XXII.
Angeline's geluk zou volmaakt geweest zijn, als zij maar eenig bericht had ontvangen van haar broer, doch oom Karel's dringend verzoek aan tante Phine, om zoo spoedig zij iets van haren neef vernam, dit aan de
[130:]
bewoners van Koningsbosch
te melden, ontving slechts een kort en stroef antwoord: men wist nog
niets van den vluchteling en zoo er brieven van hem kwamen, zouden ze
zeker wel geadresseerd worden aan zijn dierbare zuster, die zooveel
eer van haar werk had.
"Tante gelooft mij nog niet," zuchtte Angeline.
"Wat kan je dat schelen," zeiden oom Jozef en Anton, maar
Karel wierp hun een verwijtenden blik toe en sprak tot Angeline:
"Geduld maar, lief kind, onschuld komt altijd aan het licht."
"Maar papa zal het ook denken!"
"Je moet alles aan hem schrijven, zooals het zich werkelijk heeft
toegedragen en ik zal er ook het mijne bijvoegen."
Helaas! Papa ontving noch den brief van tante Phine, noch dien van zijn
dochtertje en broer, want geen maand na Angeline's aankomst in Koningsbosch
kwam van een vreemde hand het verpletterende bericht, dat de ongelukkige
vader door de cholera aangetast en binnen twaalf uur bezweken was; hij
had geen beschikkingen kunnen nemen aangaande zijn kinderen en dus trad
oom Karel met toestemming van zijn ouderen broer Jozef als voogd over
de weezen op.
Arme Angelientje! Die slag kwam zoo onverwacht en niettegenstaande de
ooms en nicht Mina hun uiterste best deden haar zachtjes op bet vreeselijke
bericht voor te bereiden, trof het haar zoo diep, dat zij er ziek van
werd.
Geen ouders konden meer zorg voor het arme, zwakke kind aan den dag
leggen, dan de goede bewoners van het kasteeltje.
Het fijnste wat moestuin en bouwgrond opleverden, was voor de jonge
zieke, wier krankheid echter evenzeer de ziel als het lichaam betrof.
Soms reed oom Anton naar de stad en bracht dan altijd de eene of andere
delicatesse voor haar mede, of oom Jozef ging op jacht en zorgde, dat
zijn nichtje altijd op een patrijsje of ander wildbraad
[131:]
kon rekenen en
oom Karel waakte voor de verstrooiing van haar geest en bestelde voor
haar de fraaiste boeken en plaatwerken.
Nicht Mina week geen oogenblikje van hare zijde en vertelde haar allerlei
dorpsnieuwtjes, waarin het meisje niet veel belang stelde, maar die
toch aan haar gedachten een anderen loop gaven en zelfs Aaltje de meid
en Gijs, de knecht toonden, zoo dikwijls zij maar konden hunne belangstelling
voor de zieke juffer.
Van tante kwam er geen brief aan Angeline, wel aan de ooms, maar nicht
Lucie schreef haar oude kameraadje recht hartelijk en opwekkend.
"Je kunt niet gelooven," zoo stond er, "hoe vervelend
het hier is, sedert Dolf en jij weg zijn. Je weet hoe dikwijls hij en
ik aan het kibbelen waren, en hoe dikwijls ik verlangde, dat hij het
huis ruimde, maar ach! hoe gaarne zou ik nu iets liefs willen geven,
om zijn harde stem weer te hooren, of zijn krakenden stap. 't Is hier
zoo stil, dat ik soms uren lang geen ander geluid hoor, dan het tikken
der klokken; ik weet nu precies hoe de pendule tikt en hoe de gangklok!
Belangrijke kennis, niet waar?"
"Er gaan dagen om, dat we niets praten, tante en ik, niets dan
's morgens:
"Wel gerust, tante?"
"O ja, dank je!"
En een kwartier later:
"Het weer is vandaag toch wat beter," waarop na een half uur
het antwoord komt:
"Het gaat nog al!"
"Soms doe ik mijn best om haar allerlei nieuws te vertellen, dat
ik in de stad heb opgevangen, maar ach! het eenige wat ik tot antwoord
terugkrijg, is een "zoo," of "och," en als ze bijzonder
goed gehumeurd is, "wel heb je 't van mijn leven!"
"Over jou en Dolf spreek ik liefst niet, want dan wordt het gezicht
nog wel een el langer en tot overmaat van ongeluk is Santje nu ook weg.
Zij had wel haar gebreken,
[132:]
maar men kon met
haar nog eens een hartig woordje spreken en hare opvolgster is een oude
Triene, die tante bijzonder bevalt en even karig met hare woorden is
als hare meesteres. En dan beklaagt men je hier nog, Angeline-lief!
Wat zal dat kind zich daar vervelen zoo op het land en met die oude
ooms, hoe stil zal zij het daar hebben!
"Stil? Ik geloof het niet; die ooms zijn allesbehalve oud en te
oordeelen naar dengene, dien ik hier gezien heb, allerliefste menschen;
och ja, kindlief ik zou in je plaats willen zijn."
"Dat schijnt een aardig meisje," sprak oom Jozef, gevleid
door het compliment aan zijn adres, "was ze niet erg klein en bleek?"
"Juist oom, een ongezonde kleur!"
"Geen wonder, in de stad verschieten alle roode koontjes; je zult
eens kijken, Lientje, als je beter bent, wat je er flink uit zult zien.
't Zou die juffrouw ook goed doen als ze eens overkwam, wat dunkt je
er van, Karel?"
"Wanneer het Angelientje pleizier doet, welzeker!"
"Foei," meende oom Anton, "vrouwen in huis geeft maar
last; ze schijnt veel behoefte te hebben tot. praten en ik houd niet
van zulke kakelaarsters!"
"Angelientje moet beslissen."
"Nu niet, oom, later eens... het zal haar pleizier doen. Wat mij
betreft..."
"Nu wat dan? We doen alles voor je pleizier, dat weet je."
"U zijt allen zoo goed voor mij, dat. ik niemand anders er bij
wensch. Als papa nog maar leefde en Rudolf...'"
"Kindlief, wat je vader betreft, dat is Gods wil, daar mogen we
niet in komen, en Rudolf, die ondeugende jongen, zal wel terugkeeren,
als het hem slecht gaat."
"Er zijn immers al oproepingen in de couranten geplaatst, oom?"
"Ja kind, in alle Hollandsche, Duitsche en Belgische bladen!"
[133:]
"En te denken
dat hij nog niets weet van papa..."
"Dat is misschien het beste nog! Wanneer hij dat weet, acht hij
zich waarschijnlijk van alle banden ontslagen!"
Eenige dagen later kwam er een brief van tante, met ingesloten schrijven
van Rudolf aan zijn zusje, waarvan zij de enveloppe had opengebroken
en die het postmerk van Brussel droeg.
"Ik meende van een recht gebruik te hebben gemaakt," schreef
zij, "door dezen te openen; veel wijzer worden we door den inhoud
niet, of mijn nicht Angeline zou mondeling eenige inlichtingen kunnen
geven, die ons op het spoor van haar broeder konden helpen. Ik heb den
commissaris van politie gewaarschuwd, maar hij wanhoopt er aan, in het
groote Brussel Dolf's verblijfplaats uit te vinden."
De brief van Rudolf bevatte slechts deze regelen:
"Mijn dierbaar zusje!
Toevallig vernam ik den zwaren slag, die ons beiden getroffen heeft.
Arme papa! gelukkig tenminste dat hij niet weten mocht, wat ik gedaan
heb. Verwacht nog geen nadere berichten van mij; spoedig meer en dan
hoop ik je terug te zien, niet meer als een voortvluchtige, maar als
een man die zich een naam en een positie veroverd heeft.
"Mijne groeten aan tante! Stel je gerust, je hebt je eenigen beschermer
verloren, maar je zult dien terugvinden in
Uw liefhebbenden broeder."
"En dat is
alles," zuchtte Angeline zielsbedroefd, "alles!"
"'t Is zoo goed als niets," bromde oom Jozef.
"Als ik hem maar antwoorden kon, als hij zijn adres had opgegeven!
Wanneer hij wist dat oom Karel zijn
[134:]
voogd was geworden
en hem zou laten studeeren voor welk vak hij verkoos, hoe spoedig zou
hij dan terugkeeren."
"'t Is een akelige dwarskop, die jongen, en wat ik je bidden mag,
Angelientje, maak je niet al te ongerust over hem en zorg toch beter
te worden."
Dit werd Angelientje dan ook na eenige weken, maar hare vroolijkheid
was veel verminderd; en het was minder het verdriet over haar vaders
dood, dan de onrust over het lot van haar broeder, die op haar kinderlijken
geest drukte.
"Ach oom," zeide ze dan tot oom Karel, "hoe kan ik nu
de belofte houden die ik mama gedaan heb? Hoe is het mij nu mogelijk
om voor Dolf een goede vriendin te zijn als ik hem geheel uit het oog
verloren heb?"
"Lieve kind!" troostte oom, "één ding kan
je nog voor hem doen. Bid onzen Lieven Heer dat Hij je broer beschermt
en voor het kwaad behoedt, waar hij ook wezen moge en vertrouw dan maar
gerust, dat je hem eens terug zult zien om dan verder je belofte te
vervullen."
"Ik zal het doen, oom," beloofde zij, hare traantjes afwisschende
en 's avonds bleef zij langer dan gewoonlijk bidden voor den armen zwerver,
die haar gebed zoo noodig had.