XV.
"Hoor eens
Lineke," zeide Rudolf eens tot zijn zusje, "je begint hoe
langer hoe meer op Lucie te lijken, ten minste wat je kleur betreft;
dat komt van het al te lang opgesloten blijven in een duffe stad. Ik
zal tante eens vragen of we morgen mogen gaan naar "De gekroonde
Leeuwerik," dat is een theetuin met restaurant, een half uurtje
van hier, en daar blijven we den heelen middag en komen eerst tegen
den avond thuis."
"O Dolf, wat zou dat heerlijk zijn."
"Zie eens, het plan alleen doet je reeds kleuren."
"En gaat tante mee?"
"Ik zal het haar vragen, maar ik denk het niet. Zij houdt er niet
van, dat is goed voor geringe lui."
Rudolf vroeg zijn, tante of zij van de partij wilde wezen en ontving,
zooals hij wel dacht, een afwijzend antwoord; vervolgens verzocht hij
haar het etensuur te vervroegen, hetgeen zij na eenige aarzeling toestond.
Angelientje was den geheelen dag vol blijde verwachting en keek telkens
naar den barometer in de gang, maar deze bleef gelukkig steeds in rijzenden
toestand.
[82:]
Santje maakte hun
boterhammen klaar, die Angeline zorgvuldig in haar taschje pakte, Rudolf
kocht een zak taartjes en een worstje. Tante, die deze voorbereidingen
zag, schudde het hoofd.
"Je eet om half vier," zeide zij, "en wanneer wil je
nu honger genoeg hebben om dat alles op te eten?"
Rudolf en Angeline bekommerden zich hier niet over en aten misschien
een stukje minder om straks den noodigen honger te hebben voor de boterhammen
en de taartjes.
Onmiddellijk na het eten zeiden zij tante goeden dag, en vertrokken
naar de vaart, waar zij juist op het oogenblik kwamen dat de boot van
wal ging steken.
"Wees nu maar niet bang," zeide Dolf, "want we kunnen
best vergaan."
Angeline begon te lachen.
"Je vergeet dat ik ook over de zee ben gekomen," antwoordde
zij, "ik zal hier niet zeeziek worden."
De boot ging langzaam door de weiden, nu en dan eens stil houdend, maar
toch vond Angeline het recht pleizierig een beetje te kunnen varen.
Zij bleven buiten zitten, Dolf had een sigaar opgestoken, een leelijke
gewoonte, die hij echter reeds jaren had, terwijl binnen een oude boer
en twee jonge boerinnen hard en vroolijk lachten.
De stuurman kwam eens naar het tweetal toe en begon een praatje over
het weer en de warmte; Angeline verstond hem echter niet goed en liet
Dolf antwoorden.
Te gauw naar haar zin, hoorde zij, dat men aan de "Leeuwerik"
was en dus moest uitstappen.
"Vond je die boot prettig?" vroeg Dolf verwonderd.
"O zoo prettig. Ik had wel gewild dat het nog een uur geduurd had."
In den tuin was het vrij zonnig, er zaten nog eenige dames in de priëeltjes
met een handwerkje naar het spelen van haar kinderen te zien en de juffrouw
wees aan het tweetal een nog onbezet koepeltje aan den waterkant gelegen,
aan drie zijden met kamperfoelie begroeid.
[83:]
Rudolf bestelde
voor zich zelf een glas bier en voor zijn zusje melk. Zij nam de taartjes
uit haar zakje en presenteerde ze haar broer, maar deze had nu reeds
meer trek in een stukje worst!
"Er is hier ook een schommel en een wipplank. Je hebt dat in lang
niet gedaan of ben je er nu te groot voor?" vroeg hij.
"O neen, Dolf! Ik verlang er zoo naar, weet je wel wat een mooien
schommel we op ons erf hadden, toen we nog op het Koningsplein woonden?"
"Ja, en ook een wipplank, daar ben ik eens van gevallen, terwijl
ik met Kat jong, de tali-api jongen [Knechtje, wiens eenige plicht is
het vuurtouw vast te houden, dat tot het opsteken der sigaren dient.]
wipte. Die lompert sprong er onverwacht af."
"Je hebt toen nog je been gekneusd, en mama kreeg er zoo'n schrik
van."
Zoodra de melk en 't bier op waren, gingen beiden den tuin in; er stonden
een paar meisjes, zoo wat van Angeline's leeftijd, rondom den schommel,
en zoodra zij haar alleen zagen, kwamen ze naar haar toe en vroegen:
"Wil u ook eens schommelen, jongejuffrouw?"
Spoedig noemden ze haar reeds Angeline en wist Angeline dat een Annette,
een andere Rosalie, een derde Mina heette, en de vriendschap was gesloten.
Voor het eerst sedert vele maanden was Angeline weer kind geworden en
het verwonderde haar, dat deze meisjes zoo heel anders waren dan die
stijve, onvriendelijke leerlingen van juffrouw Pretz.
Zoodra Rudolf zijn zusje druk aan het spelen zag, ging hij eens den
tuin doorwandelen, hopende een vriend van hem aan te treffen, die ook
beloofd had hier te komen, en zoo den tuin ten einde wandelend, zag
hij op eenigen afstand een in aanbouw staand huis.
Metselwerk trok hem altijd aan en geen wonder, dat hij zich daarheen
richtte en een praatje maakte met de werklui. Het scheen een villa te
worden van zeer vreemde
[84:]
bouworde, die zijn
aandacht in hooge mate opwekte. Nadat hij van alle kanten het gebouw
had bekeken, bleef hij naar de gevel oplettend staren en sprak binnensmonds:
"Dat is jammer, zeer jammer!"
"Plait-il monsieur, wat is jammer van dit huis?"
Verschrikt keerde hij zich om en zag een man van middelbaren leeftijd
in een werkpakje, maar van vrij fatsoenlijk voorkomen, naast hem staan.
"Trouvez vous quelque chose om aan te merken?" vroeg hij met
zeer Fransch accent.
Rudolf antwoordde in het Fransch:
"Ik betreur alleen een klein verzuim, dat misschien zeer gemakkelijk
nog te herstellen zou zijn. Is u de architect van deze villa?"
"Oui, wat is votre observation?"
Rudolf legde hem uit, wat hij liever anders gewenscht had in den gevel,
een kleine verandering, waardoor het front meer tot zijn recht zou komen,
en hij legde zijn denkbeeld met zooveel duidelijkheid bloot, dat de
andere verwonderd uitte.
"Tiens, tiens, vous avez raison," en vroeg toen of hij ook
een aspirant-architect was.
"Helaas neen," was het antwoord en de ander verzocht hem in
een kamertje te gaan, waar het bouwplan lag. Ze redeneerden nu druk
over de verandering, en de architect begon hoe langer hoe meer pleizier
te krijgen in den vluggen jongen, die blijkbaar zooveel gelezen en gedacht
had over bouwkunst.'
"U moet mij opzoeken," zei de Franschman of liever de Belg,
"ik woon ook in de stad, mijn naam is Périssé en
mijn huis is daar en daar. Zonde en jammer, dat zulk een talent als
het uwe niet wordt aangekweekt."
Rudolf zuchtte en mompelde iets, van familieomstandigheden; hij schudde
het hoofd en verklaarde, dat niets boven aanleg ging en dat zulk een
talent behoorde ontwikkeld te worden, en het gevolg van dit gesprek
was,
[85:]
dat Rudolf zijn
nieuwen vriend beloofde hem te bezoeken en hij meer dan ooit ontevreden
was over den dwang, door zijn tante hem opgelegd.
Intusschen lachte en stoeide Angeline met hare nieuwe vriendinnen de
mama's verzochten haar, toenzij eindelijk vermoeid om een grooten tafel
gingen zitten, mee te komen om een kopje chocola te drinken. Daarna
werd er pand verbeurd en Rudolf, die ook naderbij kwam, deed mede, ofschoon
zijn gedachten ergens anders waren en zoo werd het eindelijk tijd om
naar huis te keeren.
Broeder en zuster stapten met de andere familie in de boot, en toen
men in de stad terug was, beloofde een der dames, die mevrouw Frémiot
kende, dat zij de volgende week Angeline zou vragen op een andere buiten
partij, die in een bos aan den anderen kant der stad zou gegeven worden;
opgetogen van pleizier keerde Angeline huiswaarts, maar tot hare teleurstelling
was Dolf tegen zijn gewoonte stil en in zichzelf gekeerd.
"Is er iets, Dolf?" vroeg zij.
"Neen, Lineke, niets! Ik wilde alleen maar, dat er geen zieke menschen
of dieven in de wereld waren. Papa zegt wel, dat het veel edeler is
om voor hen te leven en te zorgen, dan huizen te bouwen, maar het zou
er toch gek uitzien, als de zieken onder den blooten hemel moesten slapen
en men zijn geld niet in gesloten huizen kon bewaren."
"Ja, dat is ook zoo."
"En is het dan ook niet een heerlijk doel, kerken te bouwen, waarin
men God aanbidt, en villa's die de natuur verfraaien, terwijl een advocaat
dikwijls menschen, die hij schuldig weet, tegen beter weten in moet
laten vrijspreken en een dokter dikwijls verlangt naar ziekten en epidemieën?
Zou papa dat ook niet inzien?"
"Och, Dolf, ik denk dat papa het wel beter weet, maar hij moet
het wel zeggen om je over te halen, tante's zin te volgen."
"'t Is ongelukkig genoeg; de gedachte, dat morgen die
[86:]
lessen weer beginnen,
vergalt mij het grootste pleizier."
"Ach, wat spijt het mij. Ik heb zooveel pret gehad: dat eene meisje,
Annetje, leek veel op mijn beste vriendin Jeanne; ik hoop maar dat tante
mij zal toestaan, de volgende week met haar uit te gaan. Wat denk je
Dolf, zou zij het doen?"
"Ik denk het wel!"
"Ik ben zoo blij dat ik papa nu eens wat anders kan vertellen,
want wat heb ik anders te zeggen, dan dat ik naar school ga en een nieuw
themaboek heb, en dat het regent en waait, maar nu ga ik morgen papa
reeds alles schrijven wat er vandaag gebeurd is."
"Je hebt nu stof tot een grooten brief."
"En moet ik tante ook alles vertellen?"
"Wel zeker, doe het maar, dat brengt haar in een goed humeur."
Doch het was moeilijk tante iets te verhalen, waarin zij geen belang
stelde; zij deed geen enkele vraag, zag niet van haar werk op en voordat
Angeline nog half gevorderd was met haar geschiedenis, verzocht zij
haar toch niet zoo dicht bij de tafel te staan, daar zij anders de lamp
zou doen omvallen en dat het nu tijd werd haar Zondagsch jurkje uit
te trekken.
Tante zou dus nooit het tweede deel van het verhaal hooren.