[37:] VII.
Voor den tweeden
keer werd er vendutie gehouden in het huis van den heer de Roze; 't
was nu een heel eenvoudige inboedel, en toch kostte het scheiden van
die weinige meubels Angelientje meer tranen dan vroeger van alle pracht
in de groote woning. Zij was in de laatste maanden veel verstandiger
geworden en begreep het nu eerst goed, dat zij geen eigen tehuis meer
zou hebben en onder vreemden ging; want hoe goed de familie Vonkers
ook was, het was toch altijd een andere omgeving, die noch hare ouders,
noch haar toebehoorde.
Gelukkig brengt de tijd aan de bitterste smart eenigen troost aan en
dit ondervond ook Angelientje: spoedig begon zij weer wat pleizier te
krijgen in het leeren en spelen, en al schreide zij soms in bed zich
in slaap bij de herinnering aan; haar lief mamaatje, toch waren er zeer
dikwijls oogenblikken, dat zij recht vroolijk en onbezorgd kon zijn
als vroeger.
Toen het tijd was om 't antwoord te ontvangen op de brieven, die den
dood van mevrouw de Roze in Holland hadden bekend gemaakt, verlangde
zij zeer naar een woord van Rudolf, maar ach! er kwam wel een zeer bedrukte
brief van hem aan papa, doch aan haar geen woord.
Angelientje zweeg echter over hare teleurstelling, om papa niet boos
te maken tegen Rudolf, en daarbij kwamen nu weer andere zorgen voor
haar.
Tante Rudolphine schreef, dat Angelientje niet tuschen de wilden mocht
opgroeien en dus naar Holland moest gaan met de eerste de beste gelegenheid;
er was een goede school pas opgericht in de stad, waarin tante woonde,
daar kon zij heengaan en bij tante het overig van den dag en nacht doorbrengen.
Verder deed tante - maar dit vertelde papa aan Angelientje niet - vrij
duidelijk voelen, dat zij voor het meisje
[38:]
wel zorgen wilde,
maar dat zij niet moest denken evenals Rudolf, ten hare laste te komen.
Niettegenstaande mijnheer en mevrouw Vonkers hun best deden mijnheer
de Roze over te halen, zijn dochtertje hier te laten, bleef hij op zijn
stuk staan en nam zijn maatregelen om haar toe te vertrouwen aan een
familie, die toevallig naar Europa vertrok en die hij bijzonder goed
kende.
Zoo deze goede gelegenheid zich niet juist op dit tijdstip had aangeboden,
misschien ware Angelientje's vertrek dan tot een onbepaaldentijd uitgesteld
geworden, maar nu of anders in geen jaren bood zich een geschikt gezelschap
aan, en alzoo werd tot de scheiding van vader en dochter besloten.
Angelientje zag er niet erg tegenop: zij verlangde zeer naar Rudolf;
daarbij was zij nog jong genoeg om in elke verandering van lot niets
dan de aangename zijde te zien.
Toch was het hard genoeg afscheid te nemen van dien armen, lieven papa
en de goede familie Vonkers.
Kleine Jeanne wat zielsbedroefd toen zij hare vriendin reisvaardig zag,
en daar mijnheer zijn dochter aan boord wilde brengen, vonden papa en
mama het maar beter 't afscheid bij hen thuis te nemen.
Er werden veel traantjes vergoten; mevrouw Vonkers drukte haar pleegkind
nogmaals op het hart, de lessen en wenken van haar overleden mama stipt
te volgen; mijnheer raadde haar aan toch vooral goed te eten, daar zij
anders te zwak zou worden voor hare studiën en Jeantje gaf haar
nog een klein album tot souvenir, terwijl de andere kinderen aan hare
kleederen hingen en riepen:"Kom toch spoedig terug!"
Eindelijk reed de huurwagen naar de stad; Angelientje hield gedurende
de lange rit onophoudelijk papa's hand in de hare en zag met schrik,
dat men hoe langer hoe dichter kwam bij de Chineesche huizen en de akelige
doodsche straten van de stad, die er lang zoo frisch en vroolijk niet
uitzagen als de mooie wijken van Welte
[39:]
vreden, waar Angelientje
haar gelukkige jeugd had doorgebracht en die zij misschien nimmermeer
zou terugzien.
Bij den Boom (de plaats vanwaar het kleine stoombootje afvoer naar het
groote schip) stonden veel menschen bijeen, o.a. ook de ouders van Emilie,
die goede vrienden van hen wegbrachten.
Angeline stond verlegen naast haar papa bij de familie te praten, die
haar onder bescherming zou nemen en merkte niet op, hoe Emilie haar
onophoudelijk aankeek. Eindelijk, toen het oogenblik van vertrekken
was aangekomen, kwam toevallig de kleine nuf, die zich al verbeeldde
een halve dame te zijn, vlak naast haar voormalige vriendin te staan
en Angelientje kon zich niet weerhouden om te zeggen:
"Dag Emilie."
"O, ben jij dat, Lientje, ga je naar Holland?"
Angelientje knikte met betraande oogen van ja.
"Dat zal je wel plezier doen; zeg, weet je dat wij de volgende
maand in je oude huis komen te wonen?"
"Neen, dat weet ik niet."
"En ik krijg jou paviljoentje tot mijn eigen kamer. Ik verlang
niet naar Holland te gaan, maar in jou plaats! Nu adieu, goede reis!"
Dit afscheid was dus noch hartelijk, noch aandoenlijk, en eenigen die
vader en dochter op het bootje zagen stappen, zeiden:
"Dat arme kind, wat is haar lot veranderd! Anderhalf jaar geleden
werd zij door iedereen benijd; dat komt nu van het verwennen der kinderen.
Nu valt haar die ontbering dubbel hard!'
Och, ze hadden eens moeten weten, hoe niets het arme Angelientje zwaarder
viel dan het missen harer ouders.
Eenige uren later stond een meisje, over de verschansing van een groot
schip geleund, te wuiven met haar zakdoek naar een stoombootje, dat
zich snel in de richting der kust verwijderde, waar ze heel onduidelijk
een heer in 't wit gekleed zag staan, die haar ook
[40:]
met zijn hoed een
laatst vaarwel toeriep.
Eindelijk verdween alles in het verschiet en Angelientje viel bitter
schreiiend op een bank neer, want nu eerst voelde zij zich alleen.