XII.
"Over veertien dagen zullen wij den ondertrouw stellen," zeide de heer van Meylingen daags na Yvo's terugkomst tot hem, terwijl de familie zonder Déa in de serre zat. "Zondags daarop receptie. De vrouw is er op gesteld, ik vind het gekheid voor een bruid zonder bruidegom en ik geloof niet, dat jij er op ge
[91:]
steld zult zijn ook daar de plaats van je vriend
in te nemen want 't is me een corvée zoo'n hollandsche receptie."
"O, neen liever niet!" riep Yvo en hij voelde dat bij een
kleur kreeg als een jong meisje, het was ook te gek dat idée.
Hij naast Déa zittend op de canapé, tusschen planten en
bloemen als ware hij haar echte bruidegom.
"Dus dan zal het moeten zijn," zuchtte mevrouw, "geen
uitstel meer van excecutie."
"Hoor eens mevrouw!" zeide Yvo kordaat, "ik begrijp dat
het hard voor u is uw dochter te missen; maar het is nu eenmaal zoo
en niet anders. U zal haar geluk toch niet in den weg willen staan,
maar dan is het ook overbodig haar moed te verzwakken en het afscheid
zwaarder te maken door uw klachten."
Zij zag hem verbaasd aan; de vader knikte goedkeurend en hij ging voort:
"Juffrouw Déa ziet er bleek uit; 't zijn moeilijke dagen
voor haar, evenals voor u, en daarom hoe meer men haar helpt die door
te komen, hoe beter."
"Als ik niet eens meer klagen mag."
Juist kwam Déa binnen, zij zag er werkelijk wat bleek uit, haar
oogen schenen dof bij anders.
"Ik heb Antoon mijn harp naar beneden laten brengen," zeide
zij, "ik heb Sterna nog altijd beloofd een stukje voor hem te spelen,
dat zal meteen mijn zwanenzang zijn."
"Neemt u dan uw harp niet mede!"
"O neen, zoo'n sta in den weg! Als ik mijn piano maar heb..."
"En uw stem!"
"Je moet alle dagen voortaan zingen Dé! Laat ons er nog
van genieten naar hartelust. Neen, ik mag het niet meer zeggen, mijnheer
Sterna wil niet hebben, dat ik het heengaan van mijn dochter betreur."
[92:]
"Mevrouw!"
"Ja, u gunt mij niets, zelfs geen tranen, alles is voor uw vriend!
Gelukkig dat u geen meisje heeft, die had ook reden jaloersch te zijn
op Fleming. Pas op als Déa het ook maar niet wordt!"
"Op mij?"
Déa lachte, een mat, flauw lachje; zij was zoo vreemd tegenwoordig,
zoo stil. Yvo zag haar angstig aan, hij volgde elk harer bewegingen,
en langzamerhand begon hij medelijden met haar te voelen. Ja, het was
ook verschrikkelijk zooveel te verlaten voor een onzekere toekomst.
"Over veertien dagen zal je moeten aanteekenen," zeide haar
vader, "ik heb alles geregeld, dan ben jelui toch klaar wil ik
hopen, met alles."
"Het moet wel," zuchtte mevrouw.
"Heel goed," antwoordde Déa. Hoe spoediger, hoe beter,
was zij eenmaal Charles' vrouw, dan zou de zondige gedachte, die haar
zoo pijnlijk vervolgde, vanzelf sterven, dan zou zij zich anders voelen,
weer zich zelf zijn.
Dien avond speelde zij op de harp; oude melodieën en eenvoudige
liedjes; haar ouders zagen haar aan, de vader peinzend met een kommervollen
trek om den mond, de moeder telkens haar oogen afdrogend. Toen voelde
ook Yvo meer en meer zijn hart beklemmen bij de gedachte aan het contrast:
dat wezen van fijne beschaving in de woeste eenzaamheid van Tandjong
Kerbo naast een man ontwend aan al die weelde en zelfs met zekere minachting
er op neerziend, een goede, edele man - niemand wist het beter dan hij
- maar soms wat al te zeer overtuigd van zijn eigenwaarde en daardoor
met iets meesterachtigs in den toon en dit meisje met haar warm hart,
haar overbeschaving, hoe zou zij daar aarden - wanneer het eenige, wat
zij noodig had: liefde tot hem, haar ontbrak?
[93:]
Du bist wie eine Blume
So hold, so rein
herhaalde hij zich
telkens totdat hij zijn oogen vochtig voelde worden en het was of bij
bidden moest:
"Maak haar gelukkig Heer, zooals zij 't verdient!"
En toen dacht bij pas aan zijn vriend:
"Hem ook! Hoe kan hij immers gelukkig zijn zonder haar?"
En toen hij naar huis ging dien avond zag hij Déa telkens weer
terug in haar kostuum van ivoorwit surah, met de rozen in de ceintuur
en in haar donkere lokken zilveren spelden, zooals zij voor de harp
zat, zoo rein, zoo jonkvrouwelijk, zoo onschuldig en dan met dat zekere
iets in haar oogen, dat er niet in was toen hij haar voor het eerst
zag, zoo smeekend, zoo bedroefd en toch zoo waardig.
"Arm, arm kind," verzuchtte hij, "wat ben ik begonnen.
Ik was zoo vereerd door die opdracht, ik vond haar zoo verrukkelijk
en nu? Ik wilde dat Charles zelf hier was en oordeelen kon of het goed
is wat wij gaan doen: Ik haar medenemen, hij haar ontvangen in zijn
huis, als de band reeds onherroepelijk gesloten is."
En met zijn gewone opgeruimdheid begon hij te lachen bij het idee, die
mooie, retherische verschijning tusschen de kale, gewitte muren van
Tandjong Kerbo, waarlangs de hagedissen kropen, terwijl buiten de krekels
zongen en in de verte een gamelan weerklonk en de scherpe geuren der
sokkadèdès de galerij vervulden.
t'Huis vond hij een brief van Charles Fleming vol geluk, vol hoop, vol
plannen voor de toekomst, vol dank jegens hem. Hij had haar kamer geheel
laten inrichten volgens Yvo's beschrijving op zijn Japansch, opzettelijk
was hij daarvoor naar Batavia gereisd. Ja, de etui, die het zeldzame
juweel zou bergen moest haar volkomen waardig zijn, maar Yvo mocht er
haar
[94:]
niets van zeggen, de verrassing wilde hij ten volle genieten.
"Goeie, beste kerel!" dacht Yvo getroffen. "'t Is jouw
schuld niet, als het niet goed gaat, maar de hare dan?"
Ook Déa had een brief van haar aanstaande ontvangen maar zij
las dien niet; ongeopend lag hij op haar tafeltje, zij had den moed
niet hem open te breken.
Onbeschrijfelijke tegenzin vervulde haar, niets kon haar meer uit haar
matheid opwekken; zij zat nog in haar wit surah japonnetje, de armen
slap neer hangend, de ogen vol tranen, de borst vol zuchten.
Zij verbood zichzelf te denken, maar als zwermen vlinders fladderden
allerlei gedachten door haar hoofd,
Hoe aandachtig had hij geluisterd? Zou hij haar beklagen? Zij voelde
nog het koesterende van zijn warmen blik ; wat had hij veel gevoel voor
muziek. Haar moeder noemde hem ruw, ongemanierd, ongeslepen - zij kon
het niet begrijpen, juist dat ronde, flinke, waarmede hij voor al zijn
gedachten en invallen uitkwam trok haar zoo aan; iemand die zoo onder
den invloed kon komen van muziek had geen ruw gemoed. Er school veel
meer echte beschaving in hem dan in de onbeduidende offIciertjes en
de geestelooze, pedante jonkers, waarvoor haar moeder zooveel sympathie
had. Zij wilde niet aan hem denken en toch was er een vraag, die haar
reeds den geheelen avond had gekweld en die zij nog niet uit had willen
denken, nu stond zij weer voor haar als een dreigend vraagteeken.
Zij wendde het gezicht af; de oogen van Charles Fleming volgden haar
dreigend - zijn brief een groote blauwwitte vlek op bet zwart van haar
tafeltje grijnsde haar aan, en zij moest er weer aan denken of zij wilde
of niet.
"Zou ik zoo angstig zijn als bij Fleming was?"
[95:]
Daar had zij de vraag in woorden gebracht; dat was toch ontrouw
jegens hem, die over een maand haar echtgenoot zou zijn, haar man voor
God en de menschen.
Snikkend wierp zij zich voor zijn portret op de knieën.
"Vergeef mij Charles. vergeef mij! Ik kan er niets aan doen, niets!
Ik wil mijn woord niet breken, en ik zal het ook niet doen, maar kan
ik 't helpen dat - dat ik telkens aan hem moet denken, nu ik jou niet
zie?"