XVI.
Het verzoek van Annetje's mama aan mevrouw Frémiot om haar nichtje toe te staan, deel uit te maken van de voorgenomen buiten partij werd beleefd maar stellig afgeslagen. De jongejuffrouw de Roze, heette het, was al te druk met haar studiën bezig, dan
[87:]
dat zij tijd kon
vinden zich met buiten partijtjes bezig te houden.
Angeline werd niet eens geraadpleegd en durfde dus ook haar oordeel
niet zeggen; zij hoorde dat deze boodschap aan Santje werd gegeven en
hoe deze op haar beurt ze aan de meid overbracht. Diep middag stil en
alleen op Rudolf's kamer gezeten met haar themaboek en cahier voor zich,
viel er menig traantje tersluiks op de letters en soms wierp zij een
treurigen blik naar buiten, waar de zon even helder, maar minder verschroeiend
scheen dan in haar geboorteland en dacht zij er over na hoe frisch en
koel het nu moest zijn in een Hollandsch bosch onder de schaduw der
boomen, in gezelschap van vroolijke kinderen, die zich te goed deden
aan melk met pruimen en appelen.
"Papa en mama waren er ook op gesteld, dat ik goed leerde en toch
zouden ze het mij toegestaan hebben," dacht het arme kind. Zij
had niet eens hoop na het diner een wandeling te doen met Dolf, want
deze was in den laatsten tijd weer zeer vreemd geweest; van zijn studeeren
kwam niet veel en hij ging alle dagen uit en bleef lang weg.
Hij verhaalde Angeline niets van zijn kennismaking met den architect
Périssé, ofschoon hij dagelijks bij dezen aan huis kwam
en hem al zijn plannen en teekeningen liet zien, welke de bevoegde beoordeelaar
uitbundig prees.
Op zijn beurt verhaalde hem de Belg van zijn reizen door Europa; van
zijn studiën aan verschillende inrichtingen; van het geld, dat
hij al verdiend had of kon hebben; van zijne plannen met de villa, die
hij nu voor een rijken fabrikant bouwde enz.
Dikwijls reed Rudolf met hem daarheen en hielp hem andere bouwplannen
teekenen. Hij vertoonde o. a. een teekening die eene kerk ergens in
België voorstelde, welk plan bekroond had moeten worden, maar door
een samenloop van omstandigheden was de arme Périssé als
gewoonlijk verongelijkt en een ander onbeduidend plan
[88:]
werd uitgevoerd,
in plaats van het zijne, dat Rudolf onovertrefbaar schoon vond. En het
einde van al deze gesprekken was een onveranderlijk:
"Jongen, jongen, wat spijt het me toch voor je aanleg; je zoudt
een tweede Bramante zijn geworden."
Geen wonder dat alle goede voornemens van den armen Rudolf in rook vervlogen,
dat hij geen enkele les meer voor zijne meesters wilde of kon leeren,
en hij vaak tot diep in den nacht verdiept zat in de boeken, welke zijn
vriend hem leende over architectuur en kunst, of teekeningen zat te
maken van allerlei denkbeeldige paleizen.
"Maar wat moet ik doen in mijn geval?" vroeg dan Rudolf zeer
bedrukt, nadat hij misschien wel voor den tienden keer den architect
zijn treurige omstandigheden had meegedeeld.
"Weg loopen!" was het laconieke antwoord.
"O ja, u heeft goed praten, weg loopen, maar waarheen; mijn heele
kapitaal bestaat uit drie of vier gulden, die ik van mijn zakgeld heb
overgehouden. Hoe ver kan ik daarmeê komen?"
"Je moet naar Belgique kaan."
"Ik ken er niemand."
"Ik wel; je moet kaan naar Bruxelles en vandaar naar Mons en daarachter
is een dorp, daar woont mijn familie."
"En zal die mij, vreemde, daar willen ontvangen?"
"Jawel, als je zèk, je komt van mij. Charmante familie,
maison 'eel agréable, jij bent daar kind des 'uizes."
Uit de familie van den heer Périssé kon Rudolf niet goed
wijs worden; hij wist dat deze niet getrouwd was en verder meende hij
iets opgevangen te hebben van twee heeren Périssé, broeders
of wel vader en broeder van zijn vriend. Deze schenen in België
een goeden naam te hebben van bekwame bouwmeesters, maar in welke betrekking
deze heer tot hen stond en waarom hij sedert jaren in Holland woonde
en hier een zeer eenvoudig kamertje betrok, hiervan kon Dolf het rechte
niet vernemen.
"Ik keef jou eene lettre mee en dan leer je daar voor
[89:]
architect en als
twee jaar om zijn, je bent bijna zoo knap als ik."
Aanlokkelijk vond Rudolf dit plannetje zeker, maar wegloopen van zijn
tante, zonder Angeline te waarschuwen, vond hij zoo iets onuitvoerbaars
en verschrikkelijks, dat hij niet eens meer aan de mogelijkheid denken
wilde.
De gedachte aan het verdriet en de zorg, die dit zijn vader kosten zoude,
boezemde hem echter het meest schrik in.
Hij begon weer over zijn gebrek aan geld.
"Heb jij dan niets om te verkoop?" vroeg de andere, die ongetwijfeld
de rol van booze geest bij hem speelde.
"Neen niets, ofschoon... mijn horloge."
"Laat eens kijk je montre! Superbe, hà! Keef mij dit montre
en ik keef jou cent francs en een brief aan mijn familie."
Rudolf vond dit aanbod royaal; het horloge was een geschenk van zijn
tante en had zeker wel honderd gulden gekost, maar wat verstand kon
Rudolf hebben van de prijs?
"Neen, 't kan niet," en met een zucht nam hij afscheid.
Dien avond echter was hij in tweestrijd of hij niet liever alles aan
zijn zuster zou vertellen; ongelukkig was juffrouw Pretz met twee leerlingen
van haar bij tante op visite en kon hij Angeline geen oogenblik alleen
spreken, en daags daarna waslijn vertrouwelijke bui vervlogen.
Périssé begon niet meer over dit onderwerp, maar Rudolf's
gedachten waren er altijd mee bezig.
"Ik ben geen dank schuldig aan tante," zeide hij in zijn dwazen,
jongensachtigen eigenwaan, "tante heeft mij overladen met hare
weldaden, alleen om het recht te hebben over mijne toekomst te beschikken,
maar ik mag mijn aanleg niet opofferen aan hare grillen. Ik zou, juist
zooals papa verlangt, zeer dankbaar en erkentelijk zijn, wanneer ze
mij niet dwong een vak te kiezen dat ik verafschuw. Ze zal nu toch wel
overtuigd zijn, dat Angelientje mij
[90:]
geen slechten raad,
tenminste een raad tegen haar zin geeft, en het arme kind zal dus niet
te lijden hebben van mijn besluit.
Doch eenige uren later ontzonk hem de moed; hij stelde zich Angeline's
verdriet, zijn vaders teleurstelling, tante's verontwaardiging voor;
hij meende haar te hooren verwijten, hoe zij hem ondankbaar en liefdeloos
noemden, en wierp het dwaze plan ver van zich af.
"Zeg eens, Line," zoo kwam hij op een middag thuis, "je
moest mij eens helpen, ik wou dat kapelletje laten zien aan een vriend
van mij, maar om het mee te nemen heb ik een doos noodig, waarin ik
het kan pakken. Kun je niet kijken of je een oude hoedendoos over hebt?"
"Wel zeker, ik heb er nog een op mijn kamer."
Angeline bracht spoedig het gevraagde; Rudolf had zijn kunststuk op
tafel geplaatst en scheen het nog te bewonderen.
"'t Is toch niet leelijk," zeide hij.
"Ik ben blij, dat ik het weer eens zien kan. Hoe jammer, dat ik
het niet op mijn tafeltje kan plaatsen.Je geeft het toch niet weg, Dolf?"
"Neen, zeker niet."
"Maar zou ik het nu niet onder tante's oogen kunnen brengen? Je
hebt in den laatsten tijd zoo goed gestudeerd."
"Ik goed gestudeerd?" Hij kleurde. "Hoe weet je dat?"
"Wel ik hoor je niet klagen en gisteren vertelde tante aan mevrouw
Zangbeen, dat je tot 's avonds laat zat te studeeren."
"Dan zal het wel zoo zijn. Maar als ik het nu vertoon, denkt tante
misschien, dat ik er 's avonds aan gewerkt heb. We zullen nog wat wachten.
Die doos is veel te klein. Heb je geen andere, een grootere?"
"Ik niet, maar op zolder staat er nog een flinke van Lucie; zal
ik die halen?"
"Neen, laat het mij maar doen. Je hebt toch geen oogmaat."
[91:]
In eenige sprongen
was Dolf boven en Angeline stond met den rug naar de deur het meesterwerk
te bezien, toen zij plotseling verschrikt omkeek, daar de indrukwekkende
figuur van tante in de deur stond.
Nog geen vijf minuten geleden had mevrouw weer een brief vol klachten
ontvangen van den onderwijzer, die Rudolf in de vacantie privaatlessen
had gegeven; in de laatste week was de leerling geen enkelen keer bij
hem geweest.
"Blijf maar staan, ik zie het wel, nu weet ik alles. Ga naar je
kamer," sprak zij kortaf en met boozen blik.
Onwillekeurig ging Angeline een paar stappen achteruit, terwijl tante
naar de tafel trad en het kapelletje opnam.
"Tante," riep Angeline angstig en met een voorgevoel dat er
iets ernstigs ophanden was, "tante doe het niet! Hij heeft er zooveel
moeite aan gehad en mama's portret
"
Maar mevrouw Frémiot hoorde het niet; haastig keerde zij zich
om, nam het kunststuk in de hand en ging met groote stappen de gang
door naar de keuken, waar Santje aan het aardappelen schillen was.
"Hier heb je brandhout," zei tante, en met één
enkele beweging brak zij het fijne houtwerk in drie, vier stukken en
Angeline, die haar nageloopen was, kon een smartelijken gil niet onderdrukken
terwijl ze vooruit sprong, juist toen haar tante alles in het vuur wierp.
Angeline waagde er hare teere vingers aan om het portret van hare mama
te redden, vóór dat het door het vuur aangetast was, en
toen Rudolf door Angeline's kreet verontrust, beneden kwam, zag hij
zijn zusje zenuwachtig snikkend voor het fornuis staan, terwijl zijn
tante fier en met, saamgeperste lippen naar haar kamer terugkeerde en
hem in 't voorbijgaan toevoegde:
"Zoo had ik al veel vroeger moeten handelen. Ik ben te zwak geweest;
deze les zal je lang heugen. Lees dezen brief!"
[92:]
Angeline vertelde
onder voortdurend schreien en snikken het gebeurde; Santje zag het tweetal
met verbaasde oogen aan en sprak voor zich zelf:
"Ik dacht wel, dat het eens zoo ver zou komen. Mevrouw is altijd
veel te goed geweest voor den jongeheer."
Rudolf was bleek van drift, maar hij sprak geen woord, nam zijn hoed
en verliet het huis.
"Hij gaat weg, hij komt niet meer terug," jammerde Angelientje,
"Dolf, Dolf!"
"Houd je toch stil," snauwde Santje, "denk je dat je
broer weg zal loop en, terwijl hij weet dat het vleesch op het vuur
staat, daarvoor heeft hij te veel honger."
"Angeline," klonk het kort bevel van tante, "neem je
naaiwerk en kom hier zitten tegenover mij."
Het diner was ook niet zeer levendig, en Angeline's angst werd hoe langer
hoe grooter; eindelijk tegen negen uur mocht zij naar bed gaan, maar
van slapen kwam niets; als zij de oogen sloot, verbeeldde zij zich haar
broer te zien, bleek en koud, zooals zij slechts van één
persoon gezien had en nog wel van haar geliefde moeder; met schrik sprong
zij overeind en toen hard werd gebeld, sloop zij het bed uit en bleef
boven aan de trap staan luisteren, vreezend dat het misschien een boodschap
kon zijn, die kwam zeggen dat Rudolf een ongeluk overkomen was.
Maar neen, het was zijn vlugge stap en zijn stem, die op Santje's vraag,
of hij al gegeten had, kortaf antwoordde:
"Neen, ik dank je."
"We hebben zoo'n heerlijke rollade, jongeheer."
"Je kunt die houden, ik eet niet."
Hij ging regelrecht naar zijn kamer, en een oogenblik later scheen ook
tante naar bed te gaan, een beetje later Santje en het heele huis werd
stil en als uitgestorven.
Zoodra er een half uur verloopen was, stond Angeline stilletjes op en
liep op hare bloote voetjes de trap af, en
[93:]
opende stil Dolf's
kamerdeur, tusschen welker reten nog licht schemerde.
Hij zat voor zijn schrijftafel en scheen den inhoud van zijn laadjes
na te zien; vóór hem stond een valies waarin hij kieeren
en papieren had gepakt; verwonderd zag hij op, toen Angelientje binnenkwam.
Zij had haar Indisch nachtkostuum aan, een sarong en een witte kabaya,
terwijl haar vrij lange haren los over hare schouders vielen; het licht
der lamp viel haar nu juist in het gezicht en zij geleek zoo sprekend
op hun moeder, dat Rudolf er koud van werd.
't Was hem of hij nog te Batavia was in zijn slaapkamer en of zijn mama
even naar zijn bedje kwam zien om zich te overtuigen of hij goed en
wel in slaap was gevallen, maar hij gaf niet toe aan zijn ontroering
en vroeg kortaf:
"Wat is er?"
"Dolf, ach ik ben zoo ongerust! Ik dacht dat je niet meer terugkwam
en wat ga je nu doen! Inpakken? Wil je werkelijk weg?"
"Zeker, en voor goed!"
"Voor goed?" en hare oogen vulden zich met tranen, "en
waar wil je dan toch heen gaan, in deze groote wereld ?"
"Ik zal je schrijven, Lineke..."
"Maar wat zal je tante ongerust maken en papa als hij het hoort."
"Tante?"
"Och Dolf, zij heeft reeds zulk een spijt van het gebeurde; ik
kon 't aan haar zien, dat ze slechts handelde in de opwelling van het
oogenblik."
"Neen zij is te ver gegaan; ik mag mijn beste jaren hier niet laten
voorbijgaan in studiën die me tot niets nuttig zijn. Ik wil en
kan tante's zin niet doen; ik zal dus zelf mijn weg zoeken."
"En hoe dan? Ga je naar Duitschland, Dolf!"
"Ik zeg je niets!"
[94:]
"Ach, zoo
alleen de wereld ingaan. Dolf, lieve beste jongen, wat wil je zoo eenzaam
en verlaten beginnen?"
"Eenzaam en verlaten? Denk je dat ik bang ben, neen, beste Line,
ik ben oud genoeg om mijzelf te helpen en alleen te reizen, ik ben geen
jongejuffrouw!"
"En laat je mij hier achter? Met niemand dan met tante, die niets
van mij houdt?"
"Zij zal je geen kwaad doen, zusje, en werkelijk zooveel hulp en
gezelschap vindt je ook niet in mij. Meer last en verdriet dan pleizier,
heb je aan je broer beleefd."
"Neen, neen, ik blijf hier, ik zal beginnen te schreeuwen als je
de deur uitgaat en dan komt tante zeker."
Rudolf werd ongeduldig en driftig.
"Kwaje meid!" riep hij, "houd je stil. Je bent in staat
het huis in rep en roer te brengen. Bemoei je met je eigen zaken en
laat mij in vrede."
"Als je hier blijft!"
"Alweer! Line, je wordt vervelend; met wat voor recht kom je mij
hier plagen? Ik wist niet, dat je zoo'n lastig kind was. 't Schijnt
waarlijk, dat iedereen mij commandeeren wil hier in huis. 't Is genoeg!"
"Dolf, bedenk je toch!"
"Zwijg, of ik stop je den mond toe en ik draag je naar boven en
sluit je op. Het lijkt wel of je mijn meesteres bent."
"Neen Dolf," en snikkend met gevouwen handen ging zij voort,
"ik heb 't je eens geschreven, kort na mama's dood; maar je schijnt
dat vergeten te hebben, want je spreekt er nooit over. Altijd drong
mama er op aan, dat ik veel van je zou houden, en daarom liet ze mij
ook denken, dat je op mijn verjaardag cadeautjes overzond, maar daags
voordat ze ging sterven, toen ik 's avonds aan haar bed kwam, heeft
ze mij doen beloven, dat ik altijd een goede zuster voor je zou wezen
en je altijd bijstaan zooveel ik kon en daarom durf ik je nu ook verzoeken
om toch niet weg te gaan."
"Je hebt mij dat nooit geschreven," antwoordde hij,
[95:]
met moeite zijn
aandoening verbergend, "ik herinner 't mij ten minste niet, maar
zouden onze ouders niet verontwaardigd zijn over de manier, waarop tante
ons behandelt?"
"Ze meent het zoo erg niet!"
"Lineke, je bent nog veel te jong om daarover te oordeelen; geloof
me, het beste is, dat je mij stil laat begaan, en als ik terugkom ben
ik een beroemd man."
"Wanneer?"
"Over een jaar of twee, drie!"
"En tot dien tijd hooren we niets van je, moeten wij in onrust
voortleven? Och Dolf, het gaat niet."
"Het moet! Je bewijst mij een grooten dienst met stil naar je kamer
te gaan en mijn vertrek niet te beletten, door tante er bij te halen;
dat zou ik je nooit vergeven."
"Maar als 't je nu tegenloopt in den vreemde?"
"Het zal me niet tegenloopen."
"Wat ben je toch onverstandig, Dolf. Hier heb je alles: goed eten,
goed drinken, eene mooie kamer, vele vrienden, je eenig zusje en daar..."
"Nu, goeden nacht, mijn lieve, beste Lineke, morgen als je opstaat
dan ben ik verre van hier..."
Beter middel om haar zenuwachtig snikkend om zijn hals te doen vallen,
kon Dolf niet gekozen hebben.
"Niet weggaan, niet weggaan," jammerde zij.
Hij werd hoe langer hoe verlegener met zijn onverwachte gast, en begrijpend,
dat scherpe woorden haar nog opgewondener zouden maken, sprak hij haar
troostend toe:
"Lieve zus, wees toch zoo onverstandig niet! Ik wil tante ontheffen
van een grooten last en papa van de verplichting tot dankbaarheid; je
zult zien hoe beiden op het laatst nog tevreden zullen zijn met mijn
besluit. Ik heb een zeer goeden vriend in de laatste dagen hier aangetroffen,
die mij ook verzekert, dat ik voor niets anders deug dan voor de bouwkunst
en dat ik hierin een groot man zal worden..."
[96:]
"Is het daarom
dat je in den laatsten tijd zooveel uitging?"
"Juist daarom, 't is geen schoolkameraad, maar een man die mijn
vader kon zijn; zie eens, hij heeft me brieven aan zijn familie en geld
gegeven om de reis te doen. Wel een teeken, dat hij het goed met me
meent, niet waar?"
"En zijn naam?"
"'t Is beter dat ik je dien niet zeg, want tante zal natuurlijk
hemel en aarde bewegen om mij terug te vinden, en daar ben ik natuurlijk
niet op gesteld. Reeds overmorgen krijg je een brief van mij. Wat zeg
je nu kleine atti?" [Hartje]
"Niet weggaan!"
Een plotselinge gedachte viel hem in.
"Hoor eens, Line, weet je wat? Ik zal nog een dag wachten, en dan
met mijn vriend nader over de zaak spreken; zal je nu zoetjes en als
een braaf kind in bed kruipen?"
"En je blijft dan?"
"Zeker, zeker! Geef me een kus; nu lieveling, wees heel bedaard
en ga zachtjes naar boven; kom mij morgen een beetje laat roepen, hoor!
't Is al bij twaalven, adieu!"
Angeline was zoo in de war, dat zij zich nauwelijks meer een duidelijk
begrip kon maken van wat er voorviel. Zij wilde niets liever dan haar
broeder gelooven en ging dus nu zachtjes een paar stappen achteruit.
"Je blijft dus werkelijk?"
"Werkelijk!"
"Goeden nacht, Dolf!"
"Wel te rusten, zusje!"
En zij sloop zacht naar boven, terwijl hij zijn voorbereidingen voortzetten.
"Een lastig geval," dacht hij, "arm kind! Zij meent het
goed met mij, maar er is niets aan te doen, nu of nooit."
Angelientje viel haast om van de slaap; nauwelijks had
[97:]
zij het hoofd op
't kussen neergelegd of hare oogjes vielen toe, maar toch vouwde zij
nog hare handjes en bad:
"Ach goede, lieve Heer, laat Dolf toch hier blijven en maak dat
hij weer goed wordt met tante..."