XIII.
Ter eere van de
aanstaande bruid gaven oude vrienden van Van Meylingen een groot feest;
natuurlijk was de waarnemende bruidegom er ook op gevraagd.
Het was niet juist bal, maar een soort van raoût; in de groote
benedenzaal werd gedanst, in een andere zouden tableux-vivants worden
opgevoerd; andere vertrekken vol palmen, bloemen en bonte fairy-lampen
in het groen noodigden uit tot gezellige causerie.
De bruid had de eereplaats; zij had haar vader verzocht de plaats van
Fleming bij haar te vervullen.
Bijna opvallend vermeed zij Yvo in deze dagen en hij brak zich het hoofd
met de gedachte wat haar zoo veranderd kon hebben.
"Sedert die wandeling is zij heel anders geworden. Heb ik haar
toen iets onaangenaams gezegd?"
Een der nummers van de tableaux-vivants stelde Tristan en Isolde vóór,
op het oogenblik dat zij den liefdedrank hebben gedronken en eensklaps
in vurige liefde tot elkander ontvlammen.
Isolde zinkt als verpletterd neer, het gelaat in de
[96:]
handen verborgen,
de lange blonde haren over haar wit gewaad golvend, Tristan met afgewend
gelaat rustend op zijn zwaard, de óogen in het ledige starend
als zag bij voor zich het vreeselijke visioen van zijn verraad aan den
koning, die hem zijn grootste schat vertrouwde. Zacht speelde de muziek
Wagner's leitmotief.
De keuze was niet gelukkig; er werd overal gefluisterd. Déa zat
daar naast haar vader met wijd geopende oogen en ineen gestrengelde
banden; zij verbeeldde zich dat aller blikken op haar gevestigd waren,
dat ieder haar de geheimste gedachten van het voorboofd las.
Waar Yvo was, wist zij niet; zij dankte God dat zij hem niet zag en
hij haar niet in het gezicht kon zien.
"Tristan en Isolde!"
Het tableau was reeds lang door anderen gevolgd toen zij de namen nog
onophoudelijk hoorde klinken, in haar ooren, de beide ongelukkigen voor
zich zag overstelpt door bet leed, dat de liefde over hen had gebracht.
"Zij zeggen, dat ik het bal met u openen moet. Wil u?"
Yvo stond vóór haar in zijn avondtoilet knapper dan zij
hem ooit gezien had: onwillekeurig moest zij glimlachen, denkende aan
den eersten dag toen hij voor 't eerst kwam in zijn dorpsche kleeren
en duffelsche jas. Zwijgend legde zij haar arm op den zijne; ook hij
sprak geen woord, totdat zij in de balzaal waren.
"Hoe vond u die tableaux-vivants? Prachtig van verlichting en groepeering,
niet waar?"
"O ja!"
"Maar dat eene begrijp ik niet, die juffrouw met haar hangende
haren en die mijnheer met zijn benauwde gezicht."
"Tristan en Isolde?"
[97:]
"Ja dat stond op het programma. Wat is dat voor een geschiedenis?
U weet zooveel, dat weet u zeker ook."
"'t Is te lang om te vertellen en dan hier. . ."
"Ik zal u straks komen halen, 't is binnen om te stikken en de
tuin is aardig met lolings [Chineesche lampions.] verlicht.Dan vertelt
u mij de historie."
"Neen..." fluisterde zij doodsbenauwd.
Hij zag haar verwonderd aan.
"Wat scheelt u toch? U is tegenwoordig zoo vreemd tegen mij? Zoo
kortaf, zoo..."
"Zullen wij niet dansen?" vroeg zij met verstikte stem. "Zij
verwachten het van ons."
"Ik dans zoo slecht, u zal geduld met mij moeten hebben."
"Dat is een officieele dans. Ik wil geen andere dansen, het past
mij niet."
Werkelijk gaf hun dansen niet veel. Yvo kende er weinig van en zij had
geen lust; hij gaf haar weer den arm en zij ontsnapten in een der zijvertrekken.
"Nu moet u mij antwoorden op die twee vragen?"
Hij hield haar arm vast in den zijne.
"Wat heeft u tegen mij?"
"Niets, niets? Wat zou ik hebben? Maar ik ben zoo druk. Ik heb
zoo verbazend veel aan mijn hoofd."
"Heeft u ook een brief van Charles gekregen?"
"Ja!"
Zij liep voort met gebogen hoofd en liet zich door hem voortleiden tot
aan de kamer, die op den vroolijk verlichten tuin uitkwam; toen keerde
zij zich om.
"Breng mij terug bij mama!"
"Men zou waarlijk zeggen dat u bang voor mij is," pruilde
hij, "denk toch wat voor een groote reis u met mij doen moet."
"Ik kan toch den tuin niet in zonder mantel of doek."
[98:]
"Ja, dat is waar. Daar dacht ik niet aan! Maar hier is de
vestiaire. Ik zal uw mantel zoeken, een lichtblauwe met wit zwanendons.
Ha, daar hangt hij! En dan vertelt u mij de geschiedenis van Tristan
en Isolde."
Hij deed haar den doek om, koesterend legde hij het bont over haar schouders.
Haar lief kopje tegen het donzige wit, scheen een roos in de sneeuw.
Déa sprak nu zonder opbouden druk over alles behalve over Tristan
en Isolde, zij lachte, plaagde, speelde zenuwachtig met haar waaier.
In haar oogen flikkerde een vreemde gloed, haar handen voelden ijskoud
door de handschoenen.
Hij was vroolijk en lachte mede, de zoele lentelucht in den tuin, de
geuren der bloemen, de muziek in de verte, de levenslust der paren,
die hen tegen kwamen en ook koelte en verfrissching zochten onder de
booge boomen vlogen hem naar het hoofd; hij drukte steeds inniger op
haar arm. Zij had het kunnen uitschreeuwen van angst en pijn, maar op
dit oogenblik had zij noch angst, noch pijn willen missen, zij bedwelmde
zich zelf door haar eigen woorden, door zijn liefkoozenden druk, door
de schoonheid van den avond, door de geurende bloemen en de klanken
der muziek.
Toch had zij de kracht om zoo spoedig het kon op ernstigen toon te zeggen;
"Breng mij naar binnen. Men zal mij missen, en Mama is altijd zoo
bang voor kou vatten."
Zij drong hem als het ware weer het huis in en kwam toen bij haar moeder
zitten doodsbleek, met schitterende oogen, met een gevoel of zij baar
krachten had uitgeput.
"Kind, wat scheelt je?" vroeg Mevrouw Van Meylingen, "waar
ben je geweest."
"Even in den tuin. Ik ben koud geworden."
[99:]
"Maar hoe onvoorzichtig ook!"
En tegen haar buurdame begon mevrouw Van Meylingen een verhandeling
over Déa's onverschilligheid omtrent haar gezondheid en haar
eigen vrees voor het indische klimaat. Dat onderwerp maakte Yvo zoo
wee, dat hij met een buiging de dames groette en naar het naaste salon
ging.
Een paar kennissen, die tevergeefs de ijsbruid - zoo noemden zij Déa
- hadden trachten te ontgloeien, kwamen hem tegen en namen hem mee om
een glas champagne te drInken.
"Je bent toch een gelukkige kerel," zei een luitenant, zoo'n
prachtbruidje te mogen trouwen voor je beste vrind. Dat overkomt niet
ieder."
"Nu hij zou er nog beter aan toe zijn als hij haar trouwen mocht
voor zich zelf. Déa van Meylingen gaat niet alleen voor een mooi,
maar voor een lief meisje door."
"Zij is eenvoudig, niets geaffecteerd," zeide een oude heer,
"en dat is in onzen tijd van vreeselijke, ontzettend, typische
nuffen,een voorrecht zonder weerga. Dat maakt Déa tot zoo'n rara
avis, een zeldzamen vogel. Je vriend mag van geluk spreken, Sterna."
"Ja dat geloof ik ook," antwoordde hij oprecht.
"Pas maar op je eigen hart, hoor! Word geen Tristan; een verduiveld
leuk idée om nu een vertooning te geven van dat ongelukkige paartje.
Ik hoor dat de oude heer Van Meylingen er niets over gesticht was."
"Je zult mij voor heel dom aanzien, maar in het land waar ik vandaan
kom, daar weten zij bitter weinig af van zulke sprookjes. Wie waren
die lui."
"Verbeeld je die lui! Tristan en Isolde, wel dat is een opera van
Wagner, ontleend aan een ouden ridderroman. Meneer Tristan was zoowat
in jouw toestand. Hij moest voor een ouden oom van hem een jong meisje
opvrijen en haar over de zee gaan halen.
Nu bazelen zij wel van een tooverdrank, die hen
[100:]
plotseling op
mekaar verliefd maakte, maar wie een beetje menschenkennis heeft, begrijpt
dat alles ook even goed zonder tooverdrank kon komen. Isolde kende haar
man niet, maar zag wel zijn knappen afgezant; die ook zoo wat met den
handschoen met haar moest trouwen. Dat was vuur bij stroo. 't Zou vreemd
zijn geweest als de zaak anders was geloop en. Je ziet het is heel toepasselijk
op het geval van jou en Déa!"
Het bloed steeg Yvo naar de wangen, hij zette zijn glas zoo hard op
het buffet, dat het in stukken knapte.
"Als zij dat met zoo'n bedoeling gedaan hebben is het een gemeenheid,
en nog gemeener is het wanneer iemand daaruit gevolgtrekkingen durft
maken over dingen, waarvan hij niet het minste begrip heeft. Wie dat
nog eens durft zeggen, moet maar bij mij komen, ik ben altijd voor hem
te spreken."
En zonder een woord meer te zeggen ging hij heen, en liet de groep jongelui
onthutst staan.
"Hoe kinderachtig daar zulk een drukte van te maken! 't Was maar
gekheid, een grap. 't Lag immers voor de hand. Je moet er zoo'n halve
wilde voor zijn als Yvo Sterna om dat kwalijk te nemen."
Hij liep voort als in een droom, als iemand, die een zwaren slag tegen
het hoofd heeft ontvangen; alles was hem nog donker voor den geest,
maar hij wist dat straks de wolken zouden trekken en hij schrikte voor
hetgeen hij dan zien moest.
Onwillekeurig ging hij weer den tuin in; 't scheen wel uren geleden
dat hij daar wandelde met Déa. Zij had hem niet de geschiedenis
van Tristan en Isolde willen vertellen, zij schaamde er zich voor; daarom
vermeed zij hem, daarom sprak zij er over heen. Hoe ongelukkig dat door
al die dwaasheden dit tusschen hen was gekomen, hun verhouding was zoo
aangenaam, zoo vrij, zoo zeker geweest, en dat zij anders was geworden,
kwam zeker door het praten der menschen, ja, door niets anders!
[101:]
Hij wilde haar ontmoeten, heel gewoon, of er niets gebeurd was;
toch voelde hij zich geagiteerd, toch trilde elke vezel in hem, toen
de huisheer hem toefluisterde dat bij zijn officieele bruid moest vragen
met haar te soupeeren; hij kon er zich niet aan onttrekken, maar hij
voelde smartelijk hoe de fijne snaren van haar gemoed aangedaan moesten
zijn, bij de gedachte dat iedereen hen gadesloeg, ieder over hen sprak.
O, die wreede, booze wereld! Wat hij haar nu baatte, wat zij hem laag
en laf voorkwam, hoe hij gaarne haar ontvlucht was, hoe spoediger, hoe
liever!
Hij bracht haar de boodschap over en vroeg of zij er niets tegen had;
zijn stem beefde, onwillekeurig sloeg zij gen blik naar hem op, en vond
dat hij er vreemd uitzag; even ontmoetten hun oogen elkander en dadelijk
weer wenden zij ze verlegen af.
"Déa!"
"Ja, Yvo! Ik ga met je mee, mijnheer Dorens en zijn meisje soupeeren
met ons."
"Yvo!"
Voor het eerst had zij hem zoo genoemd; de heele zaal draaide rondom
hem; alles scheen in een waas gehuld. Hij voelde haar arm op den zijne,
maar hij wist niet, waarheen zij liepen. Hij duizelde van geluk en sidderde
van schaamte; alles scheen uit de verte tot hem te komen. Zij zat tegenover
hem en sprak, met de anderen, hortend en druk als zooeven in den tuin,
de oogen koortsig schitterend, de wangen hoog gekleurd. Zij at haast
niets, en raakte de champagne niet aan, er werd geklonken en getoast;
hij verstond er niets van, hij voelde niets dan een wild verlangen om
alleen te zijn, ver van die menscben, van die lichten, van die muziek,
alleen met zijn gedachten.
Het souper scheen hem eindeloos. Zij spraken nauwelijks samen, zij vermeden
elkanders oogen; toen zij opstonden en zijn hand de hare raakte, voelde
hij dat zij beefde, en dat zijn geheele wezen schokte
[102:]
en zijn
bloed bruiste tot in de toppen zijner vingers.
"O die ellendelingen, dat is hun tooverdrank, alles hebben zij
er op aangelegd om ons te verderven," toornde het in hem, "ik
moet weg, ik kan niet langer blijven."
Toch kon hij niet heen; hij bleef staan en zag haar uit de verte aan,
zijn blikken dronken haar schoonheid. Het vergif sloop in zijn aderen,
deed zijn hart tot berstens toe kloppen, en zonder ophouden herhaalde
hij tot zich zelf:
"Ik ben een lafaard. Ik verdien hun aller verachting. Wat heb ik
gedaan?"
Hij zag haar lachen zoo vreemd, maar, toch mooier en bevalliger dan
ooit; bij het heengaan verontschuldigde hij zich en ging te voet naar
huis, in plaats van met de familie zooals hij gekomen was.
Eindelijk liep hij alleen in den koelen lentenacht; zijn hoed hield
hij in de hand en liet den wind zijn gloeiende slapen verfrisschen.
"Wat moet ik beginnen?" vroeg hij zich af, "wij zijn
verloren."