XVII.
Des morgens sliep
de vermoeide Angeline langer dan anders; hare tante zat reeds aan het
ontbijt en Santje kwam met de zacht gekookte eieren binnen, toen mevrouw
haar vroeg:
"Slapen ze beiden nog?"
"Ik geloof dat de jonge heer reeds vroeg uit is gegaan; de huisdeur
was niet meer op het nachtslot."
"En waar heb je dan van nacht den huissleutel bewaard?"
"In de gang aan een spijker!"
"Dat is een misbruik; voortaan breng je mij dien, als je de deur
op 't nachtslot hebt gedaan. Roep nu juffrouw Angeline."
Het meisje was zich aan het kleeden, toen Santje op hare kamer kwam.
"Ik ben dadelijk klaar, Santje," zeide ze, "maar zeg
eens, is mijn broer beneden bij het ontbijt?"
"Nog niet, die broer van je is een rare snaak; het zal lang duren
voor hij aan tafel komt, nu hij het mokken in 't hoofd heeft."
Angeline ging naar beneden en klopte aan Rudolf's deur; deze was gesloten
en zij kreeg geen antwoord.
"Dat deed haar een weinig ongerust in de eetkamer binnentreden;
en na haar morgengroet te hebben beantwoord, vroeg tante dadelijk:
"Weet je ook waar Rudolf naar toe is?"
Zij werd doodsbleek en dit ontging mevrouw niet.
[98:]
"Is hij uit,
tante?"
"Je schijnt er iets van te weten! Waar is hij heen?"
"Ik weet het niet, tante!"
"Je mag niet jokken, Lientje, ik zie het aan je oogen, dat je heel
erg jokt. Je weet waar hij heen is."
"Neen tante, werkelijk niet, als ik het wist zou ik 't u zeggen."
"Maar waarom werd je dan zoo bleek?"
"Omdat... omdat..."
"Nu zeg het maar waarom?"
"Omdat hij gisteren zoo boos was en gedreigd heeft."
"Waarmee dreigde hij?"
"Met weg te loopen."
"Zoo
wees maar niet bang, hij zal wel terugkomen! Wat zal
hij honger hebben, gisteren niet gegeten, en nu nog geen ontbijt. Santje
houd twee eieren warm voor den jongeheer."
Onder Dolf's bord had tante twee rijksdaalders gelegd, bij wijze van
vergoeding voor het leed, dat ze hem had aangedaan; zij verlangde zeer
haar neef te zien en begon zelfs in haar geest te overleggen of de betrekking
van architect niet even eervol was als die van advocaat of dokter.
"Als hij architect wordt," dacht tante, "blijft hij stellig
in Holland, en ik ben overtuigd, dat ik geen klachten meer over hem
zal hooren. Hij zal dan geen reden meer hebben om mij koel te behandelen
en mijn goedheden te ontvangen, alsof ze hem tot last zijn."
Maar helaas! de deur bleef dicht, de tijd ging om, het werd negen, tien
uur, en tante hoe langer hoe meer verbitterd, gaf Santje bevel het ontbijt
weg te ruimen.
Angelientje kon niet meer rustig blijven op haar stoel en zij voelde
dat de blik van hare tante onophoudelijk strak, onderzoekend op haar
gevestigd bleef.
"Wanneer heeft Dolf je gezegd, dat hij wilde wegloopen?" vroeg
zij eindelijk.
"Hij heeft er niets van gezegd."
[99:]
"En toch heb
je zoo even beweerd dat hij er mee dreigde."
"Hij had me beloofd het niet te doen."
"Kom eens hier, Angeline, en vertel me alles wat je met hem gesproken
hebt en wat hij van plan was te doen. Alles begrijp je, alles!"
Maar of tante veel wijzer werd door Lientje's onsamenhangend, soms door
snikken afgebroken verhaal, is zeer te betwijfelen.
Eén ding was mevrouw Frémiot duidelijk, het meisje had
zich met alles bemoeid, misschien haar broer aangezet tot knutselen,
en het verwaarloozen zijner lessen, nu had zij zeker den armen Dolf
nog meer tegen tante verbitterd, in één woord zij was
de schuld van alles.
Eindelijk tegen twaalf uur toen er nog geen Rudolf opdaagde, beval tante
aan de meid te trachten de kamerdeur van den jongeheer te openen met
sleutels van andere kamers, doch dit bleek onmogelijk en eindelijk werd
besloten den smid te roepen, om het slot open te breken.
Het was een hard besluit voor mevrouw een vreemde in de zaak te mengen,
maar zij vreesde dat misschien Dolf iets overkomen was, Santje zich
vergist had, en hij niet uit was gegaan.
Zoodra het slot opengebroken was, ging zij er in; Dolf scheep wel te
bed geweest te zijn, maar gekleed en al; zijn reistasch stond niet meer
in den hoek en zijn beste kleeren waren verdwenen, overigens zag alles
er uit als gewoonlijk.
Op de schrijftafel lag echter een verzegeld briefje met het adres van
zijn tante; vol koortsachtige spanning brak mevrouw Frémiot liet
open en las:
"Lieve, tante!
Wijt mijn vlucht niet aan ondankbaarheid, want ik zal nimmer vergeten
hoe goed uw bedoelingen geweest zijn, maar ik kan niet studeeren voor
het vak, dat u voor mij gekozen heeft; ik wil maar één
[100:]
ding worden en
om dit doel te bereiken, ga ik de wereld in.
"Het zal onnoodig zijn mij te laten zoeken, want niemand kan het
raden, waarheen ik ga; stel papa gerust, ik zelf zal hem schrijven zoodra
ik een vaste woonplaats heb, en als u mij terug ziet, vertrouw ik reeds
een bestaan te hebben.
"Ik hoop dat u niet boos op mij zal zijn; ik vergeef u van harte
het gebeurde van gisteren, ik wil er niet meer aan denken, ofschoon
het mij een besluit heeft doen nemen, dat reeds lang in mijn hoofd leefde:
maar als ik u iets verzoeken mag, wees even vriendelijk voor mijn zusje
Angeline als u het steeds voor mij geweest zijt.
"Ik weet dat papa haar kost- en schoolgeld betaalt en dat hem dit
op vele opofferingen te staan komt, vrees ik zeer. Breng dan uw goedheid
van mij op haar over; zij zal beter dan ik uw moeite beloonen; ik houd
heel veel van haar, zij is zeer vlug van begrip en heeft mij trouw geholpen.
"En nu, lieve tante, tot wederziens, over eenige jaren, ik hoop
dat u altijd in liefde denken zal aan
Uw liefhebbenden neef
Dolf."
Rudolf had werkelijk
gemeend een kostelijke proeve van gedachten en stijl te hebben geschreven,
nadat eerst wel vijf kladjes in de snippermand waren verdwaald; vooral
zijn verzoek omtrent Angeline vond hij een meesterstuk van beleid en
berekening; in het laatste kladje stond nog een heel mooie volzin: Zij
heeft geen schuld aan mijn ontvluchting, integendeel, ik heb slechts
door een leugen haar kunnen beletten mijn plan te verijdelen."
Doch ongelukkig genoeg, hij werd moe van het schrijven, iets wat hij
toch al niet graag deed, en zijn lamp begon flauwer te branden, hij
haastte zich; deze heele
[101:]
volzin bleef in
de pen en, wat nog erger was, de woorden bleven staan: "zij heeft
mij geholpen in mijn studiën..."
Tante's verontwaardiging was te sterk, dan dat zij zich in woorden lucht
kon geven.
"Ga naar uw kamer!" was het eerste wat zij sprak tot de arme
Angeline.
"Ach tante," bad het arme kind, "waar is hij toch heen!"
"Naar uw kamer!" en dit op een toon, die geen tegenspraak
duldde; Angeline gehoorzaamde en wachtte uren en uren.
Zij hoorde Santje in- en uitgaan, vreemden te woord staan en binnenlaten,
maar zij scheen vergeten.
Eindelijk kwam de meid boven, met een opgewekt gelaat.
"Och Santje," smeekte zij, "zeg me toch wat er in huis
gebeurt, zoeken ze hem?"
"O kinderen, wat brengen jelui toch een beweging in dit stille
huis; foei Angeline, wat ben je begonnen met je broer in zooiets te
helpen. 't Is zonde."
"Ik heb hem niet geholpen," stotterde zij.
"En nu nog jokken er bij. Dat oostersche goed is toch niet te vertrouwen.
Ga nu maar gauw naar beneden; de commissaris van politie is daar; die
moet je ondervragen en als je dan nog leugens verkoopt, ga je naar de
gevangenis."
Bevend als een riet, kwam het arme kind beneden en vond in 't salon
hare tante zitten met een zeer ernstig gelaat, dat er echter heel anders
uitzag dan gewoonlijk; er lag iets verdrietigs in. Tegenover haar zat
een heer met een zwaren baard en een norsch voorkomen.
Santje bleef natuurlijk, zoodra de deur gesloten was, aan het sleutelgat
luisteren; zooiets bijzonders als het wegloopen van een jongeheer gebeurde
niet alle dagen.
De commissaris vroeg Angelientje of zij bereid was de waarheid te zeggen,
niets dan de waarheid; zij was zoo verschrikt, dat ze nàuwelijkskracht
had ja te antwoorden.
[102:]
"Vertel me
nu eens wanneer ge uw broeder het laatst hebt gesproken."
Angeline vertelde het voorgevallene op zijn kamer; niettegenstaande
de herhaalde vragen van den commissaris, gelukte het hem evenmin als
mevrouw Frémiot een duidelijker begrip van de zaak te krijgen,
want Angeline wist niets anders, dan dat Rudolf heen wilde gaan en zij
hem verzocht had het niet te doen.
Op hetgeen zij echter verklaarde gezegd te hebben, werd geen acht geslagen.
"Maar hoe wist u dan, jongejuffrouw, dat uw broer plannen had om
te vluchten?"
"Ik dacht het maar zoo, omdat ik hem nog hoorde heen en weer loopen."
"En weet u ook den naam niet van zijn vriend?"
"Neen."
"Is dat de waarheid?"
"Ja."
Tante schudde twijfelend het hoofd.
"En heeft u dan niet het minste vermoeden, waarheen hij gegaan
is?"
"Neen... ja toch, ik geloof naar Duitschland."
"Hoe komt u aan dat vermoeden?"
"Hij heeft mij vroeger gezegd, dat hij in Duitschland een vriend
had, wiens familie hem gaarne zou ontvangen."
"Is dat dezelfde vriend, van wien hij gisteravond sprak?"
"Dat geloof ik niet."
"En waarom niet?"
"Omdat hij gezegd heeft, dat deze vriend wel zijn vader kon zijn,
terwijl. de andere meen ik, een schoolkameraad was."
De cdmmissaris teekende iets op en gaf mevrouw een wenk, dien zij begreep,
want dadelijk liet zij er op volgen:
"Ga naar buiten," hetgeen Angelientje natuurlijk met meer
haast deed, dan zij gekomen was.
Mevrouw bleef nog lang met den commissaris praten,
[103:]
en hij scheen haar
te beloven al het mogelijke te doen om den voortvluchtige terug te vinden.
Ondertusschen moest Angeline weer naar hare kamer, waar haar het eten
gebracht werd, en eerst daarna liet tante haar roepen en zeide met hortende
en stootende stem:
"Ik heb uw ooms ge... te... le... grafeerd, dat u morgen komen
zal; Santje zal. . . u. . . helpen uw goed in te . . . pakken. . . u
vertrekt morgen met den eersten trein naar. .. Koningsbosch."
Deze woorden bedwelmden Angeline zoo, dat zij geen geluid kon voortbrengen;
als wezenloos staarde zij hare tante aan, die langs haar ging en hare
tegenwoordigheid niet eens meer scheen op te merken.