XXIV.
De leermeesteressen
van het instituut Bonnier waren allen hoogst tevreden over hun nieuwe
leerling.
Angeline, reeds vroeg ernstig geworden door haar vele en treurige lotgevallen,
begreep zeer goed dat zij door niet te leeren en veel te spelen zich
zelve meer ondienst bewees dan haar leermeesteressen, dat het wel heel
aardig is den lachlust op te wekken der medeleerlingen, door ten koste
van de dames een grap uit te halen, of haar ongehoorzaam te zijn, maar
dat het toch veel verstandiger is de lessen te kennen en door gehoorzaamheid,
vlijt en gedienstige beleefdheid met haar op een goeden voet te blijven
en zich haar gunst waardig te maken.
Toch was Angeline vroolijk en vriendelijk genoeg, om de vriendschap
en genegenheid van haar kameraadjes te winnen en zelfs over haar eenige
macht te verkrijgen,die zij steeds ten goede aanwendde.
Zoo verliepen er dus twee maanden en hoe goed Angeline het ook op school
had, met verlangen zag zij altijd den dag tegemoet, dien ze bij de ooms
of wel - zooals zij het noemde - thuis mocht doorbrengen.
[142:]
Eens nadat zij
weer een dag uit geweest was, kwam Suze Meertens haar tegemoet en fluisterde:
"Groot nieuws! Er komt vandaag een nieuweling!"
Dat zou de eerste zijn na beider komst, en het hinderde Suze nog steeds
met hare vriendin de nieuwste te zijn.
Madame Bonnier riep Angelientje ook ter zijde en sprak als naar gewoonte
in het Fransch:
"Chère enfant, ik verwacht vandaag een nieuwe leerling,
een landgenoot je van u; ik stel haar dus onder uw bijzondere zorg.
Wees recht vriendelijk en voorkomend jegens haar, want zij moet nog
al verlegen en eenkennig zijn, maar vooral tamelijk achterlijk!"
Gaarne beloofde Angeline te doen wat van haar gevraagd werd, en verheugde
er zich op een Indisch kameraadje te krijgen.
Na de morgenklasse werd zij in de kamer van mevrouw geroepen en vond
daar een meisje grooter dan zij, dat de rug naar haar gekeerd had.
"Daar is nu uw vriendinnetje," zeide madame Bonnier en Angeline
legde vriendelijk de hand op den schouder der nieuwaangekomene.
Deze keerde zich eindelijk om en beiden riepen tegelijk: "Angelientje!"
"Emilie!"
En zij wierp zich om Angeline's hals en omhelsde haar luid snikkend.
"Ach, wat ben ik blij je te zien! Lientje, ik ben alleen in Holland."
"En leven je papa en mama nog?"
"Ja, allebeide."
"Dan ben je wel gelukkig. Ik ben heel en al wees."
Madame Bonnier kwam er tusschen:
"En kent ge elkander dus reeds, lieve meisjes," zeide ze,
"dat doet me groot genoegen. Hebt ge elkander in de Oost leeren
kennen?"
"Ja, in Batavia."
"O ik kwam zoo dikwijls bij Angeline, en 't was daar
[143:]
zoo pleizierig
aan huis. Weet je nog, Lientje, dat bal
"
"Ja Emilie; ik ben recht blij dat we weer eens over den ouden tijd
kunnen praten. Mogen we vóór het eten nog wat in den tuin
wandelen, madame?"
"Sans doute! Sans doute!"
Angeline dacht niet meer aan de trotsche houding, die Emilie vroeger
tegenover haar had aangenomen; zij vergaf en vergat alles, en Emilie,
die het alleen aan haar verregaande luiheid te wijten had, dat ze naar
Europa gestuurd was en nu op een vreemd pensionaat opgesloten moest
zijn, was innig blijde een oude vriendin te vinden.
Er werd veel gepraat en verteld en daar de algemeen beminde Angeline
hare oude kennis aan de andere meisjes voorstelde, en voor haar vriendschap
en bescherming verzocht, duurde het niet lang of Emilie werd met de
grootste beleefdheid door allen behandeld.
Ook wist Angeline in Emilie's afwezigheid de anderen voor te bereiden
op hare achterlijkheid in alle vakken van onderwijs, zoodat haar weinige
kennis met verschooning en zonder spotachtige opmerkingen beschouwd
werd.
Deze voorzorg was wel noodig geweest, want Emilie hoewel zij zich schaamde
over haar gebrek aan kennis bezat een groote hoeveelheid eigenwaan,
waardoor ze zich deze niet liet vergeven.
Zij vond op alles wat af te keuren en hield zich altijd met klem vast
aan haar eigen oordeel; daarbij was ze zeer trotsch op den rijkdom en
hoogen stand van haar ouders; allemaal eigenschappen, welke haar onder
meisjes van denzelfden leeftijd allesbehalve bemind maakten.
Doch terwille van Angeline zag men veel onaangenaams van haar over het
hoofd en Emilie - in plaats van hare vriendin erkentelijk te zijn voor
haar goeden invloed, vond dat zeer hinderlijk; zij vertelde zelfs aan
sommige meisjes het een en ander over Angeline's veranderd lot; hoe
zij vroeger wel heel rijk geweest was maar hoe later haar vader bankroet
had gemaakt, en dat zij elkander later op Batavia niet eens meer zagen.
[144:]
"Dat vind
ik heel leelijk van jelui gehandeld," was het korte bescheid, dat
Emilie echter op haar vertrouwelijke mededeeling ontving, en zij begon
in te zien dat Angeline veel te hoog aangeschreven stond bij hare medeleerlingen
en leermeesteressen om door hare verhalen hen tegen haar in te nemen.
Angeline maakte schitterende vorderingen; altijd was haar werk volmaakt
in orde, altijd ontving zij eervolle onderscheidingen, en Emilie daarentegen
werd dikwijls gestraft, veel beknord, vooral omdat haar onoverwinlijke
praatzucht en daaruit volgende onoplettendheid haar beletten in de klas
toe te luisteren. Zij was bovendien verregaand slordig in het afmaken
van haar werk, en maakte zich gehaat door haar wijsneuzigheid, die haar
belette ongelijk te bekennen.
Emilie werd dus hoe langer hoe jaloerscher op Angeline, en ofschoon
zij met graagte haar verzoek aannam om eens met haar mee naar huis te
rijden, maakte zij zich noch bij de ooms, noch bij nicht Mina bemind
door haar onaangename manier van doen, en oom Jozef zei zelfs later
tot Angeline alleen:
"Je bederft me voortaan niet meer de pret van den dag, door zoo'n
neuswijze snip mee te brengen; wij hebben genoeg aan jou gezelschap,
en dus volstrekt geen behoefte aan de tegenwoordigheid van die nuf."
Emilie had veel over de familie van haar vriendin te zeggen.
"Bah, het was er zoo boersch! Zij was ook wel eens buiten geweest
bij oom zus en tante zoo, maar daar heerschte een andere toon; dat waren
menschen comme il faut, terwijl ze niet het minste pleizier had gehad
in dat boerenhuis!"
Dit werd Angeline oververteld en zij besloot voortaan noch hare ooms,
noch Emilie. noch zich zelve meer een ondienst te bewijzen door haar
mee te nemen.
Hierover was Emilie echter zeer teleurgesteld; al had zij veel te zeggen
gehad op die boerenmenschen, zoo was
[145:]
zij toch heel gaarne in
hun kring, en vooral vond zij het dolprettig eens een dag van school
te kunnen gaan, maar nu scheen Angeline er niet eens meer aan te denken
haar een dag vacantie te bezorgen.
Zoo werden dan hare grieven tegen Angeline hoe langer hoe talrijker,
en deze vermoedde het niet eens; zij was nooit jaloersch geweest, op
wie dan ook, en begreep dus niet hoe een ander het op haar kon zijn.
Als sommige meisjes haar zeiden:
"Vertrouw die Emilie niet, zij is een valsche meid. Ze benijdt
je het licht van den dag," dan lachte zij er over en bij zichzelve
nam zij het besluit zich niet te laten opstoken tegen het arme meisje,
dat toch al zooveel moeite had om jongeren en kleineren dan zij vooruit
te komen.