V.
Eens, terwijl mevrouw Vonkers bij de zieke zat en nadat Jeantje haar vriendin had gehaald om met haar te wandelen, kwam Angeline in den donker tehuis.
[30:]
Het licht was niet
opgestoken in de voorgalerij en dus konden de beide heeren, die daar
op en neer liepen, haar niet zien aankomen, Juist wilde het meisje de
trap opgaan, toen zij haar papa hoorde zeggen op een wanhopenden toon:
"Vonkers, Vonkers, wat moet ik beginnen als zij sterft!"
Met een gil van ontzetting vloog het meisje naar haar vader toe en jammerde:
"Och papa, is 't waar, kan mama dan sterven?"
"Was jij daar? Ik wist het niet, mama is heel erg, Lientje. Bid
Onzen Lieven Heer, dat Hij haar spare voor ons! En vooral laat mama
het niet merken dat wij vreezen voor haar."
"Is zij dan erger?"
"Neen, dat niet, maar zij wordt zwakker en zwakker."
Den volgenden morgen, toen papa in de stad was, en zij alleen met een
diep bedroefd hartje haar werk zat te maken in de ziekenkamer, riep
de zwakke stem der kranke haar.
Zij stond dadelijk aan 't ziekbed en vroeg op teederen toon wat mama
beliefde.
"Zeg me eens de waarheid, Lientje, weet je ook of er al gesproken
is door papa of door mevrouw Vonkers, dat ik in gevaar ben van sterven?"
Angelientje durfde niet jokken, en ze wist dat de waarheid gevaarlijk
voor de lieve zieke kon worden.
"Och maatje lief," snikte zij, "praat daar niet over!
Ik heb Onzen Lieven Heer zoo vurig gebeden dat u weer beter zou worden
en Hij verhoort immers altijd het gebed van gehoorzame kinderen?"
"Angelientje, Onze Lieve Heer weet beter wat goed voor ons is en
dus zal Hij je gebed misschien niet verhooren. Ik vrees dat dit mijn
laatste ziekte is; wanneer ik er dan niet meer ben... maar kind, wees
toch bedaard. Als je zulk een misbaar maakt, word ik zeker erg. Hoor
nu goed naar hetgeen ik je zeg. Ik geloof niet dat je veel
[31:]
denkt aan je broer
Rudolf, je hebt hem geheel vergeten. Als papa je misschien naar Holland
zendt, moet je voor hem altijd een goed zusje zijn en hem veel van mama
en papa vertellen... geef hem altijd een goed voorbeeld."
Angeline kon geen woord spreken van het snikken en overlaadde haar mama
met liefkoozingen.
Na een poos ging de zieke voort:
"Lieve kind, stel je toch niet zoo aan! Heb je dan vergeten dat
het sterven niets anders is dan een overgaan tot een ander leven, een
gelukkiger leven dat dit? Mama zal altijd bij haar kinderen blijven,
al zien zij haar ook niet, ik heb je niet gezegd hoe je jegens papa
moet wezen, dat weet je reeds al te goed, maar die arme Rudolf
"
Een zware hoestbui waarschuwde haar, dat zij reeds te veel had gesproken;
Angelientje gaf haar mama te drinken en bleef den geheelen dag onophoudelijk
naast het ziekbed.
Dien nacht sliep zij zeer onrustig, dikwijls sprong zij op en sloop
op haar teentjes naar de ziekenkamer. Papa zat echter rustig te lezen
in den grooten luiaardstoel en zij hoorde het zware ademhalen der zieke,
dit stelde haar gerust en zij trachtte opnieuw in te slapen.