VI.
Den volgenden morgen
scheen mevrouw de Roze echter iets beter; zij vroeg om in den grooten
stoel op te zitten en toen zij daar tusschen de kussens zoo gemakkelijk
lag, begon zij niet dadelijk weer te hoesten; zij gebruikte met smaak
een kopje bouillon en ontving de goede mevrouw Vonkers, die haar wat
ingemaakte vruchten bracht, vriendelijk en zelfs opgeruimd.
Zoo ging het een paar dagen; mijnheer de Roze scheen ook goeden moed
te hebben; hij sprak er van hoe goed
[32:]
het voor zijn vrouw
en ook voor Angelientje zou wezen, als ze eenige weken te Buitenzorg
doorbrachten, ze hadden daar goede vrienden; en zoodra de krachten der
zieke teruggekeerd waren, zou hij hen daarheen brengen. Hielp dit niet
spoedig genoeg, dan zou hij er misschien toe besluiten zijn vrouw en
kind naar Europa te zenden, doch voorloopig kon een verblijf te Buitenzorg
hare geschokte gezondheid voldoende herstellen.
Mevrouw luisterde glimlachend en zeide alleen:
"Beste man, je weet het immers: de mensch wikt en God beschikt."
's Avonds toen zij te bed lag, en Angelientje haar den nachtkus kwam
geven, zeide zij nog:
"Ik geloof dat de mail morgen sluit. Je moet een briefje schrijven
aan Rudolf, maar zeg hem niet dat ik ziek ben."
Die gedachte aan den afwezigen zoon verliet haar geen oogenblik.
Angeline beloofde het en ging rustig en vol hoop naar bed.
Zij sliep, zooals men op dien leeftijd slaapt, aan één
stuk door tot 's morgens; toen het licht begon te worden; voelde zij
een zachte hand langs haar gelaat.
"Mama," zeide ze nog half slapend.
"Angelientje!" sprak een vreemde stem en de oogen opslaande
herkende zij mevrouw Vonkers. "Je moet opstaan!"
Verward keek het kind rond:
"Wat is u vroeg hier, lieve mevrouw!"
"Ik zal je aankleeden en dan moet je met Jeanne wat gaan spelen
in onzen tuin. Jeanne is een beetje verkouden en mag niet hier komen."
"Slaapt mama nog?"
"Ja zij slaapt. Spoedig, hier is je baatje; strijk je haar maar
wat glad en kom met mij mee!"
Het was nog half donker buiten, de voordeur stond open, maar de vensters
waren nog dicht.
"Mag ik even naar mama kijken?" vroeg het meisje.
[33:]
"Je zoudt
haar wakker maken. Spoedig maar, kom mee."
Angelientje voelde dat er iets bijzonders was gebeurd, zij zag een vreemden
hoed op tafel liggen en een stok.
"Van wien is dat?" vroeg zij met achterdocht.
"Wat ben je nieuwsgierig, foei Lientje, dat staat niet mooi."
Mevrouw Vonkers bracht zelf het meisje naar hare woning in de slaapkamer
van Jeantje, en gaf beiden verlof samen naar de badkamer te gaan; vervolgens
ging zij naar haar man, sprak een oogenblikje fluisterend tegen hem
en ging weer heen.
Angeline werd hoe langer hoe ongeruster, maar toen zij zag dat hier
alles bij het oude was, besloot zij maar rustig met Jeanne te gaan baden
en zich op haar gemak te kleeden.
"Wat denk je, zou ma erger zijn?" vroeg zij Jeanne.
"Wel neen, dan zou je haar immers moeten oppassen?"
"Zullen we naar huis gaan?"
"Mama heeft verboden het erf te verlaten!"
Ondertusschen werden de andere kinderen wakker, Jeanne hielp hen kleeden
en Angeline deed ook meê, maar daarna gingen zij ontbijten en
touwtje springen; Angeline's gedachten waren onophoudelijk thuis.
Eindelijk, om negen uur, kwam mevrouw Vonkers terug; zij had roode oogen
en hield den zakdoek voor het gezicht.
"Mevrouw, mevrouw," riep Angeline angstig, "zeg mij de
waarheid. Is mama erger"
Mevrouw nam haar bij, de hand naar de achtergalerij en zeide toen op
ernstigen toon: "Ja Angeline, mama is vannacht erger geworden,
zij heeft weer een zware bloedspuwing gehad; er zijn drie doktoren bijgekomen
papa heeft mij vannacht gehaald."
"En hoe is 't nu?" snikte zij.
Ondertusschen was mijnheer Vonkers binnengekomen en terwijl Angelientje
haar gelaat in den schoot der goede
[34:]
mevrouw verborg,
gaf deze haar man een teeken, dat hij wel begreep.
"Hoe het nu? ging zij tegen het arme kind voort, "'t is zeer,
zeer erg!"
"O mevrouw," riep het arme kind op hartverscheurenden toon,
"zeg mij de waarheid, ik heb geen mama meer!"
"Je mama is in den hemel, Angelientje, en van daar uit zal zij
voor hare kinderen zorgen!"
"Ik geloof het niet. Zij was gisteren zoo wel en zoo opgeruimd.
Och mevrouw ik wil haar zien, breng mij bij haar en bij papa!"
"Wees bedaard Angelientje en vermeerder het verdriet niet van je
vader. Hij gaat er zwaar genoeg onder gebukt."
Eerst tegen den middag stond mevrouw Vonkers het kind toe naar huis
te gaan en mama's levenloos lichaam te zien. De ontmoeting tusschen
vader en dochter was voor beiden een droevig oogenblik.
"Je blijft me nu alleen over, mijn arm Lientje," snikte de
ongelukkige man, "in een jaar tijds alles verloren, behalve mijn
kinderen. Ach, wat beteekenen geld en goed in vergelijking van den schat,
die mij ontnomen is."
Daags daarna werd mevrouw de Roze begraven en de belangstelling in het
treurige lot der overgeblevenen was groot.
Mijnheer en mevrouw Vonkers beredderden het voornaamste en toonden zich
nu alweder wat zij altijd geweest waren; trouwe, beproefde vrienden.
Angelientje bleef bij Jeanne slapen en keerde niet naar het eenzame
huis terug.
Haar eerste werk, toen de grootste smart voorbij was, gold het schrijven
van een brief aan Rudolf.
"'t Is het laatste wat mama mij heeft opgedragen," zeide zij,
"ik moet het dus doen, maar ach! ik ben nu wel verplicht over mama's
ziekte te spreken, nu zij
" 't Verschrikkelijke woord kon
niet over hare lippen komen.
[35:]
Zij schreef dan
ook aan Rudolf een heel lief aandoenlijk briefje, geheel uit haar hart
gevloeid, waarin zij alles schreef, wat mama in den laatsten tijd over
Rudolf gezegd en haar opgedragen had. De brief werd aan haar vader ter
verzending gegeven.
Ongelukkig was mijnheer de Roze, die ook aan zijne Hollandsche familie
schreef, geheel en al in de war en vergat door de drukte het briefje
zijner dochter bij de zijne in te sluiten, zoodat het tusschen zijn
papieren verward raakte en Rudolf het nooit ontving.
Eenige dagen na de begrafenis, toen Angelientje 's avonds reeds naast
Jeeanne lag te rusten, kwam mijnheer de Roze bij zijn vrienden en sprak:
"Beste Vonkers en goede mevrouw, ik zal u nooit genoeg kunnen danken
voor alles wat u in deze smartelijke dagen hebt gedaan, zoowel voor
mijn arme vrouw, als voor Lientje en voor mij!"
"Ach," zuchtte mevrouw, "had ik toch duizendmaal meer
voor mijn lieve Fanny kunnen doen eh haar in 't leven mogen behouden."
Mijnheer Vonkers, die niet 'van lange redeneeringen hield, voegde er
bij:
"Als ik je nog meer van dienst kan zijn, moet je het maar zeggen!"
"Ik kwam u beiden spreken over onze toekomst. U weet dat de zorg
van Rudolf mij niet meer drukt; zijn peettante, een rijke dame, wier
eenige erfgenaam hij denkelijk zal worden, wil geheel en al voor zijn
opvoeding zorgen en Angelientje..."
"Angelientje blijft bij ons, niet waar, Vonkers?"
"Als ik het tegendeel zei, dan zou mejuffrouw Jeanne er wel tegen
opkomen!"
"Dat kan niet, hoe dankbaar ik ook voor uw voorstel ben."
"Maar u is toch van plan uw huishouden op te breken?"
"Helaas ja, ik kan niet anders. Hoe lief ik ook mijn tehuis heb,
zoo zie ik wel in, dat het voor mijn finantiën
[36:]
veel beter is,
dat ik in een of ander pension mijn intrek neem."
"Word dan onze commensaal," zeide doodbedaard mijnheer Vonkers,
"of ge je kostgeld aan zoo'n hotelhouder uitgeeft of aan ons, dat
zal wel hetzelfde zijn."
"Maar uw huis is te klein!"
"We waren reeds lang van plan een ruimere woning te betrekken;
de kinderen worden grooter en als we dan een afzonderlijk paviljoen
bij ons nieuw huis kunnen vinden, dan kan u dat betrekken, terwijl Angelientje
bij Jeantje blijft logeeren."
"Mevrouw, u voorkomt mijne wenschen; ik verlang niets liever; u
weet dat Fanny haar kind aan niemand liever dan aan u zou toevertrouwen;
ik neem uw regeling dankbaar aan, maar slechts voorloopig."
"Hoe zoo voorloopig?"
"Ik ben van plan Angelientje naar Europa te sturen."
"U scheiden van dat kind!"
"Ik verwacht nog brieven van hare oud-tante; zoo deze mij aanraadt
haar weg te zenden, dan zal ik het ook doen. Ik mag de toekomst van
mijn kinderen niet in de waagschaal stellen."
"Maar mijn beste de Roze, wat zou uw Angelientje in Holland doen;
zij is hier geboren en opgegroeid, hier heeft zij bekenden en vrienden,
maar daar... Zal die tante wel erg gesteld zijn op die bezendingen van
neven en nichten uit de Oost?"
"Ik kan haar niet toevertrouwen aan mijn naaste familie. Ik heb
nog drie broers, heereboeren op een dorp in den een of anderen Hollandschen
achterhoek; aan hen kan ik toch haar opvoeding niet overlaten. Vroeger
heb ik met mijn arme Fanny een harden strijd gehad over het naar Europa
zenden van dien grooten Dolf, doch, het staat bij mij vast, dat mijn
kinderen een Hollandsche opvoeding zullen ontvangen en dus komt Angelientje's
beurt om te vertrekken heel spoedig."