XXV.
Op zekeren middag
mochten de leerlingen van madame Bonnier ter eere van het afgeloopen
concours een wandeling maken rondom de stad.
Zij stonden reeds op het punt van uit te gaan, toen de mama van een
der meisjes onverwacht binnen kwam en aan mevrouw Bonnier het voorstel
deed hare leerlingen niet te laten wandelen, maar op hare kosten toe
te staan in een paarden spel, dat in de nabijheid der stad stond, den
avond door te brengen.
Madame Bonnier meende eerst wel dat dit tegen de reglementen van haar
huis streed, maar de leeraressen waren er voor, spoedig zou het vacantie
zijn, men had alle reden om over het afgeloopen schooljaar tevreden
te wezen en mevrouw G: was een zeer deftige, verstandige dame, zoodat
het afwijzen van haar voorstel gelijk zou staan met een beleediging;
om al deze redenen werd dus besloten dat allen naar het paardenspel
zouden gaan.
De blijdschap der pensionaires te beschrijven zou on
[146:]
mogelijk zijn; hoeden
en mantels werden weggeborgen, men moest immers een begin maken met
het avondtoilet.
Madame Bonnier en de andere meesteressen drongen wel aan op eenvoud,
als het grootste sieraad van een jong meisje, maar als men een jaar
lang elken avond in de studiezaal heeft doorgebracht, dan is een soirée
in het publiek een zeer bijzondere gebeurtenis.
Emilie vooral maakte veel toilet en was blijde haar lichtblauwe costuum,
dat reeds bijna sleepte, eens te kunnen vertoonen; overigens vond zij
een paardenspel eigenlijk een flauw amusement, als het nog een opera
was; maar men had hier niets anders en moest dus het weinige, dat het
stadje aanbood, wel voor lief nemen.
Angeline was doodgewoon in haar donkerblauw japonnetje en hare goede
vriendin moest even zeggen:
"Foei, dat je ooms toch niet beter voor je toilet zorgen. Mijn
hemel wat een smaak! Wat een leelijk rood dasje! Zal ik je een van mij
omdoen? Ik heb nog zoo'n mooie crême!"
"Dat je laatst aan Fientje de meid hebt aangeboden en dat ze niet
eens wou hebben..."
"Omdat zij het te deftig vond."
"Dank je, Emi, ik heb liever wat leelijks om dat van mij is, dan
mooi geleend goed."
"Ik zal je dat dasje geven, want waarlijk, je ziet er nu uit als
een armelui's kind."
"Dat ben ik ook!"
Emilie haalde de schouders op en mompelde iets van:
"Wat burgerlijke ideeën!"
Maar Emilie wachtte een groote teleurstelling; toen zij vol blijde verwachting
over den indruk, dien haar lichtblauwe jurk op de anderen zou maken,
de eetzaal binnentrad, hoorde zij een onderdrukt gelach en madame Bonnier
naderde haar en fluisterde haar toe:
"Lief kind, u is de eenige onder al mijn élèves,
die een japon draagt van zulk een opzichtige kleur, de overigen hebben
allen zeer stemmige costuumpjes aan, want ik wil
[147:]
niet dat een van
ons op bijzondere wijze de aandacht! trekt. 't Is nu wel hoog tijd om
heen te gaan, maar we zullen toch eenige minuten op u wachten, totdat
ge u verkleed hebt."
"Dan ga ik niet mee," antwoordde Emilie vuurrood van kwaadheid,
"ik heb geen andere japon."
"Dat weet ik beter, Emilie! Ga u dus spoedig klaar maken. Wij wachten
u."
"Ik blijf liever thuis!"
"Neen dat gebeurt niet, verlies geen tijd en zorg dat ge binnen
tien minuten terug zijt."
Emilie had grooten lust op Javaansche manier haar japon te verscheuren
en zich daarop hard schreeuwend op een der stoelen te werpen, maar zij
had voor madame Bonnier te veel ontzag, om zooiets te beproeven, daarbij
voorzag ze, dat hare kameraden voor zulk een uitbarsting van woede niet.
veel bewondering zouden koesteren, maar haar in tegendeel hartelijk
uitlachen. Dit weerhield haar en zij droop stilletjes af, om na een
herhaald roepen, eindelijk weer in haar daagsch schoolpakje te verschijnen,
met een gelaat dat door de vernedering en de boosheid alle kleuren van
den regenboog hadden aangenomen. Alle genot van dien avond was voor
haar bedorven.
Madame Bonnier had medelijden met haar en bij het naar buiten gaan,
het meisje vriendelijk bij de hand nemend, zeide zij:
"'t Spijt me zeer, Emilietje, dat ik je heb moeten terugzenden,
je kondt het niet helpen: waarom heb je ook Angeline niet om raad gevraagd?
Zij weet zich altijd eenvoudig en toch met smaak tekleeden, neem haar
eens tot voorbeeld."
Dit was olie in het vuur gieten.
"Kon ik haar toch op iets betrappen! Altijd maar wordt ze mij tot
voorbeeld gesteld, dat nest, dat ik in Batavia niet eens aan wilde zien!
En allen omringen haar en mij laat men alleen!"
[148:]
Na een half uurtje
loopens (men zou terugkomend rijden) kwam de stoet in de tent aan en
de plaatsen werden aan het pensionaat gewezen. Emilie kwam toevallig
beneden en Angeline heel in de hoogte te zitten; want daar het gezelschap
door Emilie's avontuurtje te laat kwam, was er niet veel keuze meer.
De tent was niet bijzonder verlicht, wat Angeline hinderde, want zij
was een weinig bijziende.
"Je moest met Emilie ruilen," zeide het naast haar zittend
meisje.
"Och neen, ze is een beetje uit haar humeur, dat zou haar nog knorriger
maken."
"Nu, voor mijn part mag ze blijven waar ze is, ik heb jou liever
naast me dan die spin. Wat deed het me een pleizier dat madame haar
terugzond; ze had ons alle de oogen willen uitsteken."
"Waarom heeft ze toch niet haar Zondagsche ruitje aangetrokken;
ze ziet er nu erg kaaltjes uit."
"Indische koppigheid. Zeg eens, Lientje, hoe komt het toch dat
jij zoo heel anders bent dan andere Indische meisjes? Ik heb ook een
nichtje dat op Java geboren is en dat is toch zoo koppig en zoo lui..."
"Ik zou niet graag koppig of lui zijn geweest toen ik nog op Java
was," lachte Angeline.
"Waren je ouders dan zoo streng?"
"O neen, maar ik zou hen daarmee verdriet gedaan hebben."
Het binnenkomen van een heel gezelschap, dames en heeren op groote paarden,
onderbrak het gesprek der meisjes. Al kon Angeline de gezichten der
kunstemakers niet onderscheiden, toch had ze genoeg te zien aan hun
schitterende costumes en behendigheid in het rijden.
Zij zag gaarne mooie paarden, vooral nadat ze van oom Anton les had
gekregen in het berijden van een lieven ponny, die met de groote vacantie
haar weer wachtte.
Na dezen eersten toer door alle leden van het gezelschap, kwamen er
twee clowns hunne grappen vertoonen,
[149:]
die het gelach
van het heele publiek in nooge mate gaande maakten.
"O, die eene moet toch zoo alleraardigst zijn," zeide een
der pensionaires, "ik heb er veel over hooren praten."
"Kijk eens, Angeline, wat een wonderlijke muts hij op heeft en
hij is beschilderd als een wildeman. Zou hij jong of oud zijn? Men kan
hem niet aanzien zonder te lachen."
Maar Angeline had geen lust tot lachen; geen der waarlijk geestige gezegden
van den geliefkoosden clown en zijn wonderlijk mengelmoes van Fransch
en Engelsch en Duitsch kon haar vroolijkheid opwekken; integendeel,
zij voelde diep medelijden met den armen man, die er op gehuurd was
dag aan dag anderen te doen lachen en die misschien zelf meer lust tot
schreien had. En dan die stem, hoe schel en hol die ook klonk, alleen
om grappig te schijnen, trof haar diep in het hart.
Die beweging met het hoofd was haar zoo bekend, en die buigzame, lenige
gestalte: het was haast niet mogelijk dat ze aan een ander zou behooren;
telkens als hij een gymnastische toer uitvoerde, die gevaarlijk scheen,
greep ze krampachtig de hand van haar buurmeisje en sloot onwillekeurig
de oogen.
"Wat scheelt je, ben je bang?" vroeg deze.
"Neen, neen, maar 't is zoo akelig."
"Och, wees niet bang. Die aardige clown zal er zijn leven niet
bij in gevaar brengen."
De vroolijke muziek maakte Angeline nog meer in de war. Zij verstond
haast niets meer van de uitroepen van haar vriendinnen, van de aardige
zetten der clowns er voelde slechts een onweerstaanbaar verlangen om
telkens als die clowns al buitelende het zand verlieten, hen te volgen
en dien ééne in de oogen te zien, hem van zijn blanketsel
en witpoeder te ontdoen en ver van hier te brengen, ver van al die nieuwsgierigen,
die van hen vergden, dat hij hen zou doen lachen, ver van al die kunstemakers
naar de gezellige huiskamer van Koningsbosch, waar de ooms hem zeker
met open armen zouden
[150:]
ontvangen; doch
hoe zou zij hem kunnen spreken; wie kon zij in haar vertrouwen nemen?
Waren de ooms hier, deze zouden zonder moeite achter de waarheid kunnen
komen, maar de pensionaire, wie zoo weinig vrijheid gelaten werd, hoe
kon zij zich van de waarheid harer ontdekking overtuigen?
Maar het was zeker, er bleef geen twijfel meer over. Hij was het ongetwijfeld,
haar eenige, diep betreurde broer, en de gedachte kwam plotseling bij
haar op:
"Als mama hem eens kon zien, uitgedost als een nar!"
Snel bracht zij haar zakdoek aan de oogen om hare opkomende tranen en
snikken te verbergen.
"Maar lieve Angeline, wat scheelt je toch?" vroegen eenige
belangstellende stemmen.
"Niets, niets!" zeide ze, "ik ben wat benauwd!"
En dat was geen leugen, zij hijgde naar frissche lucht.
"'t Is spoedig gedaan, dat komt door al die lampen, waarvan er
verscheidene walmen."
De laatste toer wekte de algemeene geestdrift op en daarna verliet het
publiek de tent.
Met weerzin stond Angeline op; en onophoudelijk hield zij haar oog gevestigd
op den uitgang, waardoor de kunstenaars altijd verschenen en verdwenen,
maar wat zij ook zag, niet het voorwerp van haar gedachten.
Buiten gekomen, toen de pensionaires in twee groote rijtuigen waren
gestapt en duisternis haar omringde, begon Angeline te twijfelen of
ze wel goed had gezien.
Het was een romanesk idee, de muziek had haar geest opgewonden en omdat
die clown iets geleek op Rudolf, aan wien zij zooveel dacht, was het
nog geen reden dat hij het zou zijn; zou hij in den vreemde dan niets
beters hebben kunnen vinden dan een betrekking als clown?
Toen men terug was en de meisjes madame Bonnier hartelijk bedankten
voor den aangenamen avond, was Angeline er van overtuigd, dat zij zich
een hersenschim in 't hoofd gehaald en zonder reden haar genoegen verbitterd
had, terwijl daarenboven geen harer vrien
[151:]
dinnen zich rekenschap kon geven van haar onverklaarbare stilheid, die elk op haar manier uitlegde.