komt praten?"
"Ik weet ook niet juffrouw Verbrugh, dat er meer is. Zijn eerste
bezoek gold u, hij heeft een papegaai meegebracht die hij leerde uw
naam uit te spreken; hij komt nooit hier, of hij brengt bijna elk vrij
oogenblik bij u door."
"Is dat alles? Als hij graag met mij praat, kan ik hem toch niet
wegjagen?"
Hij wenkte haar deftig te zwijgen en hem verder aan te hooren.
"Gistermiddag eindelijk heeft u met hem een groote wandeling gemaakt
en samen gearmd geloopen alsof u geëngageerd waart. Dat kan u ook
niet ontkennen, want ik zelf heb het gezien - voor het eerst. Ik behoef
dus niet meer af te gaan op de praatjes van anderen."
"Maar wat is uw bedoeling met mij dat te zeggen?"
"Wel, ik zeg het in uw eigen belang. Ik matig mij niet aan, een
oordeel uit te spreken over uw gevoelens tegenover den heer Sterna junior,
maar dit wil ik u alleen zeggen dat zulk een intimiteit als tusschen
u blijkbaar bestaat, slechts ten goede kan worden uitgelegd door het
vooruitzicht op een aanstaande verloving."
"Een verloving!" en Nita lachte half in spot, half in verbazing.
"Mocht dit zoo zijn, dan hoop ik dat deze gebeurtenis tot uw geluk
mag strekken en spoedig ter algemeene kennis gebracht wordt, om aan
alle onaangename praatjes een einde te maken."
"En als dit zoo niet is?"
"Dan - dan moet ik u in overweging geven het
[112:]
jonge mensch
niet meer te ontvangen en ook geen wandelingen meer met bem te doen.
Anders sta ik niet in voor de onaangename gevolgen, die het hebben zal
voor uw goeden naam en uw prestige tegenover de ouders der leerlingen,
en zelfs voor uw betrekking."
"Belachelijk!" en zij haalde de schouders op, "op mijn
leeftijd."
Hij glimlachte zalvend.
"Leeftijd is geen vrijbrief tegen..."
"Domheden! Wees u maar niet ongerust, mijnheer! Ik ben oud genoeg
om op mijzelf te passen. Ik heb mij nooit bemoeid met andermans zaken
en ik verlang dus ook niet dat zij zich met de mijne inlaten."
En stijf groetend ging zij been, inwendig meer opgewonden dan zij voor
zichzelf bekennen wilde.
"Zij moesten eens weten dat bij mij nooit anders noemt dan juffrouw
Nita - O ja, gister, maar toen deed bij den vogel na en bij was in zoo'n
weeke stemming. Daarvoor moet je in IJkerk zijn om daar iets in te zien.
Ik, de gouvernante van zijn kinderen, als hij die maar had."
Yvo had dien nacht ten minste eenige uren zijn leed vergeten in een
vasten slaap; bij werd laat wakker en voelde zich dof in het boofd,
maar de schrijnende pijn was er niet meer.
"Ik heb niets te doen, dan mij een paar dagen te vervelen,"
dacht bij, "als ik in den Haag kom, dan is die gekheid misschien
al heelemaal gezakt en zij lachen mij uit op den koop toe."
Een vroolijk deuntje fluitend ging hij naar beneden, verzekerde tante
dat haar anijsmelk wonderen had gedaan, ontbeet met smaak, speelde met
Wappie en ging toen bij zijn vader op het kantoor brieven schrijven,
bij deed zijn best aan alles te denken behalve aan Déa, maar
onophoudelijk voelde hij toch hoe zij altijd bij hem was en zijn geheele
ziel vervulde.
Na bet eten ging bij naar de societeit een partijtje
[113:]
biljart
spelen met den zoon van den burgemeester en met een jong mensch die
op de secretarie werkte, en keerde omstreeks vijf uur weer naar huis
terug, blijde dat hij zich vandaag normaler voelde dan gisteren.
De notaris zat bij het open tuinraam zijn courant te lezen en zijn goudsche
pijp te rooken; aan het aschbakje, waarop nog een stukje sigaar lag,
merkte Yvo dat er bezoek was geweest.
"Had u visite?" vroeg hij zijn vader.
"Ja, kijk eens even! Is tante in de andere kamer? Niet! Dan komt
het goed uit en hebben wij even den tijd een woordje samen te praten.
Weet je wie hier geweest is?"
"Neen!"
"De meester van hier over? En weet je wat hij wou?" Als de
notaris niet goed uit zijn woorden kon, ging hij altijd vragenderwijze
voort.
"Nu, wat dan?"
"Hij voelde zich bezwaard over de manier, waarop je zijn hulponderwijzeres
compromitteert. Ik moet je zeggen, ik zelf heb er nooit aan gedacht,
dat je vues zoudt hebben op haar. Zij is zoo'n boel ouder dan jij, maar
de meester zegt, dat als je geen ernstige bedoelingen hebt, de naam
van het meisje door jou schade lijdt!"
"Maar, vader!" De aderen op Yvo's voorhoofd zwollen op, "en
wat heeft u daarop geantwoord?"
"Wel! Dat ik er niets van wist. Ik ben niet gewoon mij in te laten
met jouw doen en laten; gister heeft tante je met haar langs zien wandelen.
Nu, daar steekt op zich zelf niets in, maar je weet, 't is hier zoo'n
klein nest en de menschen hebben weinig te doen, zij kakelen dadelijk.
Dus ik wou je maar zeggen - als je zin hebt in het meisje, dan is 't
jouw zaak. Zij is niet jong meer, maar dat moet jij weten, er valt niets
op te zeggen, - en anders dan moet je voorzichtiger zijn; zij is alleen
op de wereld en voor een
[114:]
onderwijzeres vooral is een goede naam
alles waard. Ik zou niet graag willen dat die bedorven werd door jou..."
"Dat vervloekte modderen in iemands anders zaken, dat brengt alle
ellende in de wereld!" en hij drukte zoo hard op de leuning van
den stoel, waarop hij schrijlings zat, dat het glimmende mahonie doormidden
brak; hij wierp de stukken weg en hardhandig den stoel van zich afschuivend,
liep hij woedend de kamer uit.
Hij ging naar boven en bleef daar met gebalde vuisten zitten, starend
naar buiten, vastbesloten naar den overkant te gaan, den meester ter
verantwoording te roepen, hem met zijn sterke vuisten tot herroepen
van zijn woorden te dwingen.
"Maar wat helpt dat, de menschen praten toch, zoo ontvlucht ik
daar de ellende en de praatjes en dan vervolgen zij mij hier."
Hij sprong op, de trap af, het huis uit en de straat door tot hij aan
Nita's woning kwam.
"Ik zal hem toonen, dat ik er niet om geef," zeide hij tot
zich zelf, maar dadelijk viel het hem in, "wat beteekent dat of
ik er niet om geef als zij er door lijden moet? Dat andere is mij ook
pas duidelijk geworden door het geklets van de menschen."
Nita herkende zijn zenuwachtigen, haastigen klop.
"Binnen," riep zij even aarzelend nog altijd onder den indruk
van des meesters woorden.
"Heeft u gehoord, hoe ik u compromitteer juffrouw Nita! Ik kom
afscheid van u nemen, ik had nooit in dit ellendige land moeten komen
- ik - ik -"
De opwinding van de laatste dagen, de ongewone emoties overmeesterden
hem; hij begon hard te beven
over zijn geheele forsche lichaam; hij kon zich niet meer rechthouden,
liet zich in den leuningstoel vallen en begon luid te snikken.
"Wat is er toch, Yvo," riep Nita bezorgd, "heb je
[115:]
ook van die dwaze praatjes gehoord! Kom! Dat beteekent immers niets.
Wij weten toch van ons zelf dat - dat - och! wees toch bedaard !"
Maar hij kon zich niet bedaard houden; zijn smart voor een poos achteruitgedrongen
kwam met geweld terug; zijn snikken werd steeds heviger. Nita vol schrik
en angst, waschte zijn hoofd met eau de cologne, reikte hem een kelkje
bromkali toe; hij stiet het eerst van zich af, toen op haar herhaald
aandringen, zette hij er de lippen aan, zijn tanden klapperden tegen
het glas.
"O Nita, Nita, je weet niet hoe ongelukkig ik ben en hoe ellendig."
Hij legde haar koele hand tegen zijn brandend hoofd en toen begon hij
wanhopend en bitter te schreien als een kind.
Nita, die nooit zulk een geweldige uitbarsting van smart gezien had
bij een man, wist niet wat het eerst te doen. Zij vreesde, dat zij het
beneden zouden hooren, hoe hij aanging, en trachtte hem op allerlei
manieren te kalmeeren.
"Maar wat is er toch, Yvo? Ik merkte het gisteren reeds dat je
iets had. Anders ben je altijd zoo vroolijk!"
"Déa!"
"O, mijn Godl is het dat?"
Zij huiverde; in een oogwenk voelde zij alles met hem; zijn bittere
smart, zijn wroeging tegenover den vriend, wien hij zooveel verschuldigd
was.
"Ja, dat is het! Wij - wij hebben elkaar lief gekregen, zonder
het te willen, zonder het eerst te vermoeden."
"Zij ook?"
"Ja, ik vrees het, of liever ik weet het maar al te goed. Och,
Nita, raad mij toch! Ik word gek, ik weet niet, wat ik doen moet, ik
kan haar nu toch niet brengen naar haar bruidegom. Hoe zal ik hem onder
de oogen durven komen?"
[116:]
"En je hebt het haar gezegd!"
"O, neen! Tot die laagheid ben ik nog niet gekomen. Ik ben gevlucht
zoodra ik het merkte. Wij voelden het alleen, dat het over ons is gekomen.
Zeg mij nu, Nita kan ze hem nog trouwen?"
"Zij heeft hem haar woord gegeven."
"Maar toen was zij een kind, zij wist niet wat zij deed - en toch...
hoe kan ik het zeggen: Ik heb je vertrouwen verraden. Geef haar vrij!"
"Het eene is zoo erg als het andere. Maar je moet je best doen
de zaak dadelijk flink onder de oogen te zien en bedaard te overleggen."
"Bedaard overleggen, terwijl ik half dol weggeloopen ben om haar
niet weer te zien en nergens rust vind, omdat ik ver van haar ben, -
en dan moet ik met haar trouwen, - met haar reizen, - dagelijks haar
zien en spreken en niets er van laten merken wat in mij omgaat? O, ik
kan niet, ik kan niet! 't Is te zwaar!
En opnieuw begon hij te kermen als razend van pijn.
Nita stond hem hulpeloos aan te staren; zij had in haar jeugd wel eens
naar emoties verlangd, nu zag zij een sterken man, door zijn hevige
gevoelens haast verpletterd en zij huiverde.
"Goddank, dat mijn leven zoo kalm verliep!" dacht zij.
"En toch, Yvo, het moet! Je zult er later zoo'n spijt van hebben,
als jij je nu door je hartstocht laat meeslepen, want je voelt toch
zelf, dat het niet goed is."
"Of ik 't voel, dat maakt mü juist zoo radeloos, dat er geen
uitweg is, dat wij elkander gevonden hebben en er toch - nooit - nooit
iets tusschen ons kan zijn, of wij moeten elkander verachten."
"Je ziet dat in en ..."
"Maar ik moet toch terugkeeren, ik moet mijn
[117:]
plaats vervullen,
ik moet met haar trouwen en haar wegbrengen en ik mag door niets verraden,
wat ik
voeI, en je weet dat ik een man van indrukken ben, hoe ik alles op de
tong en in de oogen heb en niets verborgen kan houden."
"Zou je daar niet af kunnen op de eenige manier, door bijvoorbeeld
je ziek te houden, naar een badplaats te gaan, want juist zoo als je
zegt, dat moet bovenmenschelijk zijn, zoo'n rol vol te houden vooral
voor iemand van je karakter."
"Als ik dat doe, dan zal zij weten waarom het is en dan zijn de
gevolgen onberekenbaar; mijn eenige hoop is dat zij er niets van merkt,
wat zij voor mij werd, dan bestaat er nog kans dat zij denkt wat 'n
ellendige vergissing het is zoo'n kerel als mij te stellen boven een
Fleming. Ik kan het mij niet begrijpen, wat heeft zij in mij gezien?
Zij die er zich op beroemde vier jaar lang met allerlei soort van mannen
omgegaan te hebben zonder dat ooit een haar aandacht trok?"
"Ja, daar is niets van te zeggen, daar hebben dichters en schrijvers
zich moe over gedacht en dat konden zij nooit verklaren."
"En 't ergste is dat - dat - het mij inwendig zoo trotsch en gelukkig
maakt te denken dat zij haar oogen op mij liet vallen - zij de mooiste,
de liefste van alle meisjes, die ik ooit ontmoet heb. 't Kwam mij niet
in de gedachte naar haar op te kijken. Ik vond haar zoo hoog boven mij,
ik was vereerd als zij maar vriendelijk tegen mij wilde zijn en nu dit
te weten."
"Kan je dat niet steunen Yvo, dat hooge, trotsche gevoel trouw
te -willen blijven aan haar en aan je vriend?"
"Als zij het maar niet wist, wat ik voelde, maar hoe kan ik het
verbergen - och Nita! geef mij een glas water - hoe is 't mogelijk dat
zoo'n inwendig
[118:]
gevoel een kerel als een boom zoo kan aanpakken
en zwak maken als een kleine jongen - en toch die uitbarsting heeft
mij goed gedaan - ik voel mij nu veel kalmer - ja, je hebt gelijk, ik
moet de sterkste van de twee zijn en ik ben zoo laf, zoo zwak!"
Weer eindigde zijn stem in snikken; moede met gesloten oogen liet hij
het hoofd achterover vallen tegen de leuning.
"Je moet willen, flink willen Yvo," zeide Nita, "dan
zal God je helpen, want je doet dan iets goeds, je plicht."
Wie had haar een maand of wat geleden voorspeld, dat zij een man zijn
plicht zou moeten voorhouden?
"Als ik het maar kan!"
"Je ziet toch dat van twee wegen, dit de beste is, je blijft je
vriend trouw, je helpt zijn meisje haar woord houden als je toegeeft
en haar aanzet tot woordbreuk zal het je eeuwig berouwen, dan kan er
geen zegen rusten op zoo'n liefde, je zult jezelf minachten."
"Je hebt gelijk Nita, je hebt honderdmaal gelijk, maar je weet
niet wat het is als een man als ik met al zijn krachten een meisje liefheeft,
- 0 aIs er iets anders was, wat mij steunde van buiten af, wat, mij
kracht gaf om mij tegenover haar goed te houden."
"Wat bedoel je dan?"
"Ik weet het zelf niet. AIs ik ook eens gebonden was bijvoorbeeld
en zij het wist."
Beiden zwegen een poos. Nita was begonnen met thee te zetten en arrangeerde
het theeblad.
"Dat zal je opknappen! Een flinke kop Indische thee," zeide
zij op haar moederlijk koesterend en toon.
Hij zag haar dankbaar aan.
"Nita, wat ben je goed! Als je wist hoe blij ik ben, dat ik mijn
hart bij je heb uitgestort, zonder mij te schamen voor mijn kinderachtigheid,
en dan misgunnen zij mij dat nog en zeggen dat ik je compromitteer."
[119:]
"Och!" en zij haalde de schouders op.
"Geloof je het ook?"
Zij wilde hem niet zeggen, dat zijn bezoeken haar meer waard waren dan
de achting der IJkerkers, en dat zij om de voldoening te hebben hem
te mogen zien en troosten, wel een overplaatsing zou willen vragen.
Daar schitterden plotseling zijn oogen weer en ontspande zich zijn voorhoofd
door een invallende gedachte.
"Nita, verbeeld je wat mij daar in 't hoofd komt. Je baas en mijn
vader zeggen dat ik mijn omgang met jou moet afbreken of wel mij met
je engageeren. Verbeeld je, dat wij het eens deden - voor den vorm natuurlijk.
Ik zal je de beleediging niet aandoen, je een hart aan te bieden - vervuld
door een ander."
"Maar Yvo," het kopje dat zij in de hand hield, viel bijna
neer, "dat gaat niet!"
"Ik laat verlovingskaarten drukken en zend ze rond. Hier op het
dorp is het morgen publiek. Wij wandelen dan te zamen met opgericht
hoofd en als ik Déa weer ontmoet, zal het ook zijn als geêngageerd
man."
Nita moest gaan zitten, zoo duizelde zij van dat voorstel.
"Nita, zie je dan niet, dat het mijn eenige kans is tot behoud
en tot redding? Wanneer ik nu maar voor haar kan staan, ook gebonden
door mijn woord, dan zal alles zoo heel anders zijn voor haar en voor
mij."
"Ja, maar zoo'n schijn-engagement, wat voor waarde kan dat nu hebben?
En dan met iemand van mijn leeftijd! 't Is belachelijk !"
"Neen, 't is niet belachelijk, je bent niet ouder dan je lijkt,
en je ziet er nog zoo jong uit in die licht-grijze blouse, dat ik mij
niet begrijpen kan, hoe het niet eerder in mij is opgekomen dat ik je
com
[120:]
promitteeren zou, door mijn familiaar inloopen bij je."
"Je zag in mij alleen je oude meesteres en de gouvernante van je
aanstaande kinderen."
Onwillekeurig was haar stem een beetje bitter geworden.
"En nu wordt je mijn meisje?"
"Voor hoe lang?"
"Tot zoolang als het noodig is. Je begrijpt dat ik,wanneer zij
bij Fleming is, onmiddellijk mijn contract met hem verbreek en heen
ga."
"Dus je positie geef je er aan?"
"Ja, dat kan niet anders. 't Komt er ook niets op aan, wat er dan
van mij wordt. Als zij maar gelukkig en tevreden is, mijn Déa,
mijn godin, en hij mijn beste vriend. Dus Nita, als wij het zoo lang
rekten en dan maak jij natuurlijk het engagement af, en geef mij de
schuld van alles."
Zij drukte de handen tegen de slapen.
"Wat 'n romanesk idee, Yvo! Hoe verzin je het?"
"Dus je neemt het aan! Je zegt ja?"
"Ik moet nadenken."
"Neen, niet nadenken, dadelijk zeggen ja. Wat beteekent dat immers?
Ik zal je behandelen als mijn zuster zoo eerbiedig. 't Is toch geen
schande voor een meisje geëngageerd te zijn al raakt het later
ook af. Die pedante schoolvos kijkt op zijn neus en feliciteert heel
deftig; alle babbelarij is de kop ingedrukt en ik kan Déa flInk
onder de oogen zien."
"En je vader en je tante?"
"Die vinden het goed."
"Zij zullen mij zoo uitlachen. Verbeeld je, ik ben reeds veertig
en jij pas zeven of acht-en-twintig."
"Nu wat zou dat zoolang je geen zeventig bent."
"En dan zeggen ze dat ik . . . dat ik je ingepakt heb."
"En om dat idée, om wat menschengepraat weiger je mij een
krachtigen steun, een echten vriendendienst? Je ziet, waaraan ik toe
ben. Als ik mij niet
[121:]
voor een feit plaats, dan gaat het bepaald
niet. Wie weet wat voor dolle coup zij en ik nog doen. Wanneer zij hoort
dat ik geëngageerd ben, zal zij toch niet kunnen denken dat ik
haar ook liefheb."
"Neen, dat zal zij zeker niet."
"En dan sterft haar gril voor mij van zelf."
"Misschien."
"Dus je stemt toe?"
"In Godsnaam dan!"
Zij gaf hem de hand, hij drukte die eerbiedig aan de lippen.
"Dank je Nita, dank je lieve, goede vriendin!" zeide hij met
van aandoening trillende stem. "Fleming en Déa zullen je
ook je geluk danken."
Nita haalde de schouders op, wat deerde 't haar of die gelukkig werden?