IV.
Treurige dagen waren
het die volgden op het gelukkige verjaringsfeest van de twaalfjarige
Angeline.
Zij ging nog altijd naar school en vertelde er niets van aan mama dat
Emilie hoe langer hoe koeler tegen haar werd en de andere meisjes, al
waren die niet zoo nuffig, toch lang niet meer zoo lief schenen als
vroeger.
Maar mevrouw Vonkers en Jeanne overlaadden haar met allerlei kleine
oplettendheden, en dit vertelde zij wel thuis.
Papa was in dien korten tijd zeker tien jaar ouder geworden en mama
droeg haar mooie zijden japonnen
[25:]
niet meer, en ofschoon
zij in tegewoordigheid van papa altijd even kalm en gelaten scheen,
als zij alleen was en hare mooie meubels en bijouteriën aanzag
merkte Angelientje duidelijk genoeg dat hare oogen vochtig werden.
Alles werd voor de vendutie in orde gemaakt en men ging het kleine huis
zien, dat niet ver van Jeanne's woning af lag. Er waren maar twee kamers
behalve de voor- en achtergalerij en een heel klein tuintje van voren,
maar het was groot genoeg voor hun drieën.
De kokkie [Keukenmeid] met Djêba, haar dochtertje en Kebon bleven
de familie alleen over van hun grooten stoet bedienden. De eenvoudigste
meubelen werden naar het nieuwe huis overgebracht, de andere moesten
verkocht worden evenals het speelgoed en de boeken van Angelientje.
Dat was ook een verdrietig oogenblik, dien Zaterdagavond, toen alles
in huis gearrangeerd was voor den kijkdag van morgen, zoo netjes als
op den dag van het bal en mevrouw nog eens alle kamers doorliep, om
te zien of alles in orde was, eigenlijk om een laatst vaarwel toe te
roepen aan die plaatsen, waar zij zoo gelukkig was geweest.
Ook Angelientje ging voor het laatst naar haar paviljoentje en zag naar
die mooie poppenmeubeltjes en al dat op een tafel uitgestald speelgoed,
dat alles nog even goed, als nieuw was, want netheid behoorde tot hare
hoofddeugden en snel wischte zij een traantje weg. Het serviesje had
ze mogen behouden, de beide poppen ook, en Robinson Crusoë erbij,
maar het kon haar niet schelen of zij in 't nieuwe huis geen speelgoed
had. Er moest een ander leven voor haar beginnen en zij vond het nu
wel aardig dat mama haar meer als een groot mensch behandelde en vooral
haar plan goedkeurde om te studeeren vóor haar examens.
Maar toch, nu het op scheiden aankwam, viel het haar
[26:]
zeer hard het kamertje
en het tuintje te verlaten; mama riep haar, want voor het laatst zou
hun eigen rijtuig hen naar het nieuwe huis brengen; natuurlijk kwam
er voortaan niets meer in van eigen equipage houden.
Eenige oogenblikken later reden zij weg en twee dagen later behoorde
niets meer van den keurigen inboedel aan hare lieve ouders.
Toch schikte Angelientje zich heel spoedig in haar nieuw leven; het
huisje zag er zoo niet rijk, maar toch netjes en, vriendelijk uit. Papa
ging elken morgen met de tram, die niet ver vandaar voorbij kwam, naar
de stad, mama gaf haar nu zelf pianoles in plaats van den strengen muziekmeester,
en zij ging te voet naar het dichtbij gelegen huis van mevrouw Vonkers,
die hare vriendin in het ongeluk trouw bleef.
Noch Emilie, noch hare ouders kwamen meer een bezoek brengen bij hun
vroegere vrienden en Emilie ging naar een andere school. Angelientje
was hier niets verdrietig over; zij had genoeg aan de vriendschap van
haar lieve Jeanne die met hare jongere broertjes en zusjes alle middagen
met haar kwam spelen.
De pop verdween langzamerhand, en ook Beatrice werd spoedig het uitsluitend
eigendom van de jongere Sientje Vonkers, want de twee vriendinnen vonden
gelegenheid genoeg elkander te amuseeren.
Partijen werden er wel niet meer gegeven, maar toch, zij hadden pleizier
genoeg als mama zich soms voor de piano - die uit de schipbreuk gered
was - neerzette en vroolijke deuntjes speelde, waarop Angelientje met
haar kameraadje dan vroolijk rondsprongen.
Soms ging zij met papa meerijden in de tram en dan bracht Kromo haar
terug, en er was geen feestje bij mevrouw Vonkers, of Angelientje behoorde
tot de eerste der genoodigden.
Of pa en mama zich evengoed wenden aan het nieuwe
leven als hun dochtertje, dit vertelden zij haar natuurlijk niet. Mijnheer
had een betrekking gekregen op een
[27:]
kantoor, hij, die
eenige maanden geleden nog chef was geweest van een groot handelshuis;
mama nam bedaard en kalm haar huishouden waar, evenals vroeger in het
groote huis op het Koningsplein, en alleen mevrouw Vonkers merkte op,
dat zij in den laatsten tijd soms erg bleek en afgemat van uiterlijk
was, en vriendelijk raadde de vriendin haar aan, zich wat meer rust
te gunnen.
Een zware last was echter van hunne schouders genomen; de opvoeding
van Rudolf. Een oud-tante, wier pete-kind hij was, beloofde daarvoor
te zullen zorgen, en dit was eene groote verlichting voor de verarmde
familie. Zoo ging er dus langzamerhand een jaar om en weer was het Angelientje's
verjaardag.
Weer stond mama voor haar ijzeren ledikantje en kuste haar wakker, en
als het kon met nog meer teederheid dan het vorige jaar, drukte zij
haar lieveling aan het hart. "Mama," vroeg Angelientje, "is
u tevreden over mij? Ik heb het geheele jaar geen enkelen keer,"
fluisterde zij zachtjes, "gejokt."
"Ja, mijn attie, je bent mijn grootste geluk. God zij dank, dat
we ons geld en goed, maar niet jou verloren hebben."
Papa drukte haar vluchtig een kus op de wangen en scheen haar niets
te willen zeggen; misschien vreesde hij aangedaan te worden en onder
haar servet lagen nog een paar geschenkjes, nuttige boeken en een mooie
haakpen, waarvoor zij even hartelijk papa en mama bedankte als het vorige
jaar voor de rijke cadeaux.
Jeantje kwam dien dag weer bij haar doorbrengen en het eerste wat deze
haar in vertrouwen zeide, was:
"Wat ben ik blIj dat die akelige Emilie er niet meer is."
's Avonds speelde men "zwarte Piet," papa, mama, mijnheer,
mevrouw en Kareltje Vonkers speelden mee. Om tien uur ging men naar
huis en papa vroeg zijn dochtertje
"Heb je pleizier gehad?"
"O papa, evenveel als het vorige jaar!"
[28:]
Werkelijk, Angelientje
betreurde hare vroegere weelde niet meer. Zij was nu immers ook gelukkig
in de liefde van hare ouders; en nu zij deze nog had, kon zij zich gemakkelijk
troosten in het gemis van al den rijkdom, dat zij, jong als ze was,
nu niet meer voelde.
Eens, dat zij van school tehuis kwam, vond zij de trouwe Kokkie haar
opwachten voor het hek.
"Njonja sakiet," zeide zij, "toewan Dokter belon dateng!"
[Mevrouw is ziek en de dokter is nog niet gekomen.]
"Mag ik niet naar mama gaan?" vroeg zij.
"Ja, maar plan-plan." [Langzaam]
Angelientje dacht aan dien treurigen dag in het groote huis, toen mama
ook te bed had gelegen, en ongerust legde zij hare boeken in de acbtergalerij
neer en sloop in de slaapkamer.
Mevrouw scheen te sluimeren en wat haar vooral verwonderde was, dat
papa reeds uit de stad terug was en nu naast het bed zat met een zeer
bezorgd gelaat.
"Is de dokter er nog niet?" fluisterde hij. Angelientje kwam
nader en mevrouw sloeg de oogen op.
"Wat scheelt u, mama?" vroeg zij half snikkend.
"Och kind, 't is niet erg," en nu eerst viel het haar op hoe
doodsbleek de zieke was. Zij kuste het koude gelaat harer moeder en
daar juist de dokter voor de deur stilhield, stond papa op en wenkte
haar uit de kamer te gaan.
Van Kokkie hoorde Angeline dat mama een bloedspuwing had gehad; de dokter
bleef lang binnen en toen hij naar buiten ging, hoorde zij hem tegen
haar vader zeggen:
"Rust, niets dan rust!"
Nauwelijks was de geneesheer weg, of mijnheer de Roze riep zijn dochtertje
bij zich en zeide haar zeer ernstig:
"Mama is zeer ziek, Angelientje, en moet vooral rust
[29:]
hebben; daarom
mag zij zich niet meer met de huishouding bemoeien. Ik moet alle dagen
naar de stad en dan is zij geheel alleen, maar je bent nu dertien jaar,
dus geen kind meer. 's Morgens moet je met Kokkie naar de dispens [Provisiekamer]
gaan en haar de noodige inlichtingen geven voor het middageten; verder
zal ik mevrouw Vonkers verzoeken je werk op te geven, dat je heel stil
in mama's kamer moet afwerken, of wel, je houdt je bezig met een handwerk,
en zorgt er voor, mama op den bepaalden tijd haar medicijn in te geven.
Van naar school gaan komt natuurlijk in den eersten tijd niet, want
mama's ziekte kan zeer lang duren."
"En wordt mama dan beter?"
"We willen het hopen, kind, als je goed oppast dan zeker wel!"
Zoo veranderde dus Angelientjes leven alweder en zij deed haar plicht
onverbeterlijk. Mevrouw Vonkers kwam elken middag na twaalf uur in haar
donker zijden kimono, met een pajong [Zonnescherm] boven het hoofd,
naar de zieke kijken en keerde 's avonds terug, om haar gezelschap te
houden; nu en dan mocht mama opzitten in den grooten luiaardstoel, maar
gewoonlijk overviel haar dan zulk een zware hoestbui, dat papa haar
maar spoedig weer naar bed droeg; zij werd bij den dag zwakker en zwakker
en niettegenstaande al de lekkere soepjes, die Kokkie op Angelientjes
verzoek voor haar kookte, bleef de eetlust geheel weg.