XXIII.
De winter was te
Koningsbosch omgevlogen tot Angelientje's groote verwondering, want
zij had altijd gehoord, dat er niets vervelender was dan, een winter
op het land. Maar het leven bij de ooms was dan ook zoo gezellig en
prettig, dat men niet eens merkte hoe weinig afleiding in dat eenvoudige
dorp te vinden was.
Angeline hield hare studiën aan en ontving in eenige
[135:]
vakken les van
den dorpsonderwijzer; verder hielp zij nicht Mina in het huishouden
en leerde bij haar naaien en stoppen, maar vooral iets dat zij nog volstrekt
niet kende, kousen breien. Ze kreeg hier zooveel pleizier in, dat zij
voor eIken oom drie paar sokken klaar kreeg; 's avonds als de lamp opgestoken
was en men in de gezellige huiskamer zat met den hoogen schoorsteen,
waarin een open vuur brandde en die zoo wijd was, dat zij allen, met
een tafeltje in hun midden er onder konden zitten, dan nam Angeline
een van de boeken, welke oom Karel uit de stad had besteld en las met
haar lieve heldere stem wel een uur lang voor.
Oom Karel en oom Anton luisterden oplettend toe, maar nicht Mina en
oom Jozef hielden soms wat lang de oogen dicht, totdat zij zweeg en
beiden verschrikt rondkeken, verzekerende dat het heel mooi was geweest.
Vooral moest Angeline veel boeken voorlezen, die over de Oost handelden,
en dan had zij het grootste genoegen om aan- of opmerkingen te maken
over het gelezene, waarnaar de ooms met veel aandacht luisterden en
haar meer schenen te gelooven dan de boeken.
Als dan het avondeten werd opgebracht, dat gewoonlijk of uit karnemelksche
pap of uit een aardappelpastei of anderen stevigen kost bestond, had
elk het zijne te vertellen en nooit heerschte er zulk een onaangename
pijnijke stilte als in het salon bij tante Frémiot.
Toen het erg koud en de vijver dicht bevroren was, moest Angelientje
leeren schaatsenrijden, een kunst, waarin zij het spoedig zeer ver bracht,
evenals in het maken van sneeuwpoppen en ballen; aan vriendinnetjes
ontbrak het haar ook niet. De burgemeester had twee, de onderwijzer
één en de notaris drie dochtertjes van haar leeftijd;
deze verder dan dikwijls te Koningsbosch verzocht, of wel, Angelientje
moest bij haar op visite komen en zij was overal even welkom.
Geen wonder dus, dat het meisje zich daar even gelukkig voelde als voorheen
bij hare lieve ouders thuis, maar
[136:]
helaas, het bewustzijn,
dat beiden er niet meer waren en dat haar eenige broeder in den vreemde
zwierf, zonder dat ooit taal noch teeken haar van zijn bestaan overtuigde,
de gedachte dat hij nu misschien allang dood en begraven was, vergalde
dikwijls genoeg Angeline's pleizierigste uurtjes.
Oom Karel voelde in al zijn omvang de verantwoordelijkheid, die op hem
rustte; van zijn plichten tegenover zijn oudsten pupil kon hij zich
niet kwijten, des te beter wilde hij zorg dragen voor de opvoeding van
zijn nichtje en daar hij wist dat het volstrekt niet in de bedoeling
van zijn broer had gelegen een dorpsjuffertje van Angeline te maken,
sprak hij met zijne broeders over de wenschelijkheid om haar tenminste
voor twee of drie jaar naar een pensionaat te zenden.
Maar wat hij verwachtte gebeurde; oom Jozef begon luid te lachen en
Anton maakte zich boos.
"Wat moet ze daar leeren?" zeide de eerste, "complimentjes
maken, dure handwerkjes en allerlei nieuwmodische fratsen? Leeren doet
zij hier genoeg; meester Steens zegt, dat ze buitengewoon vlug en ontwikkeld
is en zoo ze examens wil doen," voegde hij er bij, "behoeft
zij maar te wachten tot ze er oud genoeg voor is. Doch waartoe zou het
dienen examens te doen? Zij is immers bij ons en zoolang ik leef, zal
zij niet noodig hebben de schoolmamsel te spelen."
En oom Anton:
"Het schijnt, Karel, dat ons leven hier al heel aantrekkelijk en
heel vroolijk is, omdat je ons elke afleiding en verstrooiing misgunt.
Je weet hoeveel moeite ik had mij in dit plantenleven te schikken, dat
jelui zoo goed aanstaat, maar ik heb meer van de wereld gezien en stel
dus andere eischen aan het leven. Nu, ik verklaar je, dat ik, zoolang
we in deze wildernis wonen, nog zoo'n korten winter niet heb beleefd
en dit komt alleen door het kind, dat als een zonnestraal onze oude
kamers verlicht en nu zou je haar in een kostschool willen opsluiten
om een
[137:]
beetje beschaving
op te doen, dat zij niet eens noodig heeft? Dit zou barbaarsch zijn,
niet alleen tegenover haar, maar tegenover ons."
Toen nicht Mina van het plan hoorde, begon zij hardop te schreien en
vroeg of haar treurig, eenzaam leven van vroeger weer beginnen moest.
Maar oom Karel liet zich door al dezen tegenstand niet afschrikken;
hij had er bitter berouw van niet eerder tusschen tante Frémiot
en Rudolf opgetreden te zijn en alzoo de ramp voorkomen te hebben, die
Angeline van haar broeder had beroofd. Nu besloot hij er met haar zelf
over te spreken.
"Lief kind," zoo eindigde hij, "je weet, dat ik evenals
nicht Mina en je beide andere ooms, niets liever zou willen, dan je
altijd bij mij te houden, maar je eigen belang spreekt het luidste;
zeg me dus ronduit, wat verkies je nu, je bent verstandig genoeg dan
dat ik de keuze niet gerust aan je zou kunnen overlaten."
Angeline sloeg de armen om den hals van haar goeden oom en antwoordde:
"Ik behoef u niet te zeggen, oompje-lief, hoe gelukkig ik hier
ben en hoe gaarne ik altijd bij u zou willen blijven, maar ik heb het
allang gedacht, dat ik nog te jong ben om niets meer te leeren. Ik durfde
hier niet over te spreken, omdat
"
"Nu waarom dan...?" drong oom lachend aan.
"Omdat," fluisterde zij, "ik nu een arme wees ben!"
"Foei, Angeline, dat mag je nooit meer zeggen, hoor! Ik wil het
niet; daarover mag je niet denken, nog minder er ooit over spreken en
dus blijft het afgesproken. Zoodra ik naar de stad ga, zal ik eens de
school van mevrouw Bonnier bezoeken en na de Paaschvacantie kan je er
zeker opgenomen worden!"
De beide ooms en nicht Mina bewogen wel hemel en aarde om het plan te
doen mislukken, maar dit ging moeilijk, want oom Karel en de belanghebbende
waren het geheel en al met elkander eens, zoodat zij dus eindelijk ook
moesten toegeven.
[138:]
De school van madame
Bonnier was slechts door een twintigtal pensionaires bezocht en lag
zeer lief buiten de naaste stad, een weinig van den weg af, omringd
door een grooten schaduwrijken tuin en had volstrekt niet dat akelige,
benauwde uitzicht van juffrouw Pretz' instituut.
Oom Karel maakte de afspraak, dat zijn nichtje eens in de maand in Koningsbosch
mocht doorbrengen; dan zou zij Zaterdagmiddags met het tentwagentje
gehaald en Maandagmorgens er weer teruggebracht worden.
Madame Bonnier was een zeer verstandige, vriendelijke dame, en haar
twee juffrouwen schenen ook recht lieve meisjes te zijn. Vooral legden
zij er zich op toe, dat er een zusterlijke geest onder de pensionaires
heerschte en zij zich op school even op haar gemak gevoelden als te
huis.
Niettegenstaande het afscheid van de ooms, nicht Mina, het kasteeltje,
de bloemen, de koeien, de vogels en van Astor den grooten hond, Angelientje
zeer hard viel, zoo zag zij toch niet erg tegen haar nieuw leven op
en was vooral recht blijde dat Suze Meertens, het dochtertje van den
burgemeester, met haar hare intrede deed op de kostschool.
Het duurde niet lang of onze Angeline gevoelde zich recht thuis en op
hare plaats in het pensionaat en raakte op een zeer goeden voet met
hare meesteressen en kameraadjes.
Maar op Koningsbosch misten zij haar elke minuut.
's Avonds als het somber en regenachtig was, trachtte oom Karel te vergeefs
het kleine gezelschap op te vroolijken.
Nicht Mina met haar breikous in de hand, liet herhaaldelijk de pennen
vallen en verzonk in diep gepeins, waaruit ze nu en dan opschrikte om
een traan af te wisschen.
Oom Jozef had last van rheumatiek en daar hij niet van lezen hield en
niet kon insluimeren door de pijn, pruttelde hij soms geweldig.
[139:]
Oom Anton verzekerde,
dat hij het niet kon uithouden in een leeg huis en ging dus liever naar
de herberg kaart spelen met een der wethouders van het dorp.
Arme oom Karel! wat moest hij dan een vloed van verwijtingen hooren;
telkens als men zich verveelde, als Angeline's tegenwoordigheid gemist
werd, dan heette het:
"'t Is immers oom Karel's verkiezing. Hij heeft de wijsheid in
pacht; hij zal het weten!"
Of dan werd het arme meisje beklaagd.
"Zou ze wel genoeg eten krijgen?" vroeg nicht.
"Wat zal ze naar Astor verlangen, niet waar kerel, jij mist immers
ook de vrouw?"
En toen zij er veertien dagen was, 's Zondags na het middagmaal, ging
oom Jozef als naar gewoonte uit om in een wat verder afgelegen buitenherberg
een partij te kegefen en Anton ging met een vriend van hem wandelen.
Nicht Mina haalde haar kerkboek voor den dag en bleef aan het raam zitten
lezen, terwijl oom Karel het vertrek op en neer ging, of naar buiten
zag hoe het met de lucht gesteld was, en eindelijk vroeg hij haar:
"Heb je ook lust, Mien, eens naar de kleine te rijden?"
"O ja, heel graag," was het antwoord.
"Dan zal ik maar laten inspannen en dan rijden we er samen heen;
dat zal een heel verzet voor haar zijn."
Aangenaam verrast trok nicht Mina haar zwart zijden japon aan, deed
haar fraaien omslagdoek om, nog een cadeau van die lieve Fanny, Angeline's
moeder, en zette haar besten hoed op; die misschien tien jaar te voren
naar den laatsten smaak.was geweest.
Intusschen was het tentwagentje ingespannen en Gijs fluisterde zijn
Bles toe, dat hij maar heel vlug en zoet moest aanstappen, want het
ging naar juffrouw Angeline.
Nicht Mina stapte in en oom Karel mende het beestje zelf, terwijl Gijs
naast hem kwam zitten; de waarschuwing scheen goed te helpen, want binnen
het uur reed men het ijzeren hek van het instituut Bonnier door.
[140:]
Een meid kwam de
gasten open doen en op oom Karel's verzoek om juffrouw de Roze te mogen
ontmoeten werd hem gezegd dat de juffrouw met de Engelsche miss zich
in de spreekkamer bevond, omdat er een heer was om haar te spreken.
Beiden keken vreemd op over dit bericht, maar ver-zochten toch binnen
gelaten te worden; de meid aarzelde, even, maar wees hen toen ,den weg
naar het spreekkamertje.
Hier zat Angeline reeds recht vertrouwelijk te praten met oom Anton,
dien de directrice nog niet kende, en waarom dan ook miss Sury de pensionaire
ter zijde moest blijven.
"Hoe kom jij hier?" vroeg oom Karel verrast aan zijn broer.
"Wel op mijn beenen!" was het droge antwoord.
Angeline was opgetogen van vreugde over het bezoek dat zij ontving en
de Engelsche dame liet het viertal alleen.
"Nu mankeert alleen oom Jozef!" lachte zij.
En waarlijk nog geen kwartier later, toen madame Bonnier op hare beurt
de bezoekers warm begroette en hen voorstelde onder Angeline's geleide
een wandeling door den tuin te doen, zagen ze, een heer vrij links het
hek binnen komen, naar de bel zoeken en rondkijken of niemand hem bespiedde.
Nauwelijks had Angeline den vreemdeling in het oog of zij sprong hem
tegemoet en viel hem lachend om den hals.
"Oom Jozef, oom Jozef, dat noem ik eerst sympathie, kom maar mee,
u behoeft niet te bellen, er is bekend volk."
En wat grappig gezicht oom Jozef trok toen hij zich plotseling in tegenwoordigheid
van zijn beide broers en nicht bevond!
"En er is niets afgesproken, niets?" vroeg Bonnier verwonderd.
[141:]
"Neen, we
komen langs verschillende wegen, allen naar één doel,
ons lief nichtje!"
De middag was voor Angeline volstrekt niet onaangenamer geworden door
het talrijke gezelschap, dat zij bezig moest houden en ofschoon het
tegen de reglementen van haar instituut streed, dat er zooveel bezoek
voor één leerling kwam, wilde madame Bonnier het toch
wel voor een enkele maal door de vingers zien om het zeldzame van het
geval.
Voor Angeline echter was dit ongezochte samenkomen van haar ooms een
bewijs te meer, hoe innig lief zij hun geworden was.