[56:] X.
De volgende morgen
ging voorbij met het uitpakken van Angeline's koffers; die gewichtige
handeling moest in de gang plaats hebben, want tante was bang dat er
kakkerlakken tusschen het goed verscholen waren, die dan het huis zouden
vergiftigen.
Lucie weerde zich natuurlijk dapper; zij inspecteerde nauwkeurig al
het ondergoed van het meisje en lachte soms hardop.
"Hoe echt oostersch, hoe echt oostersch!" riep zij uit.
Ook de bovenkleederen bevielen haar niet.
"Tante wil alles nakijken, wanneer ik het netjes heb uitgepakt;
wat zal ze veel aan te merken hebben. Dit zwarte japonnetje is zeker
nog een rouwjurk, niet waar?"
"Ik ben niet in den rouw geweest."
"Niet? Doen ze dat niet in de Oost?"
"Bijna nooit!"
"Wat een wonderlijk land! Hoe vreemd, niet rouwen!"
"Men kan toch genoeg rouwen in het hart, zeide mama altijd en wilde
er volstrekt niets van weten dat ik zou rouwen om haar dood!"
"Een wonderlijk idee. Ik heb al acht maal gerouwd in mijn leven,
het laatst voor je mama. Zwart staat mij keurig, ik ben pas sedert zes
weken uit den rouw en ik zou er ook nog niet zijn uitgegaan, als ik
niet op een buitenpartij verzocht was. Men zou dan gaan dansen, en het
staat zoo gek, dansen met rouwkleeren aan."
"Ik zou niet willen dansen, al draag ik geen rouwkleeren."
"En waarom niet?"
"Men danst alleen als men vroolijk is, en ik ben nog veel te verdrietig
over mama's dood!"
"In besloten gezelschap hinderen rouwkleeren niet, maar als men
met velen is, komen er licht praatjes. Tante is nog in halven rouwen,
Dolf ook! Wij kunnen je daarom
[57:]
niet zoo laten
uitgaan met dat schotsche rokje. Onmogelijk! Ik zal er met tante over
spreken en dan zal ik van middag uitgaan om het een en ander voor je
te koopen en de naaister te laten komen."
Angelientje zweeg en Lucie ging voort:
"Houd je niet van mooie kleeren? Andere meisjes stellen in niets
anders belang, en de rouw staat brunettes zoo lief."
"Als het om 't lief uitzien te doen is, dan wil ik mij niet in
den rouw kleeden."
"Maar kind, niet willen... laat tante dit niet hooren, foei, foei!"
Angelientje liet Lucie voortaan maar praten en ging voort met het uitpakken.
Zij had cadeautjes meegebracht voor tante en Dolf, maar daar zij niets
van Lucie's bestaan wist, had ze voor haar geen presentje meegebracht.
Daar ze echter inzag, dat het nichtje ook op iets rekende, gaf zij haar
eigen Japansch werkdoosje, waarmede Lucie zeer in haar schik was.
"Zal ik dit theeblad maar aan tante geven?" vroeg Angelientje,
"en deze japansche cassette in Dolf's kamer brengen?"
"Ja doe dat, 't is keurig mooi goed, keurig, hoe wist je toch,
Lientje lief, dat ik bij tante woonde."
Het meisje wilde niet jokken en glimlachte tot eenig antwoord, daarop
ging ze naar boven en bracht tante haar geschenk.
Mevrouw Frémiot nam het met een ernstig gezicht aan, bedankte
zeer statig, hield het blad tegen het licht, om te onderzoeken of er
geen krassen op waren, glimlachte en schudde het hoofd, als wilde zij
zeggen:
"Hoe kunnen ze toch nog zulke rijke cadeaux geven in hun omstandigheden."
Angelientje verliet het salon en was reeds zoo gewend aan de manieren
van tante, dat zij haar gedrag niet eens meer vreemd vond; de kamer
van Rudolf stond open, en nieuwsgierig trad zij binnen.
[58:]
Alles verried daarin
de jongensachtigheid van den bewoner, de meubels waren rijk en degelijk,
maar bemorst en bevlekt; aan den muur hingen pistolen en floretten,
op de tafel lagen bdeken en teekeningen door elkander, naast vreemde
steenen en gedroogde insecten.
Angelientje legde de schrijfcassette op de tafel en haalde uit een der
laadjes zorgvuldig een klein voorwerp, dat ze er in verborgen had; een
portretje van haar mama in een lijstje van gevlochten haar en bloemen
die zij op haar graf had geplukt.
Het zusje legde het portret neer op de cassette en sloop toen weer de
kamer uit naar beneden.
Om twaalf uur was het voornaamste reeds gedaan met Angelientje's bescheiden
garde-robe; de koffers werden op den zolder gebracht, het goed in haar
kastje gearrangeerd en juist was Lucie in een ernstig gesprek verdiept
met hare tante over het maken van rouwkleeren voor Angelientje, toen
de gewone heftige ruk aan de huisbel Dolf's komst aankondigde.
"Neen," zei tante, "wat moet, dat moet. 't Is ongelukkig,
wie had ooit kunnen denken, dat het kind zoo berooid zou aankomen. 't
Is ergerlijk."
Angelientje beet zich op de lippen, en voelde dat zij een kleur kreeg.
"Maak er van middag werk van, Lucie; zij moet Maandag naar school,
juffrouw Pretz wacht haar reeds sinds veertien dagen."
Intusschen was Rudolf, zingend en druk als altijd de trap opgevlogen.
Lucie, die naar de keuken moest, ontmoette hij op de gang en hij kwam
haar met uitgestrekte armen tegen, zingende:
"O bel ange, ma Lucie,
Val en breek je nek in drie-e!"
"Laat me door kwajongen!" riep zij en trachtte onder zijn
armen weg te kruipen.
[59:]
"Kwajongen,
alweer! Wanneer zal je dat eens laten, oude vrijster?"
"Dolf, ik zeg het aan tante."
"Alsjeblieft, alsjeblieft, als ik een kwajongen ben, dan ben jij
niets anders dan een... ja het leelijkste zal ik maar niet zeggen,"
en hij vloog zijn kamer in, na eerst haar kam uit het haar te hebben
getrokken zonder dat zij het merkte.
"Ik kan niet langer huishouden met dien jongen," pruttelde
Lucie tegen Santje.
"Hij wordt bij den dag onbeschofter," antwoordde de meid.
"Mevrouw geeft hem ook in alles zijn zin. Die jongen wordt nog
rijp voor de gevangenis."
"Er zit geen haartje ernst of fatsoen in," en zij keerde naar
het salon terug.
"Maar Lucie," riep tante, "wat heb je toch aan je haar
gedaan, foei, is dat een manier van doen zoo te schreeuwen en te stoeien
op de gang. Een meisje van bij de dertig!"
"'t Is de schuld van uw neef," gaf Lucie bits ten antwoord,
"ik zal niet met hem beginnen te stoeien."
"Je sart hem altijd, dat kan zoo niet voortgaan."
Lucie, bleek van ingehouden drift, want zij was te bang voor haar nicht
om een brutaal antwoord te geven, zag in den spiegel en stak haar verwarde
lokken met een haar speld een weinig op.
"Het kan lang duren, vóór ik hem mijn kam terugvraag,"
mompelde zij, "die jongen is vandaag zoo ergerlijk opgewonden,
't is niet om uit te staan."
De koffie was gezet en men wachtte alleen op Rudolf om met het eten
te beginnen.
"Waar blijft hij nu toch," vroeg Lucie.
"Hij maakt zeker zijn toilet," antwoordde tante.
"Zijn toilet! Dat kan men denken, zijn toilet."
Weer werd een poosje gewacht.
"Dat toilet duurt bijzonder lang!" spotte Lucie. "Zal
ik eens gaan kijken," en zij stond op.
[60:]
"Neen, dat
zou maar weer onregelmatigheden veroorzaken. Angelien, wil u eens zien,
waar uw broer blijft, u weet immers waar zijn kamer is?"
Angelientje was dadelijk bereid en ging naar Dolfs kamer. Zij had de
gewoonte nog niet om voor dichte deuren te staan en dus ook niet om
te kloppen. Zij trad dus binnen en zag Rudàlf voor het raam staan.
"Dolf," zeide ze zacht, "Dolf!"
"Wat is het?" vroeg hij norsch zonder zich om te keeren.
Zij naderde hem en hief haar zacht, lief gezichtje naar hem op, toen
zag zij duidelijk dat hij schreide. Het portret hield hij in de hand.
"Laat mij," zeide hij ruwen stiet haar af, terwijl hij met
de andere hand over zijn oogen streek.
Angelientje ging verlegen een paar stappen achteruit.
"Ze wachten met de koffie," ging zij voort.
"Wat gaat mij dat aan? Laat ze drinken als ze willen."
Niet wetende wat te denken, wilde Angelientje zich stil verwijderen,
toen hij kortaf riep:
"Angelien!"
Zij keerde terug en zag hem vragend aan.
"Is dit portret voor mij?"
Zii knikte.
"Wie heeft dat randje gemaakt?"
"Mevrouw Vonkers en ik."
"En is die casette ook voor mij?"
"Ja, die zendt papa je."
"Ik dank je wel! Zeg eens ga nu naar tante en als ze je vragen,
wat ik deed, dan... dan zeg je niet de waarheid hoor."
"Maar ik mag toch niet jokken."
"Dat kan me niet schelen, maar ik wil niet dat je zegt van... van
je weet wel
"
"Zal ik dan maar zeggen dat je dadelijk komt en ze beginnen moeten."
"Ja dat is goed."
[61:]
"Rudolf!"
"Nu wat is er?"
"Zal ik je wat vertellen van mama of papa, of verlang je niet iets
van hen te hooren."
"Nu nog niet! Ga maar heen, wijsneus!"
De arme Angeline had er geen begrip van dat er menschen zijn, die zich
schamen voor hunne edelste gevoelens en die liever voor ongevoelig en
lichtzinnig doorgaan dan den naam te hebben van flauw en weekhartig.
Rudolf behoorde tot deze soort; hij was een wilde jongen, die meer dan
een ander streng toezicht en ernstigen raad noodig had, maar deze van
niemand ontving. Een gouden hart bezat hij echter, in weerwil van al
zijn gebreken, en een vlug levendig verstand, waarvan hij echter te
weinig gebruik verkoos te maken. Hij leerde niet veel, hij studeerde
juist genoeg om met zijn makkers gelijk te blijven, en toch evenveel
tijd aan zijn genoegen te besteden, als hem aangenaam was.
De heer de Roze vermoedde het niet op welk een gevaarlijken weg zijn
zoon zich bevond; hij durfde weinig aanmerkingen maken op het opvoedingssysteem
zijner tante, daar hij haar eigenzinnigheid kende en vleide zich dus
met de hoop, dat alles goed ging en Rudolf eens een bekwaam advokaat
zou worden.
Tante stelde zich tevreden met Angeline's boodschap en vroeg niet naar
't geen Dolf in zijn kamer deed.
Weinige oogenblikken later kwam hij zelf binnen en deed zijn best om
vroolijk en opgewonden als gisteren te doen, maar Angelientje merkte
het spoedig genoeg, dat het hem niet van harte ging.
Het terugzien van zijn zusje had weinig herinneringen in zijn gemoed
doen ontstaan, maar het gezicht van zijn lieve, teedere moeder, wier
genegenheid hij zoo gaarne ontving en die hij niet gebruikte zooals
die van zijn tante om er zijn portemonnaie mee te vullen, deed hem plotseling
weer in het verledene leven en een heimwee ontstaan naar die jaren,
toen hij zoo kinderlijk gelukkig was en
[62:]
zich er niet voor
schaamde zijn ouders en zusje lief te hebben.
Na de koffie ging hij weer naar school, maar 's avonds bleef hij thuis,
zette zich naast Angelientje op de canapé en begon haar te vragen
naar Hippi, zijn paardje, of dat ook verkocht was en naar allerlei wat
betrekking had op de zoete dagen van vroeger.
Het gesprek werd hoe langer hoe levendiger, Angelientje zat nu op haar
praatstoel en vergat dat tante zich ergerde aan de onhollandsche gewoonten
en manieren, die uit Angelientjes vertelling merkbaar werden, en zeer
teleurgesteld was omdat het nieuwe nichtje zoo druk kon zijn. Er kwam
geen einde aan het "weet je nog" "ik herinner mij,"
doch als instinctmatig zweeg Angeline over den laatsten treurigen tijd
van verblijf op Java en ook Rudolf deed er geen enkele vraag over.
Lucie hoorde hun praten gaarne en betreurde het alleen dat zij geen
deel kon nemen aan het gesprek.
"Och, och! ik hoor 't wel. 't Is een heerlijk leven in de Oost,"
zeide zij, "ik wou dat ik er ook zat."
"Ga, ik zal 't u niet beletten," sprak tante koel.
"Dat weet ik wel," bromde zij zacht.