IX.
Eindelijk begon
dan het diner.
Mevrouw vroeg eens aan Angelientje of zij zich nog iets van haar broeder
kon herinneren en deze antwoordde van ja.
"Hij is zeer groot geworden, bijna zoo groot als ik," sprak
zij en at daarna zwijgend haar soepbord leeg.
Ook Lucie en Angeline deden hetzelfde; de aardappelen werden reeds opgediend,
toen een hevige ruk aan de schel Lucie zenuwachtig deed opspringen en
Santje uitroepen:
"Daar heb je hem eindelijk, de..." en buiten gekomen voltooide
zij haar volzin: "de vlegel."
"Zijn ze al met het eten begonnen?" vroeg een heldere klankrijke
stem, nadat Santje de deur had geopend. "Er zal toch nog wel een
aardappeltje voor mij zijn overgebleven; ik heb een honger, een honger
als drie wolven."
"Jongeheer, jongeheer, wat zien uw voeten er uit. Gunst, ik heb
vanmiddag pas de trap geboend. Zie eens aan, de nieuwe looper."
"Wil je wel eens
wat kan mij je loop er schelen. Daar, gooi
die boeken op mijn kamer!"
En in twee, drie sprongen was hij de trap op en zonder te kloppen trad
hij de eetkamer in.
Doodsbleek en vol verwachting zag Angelientje om
[50:]
naar haar grooten
broeder; groot dat was hij, flink ontwikkeld er bij, zijn gelaat was
open en innemend, zijn oogen schitterden van dartelen overmoed en zijp
kleeding hoe slordig en verwaarloosd ook, werd met een onnavolgbare
gratie gedragen.
"Zoo dames, ik heb u laten wachten. 't Spijt me wel! tantelief,
maar, maar... ik heb mijn tijd niet verloren. Kijk eens aan," hij
streek zijn donker haar van het voorhoofd en er kwam een groote blauwe
plek bij zijn slapen voor den dag.
"Een ongeluk, zeg Dolf, beste jongen, ben je gevallen," vroeg
tante met een levendigheid, die men niet in haar zou vermoed hebben.
"Vallen, kleine kindertjes vallen, maar wij groote jongens vechten.
We hebben mekaar eens flink afgeranseld, Johan van den dokter, die nare
kniesoor, en ik."
"Ach, wees toch voorzichtig mijn arme jongen! Zie eens rond, je
zusje is gekomen.
"Mijn zusje? domoor, die ik ben. Door het vechten met dien wildebras
heb ik 't heelemaal vergeten, dat zij vandaag zou komen. Welkom zus,
welkom in het leven!"
En hij gaf het onthutste kind een vluchtigen kus.
"Wat ben je nog klein! Ik heb genoeg van kleine menschen,"
en hij zag Lucie van terzijde aan. "Ik had gehoopt, dat je een
flinke meid zou wezen. Je bent niets gegroeid."
"Wat weet jij er van, Dolf, zie haar kleeren maar, bah foei, wat
zijn die haar kort! Ze is er geheel uitgegroeid."
"Ja, ik moet bekennen haar toilet is niet flatteerend, 't is niet
in Parijs gemaakt hoor! Maar laat toch wat soep aanrukken, Lucie, of
denk je dat ik geen honger heb?"
"Dan was je ook vroeger thuis gekomen en zou niet op straat gevochten
hebben als een kwajongen uit de achterbuurt."
"Wat, kwajongen; weet je er iets van waarom ik gevochten heb? Het
was mijn plicht!"
En Rudolf's oogen gloeiden van verontwaardiging en
[51:]
strijdlust; zijn
tante zag hem met welgevallen aan en zijn zusje kon den blik niet van
hem afwenden.
Lucie ging sarrend voort:
"Kom, dat zal ook wat geweest zijn; foei 't is zoo min zijn handen
te gebruiken. Jeu de main, jeu de vilain."
"Vilain? Weet je wat vilain is, Lucie? Te oordeelen over een zaak
zonder dat men er het rechte van af weet, en vilain is het ook als een
zoon het zich goedsmoeds laat zeggen dat zijn vader een bankroetier
is."
"Wie heeft je dat gezegd?" vroeg mevrouw verschrikt.
"Die schele Johan; maar hij zal het niet meer zeggen en niemand
anders meer. Ik heb hem onder mijn knie gehad en hij heeft zijn woorden
herroepen, dat is mij meer waard dan een blauw oog."
Het eten was intusschen voortgegaan en Rudolf scheen toch niet zoo verontwaardigd,
dat hij zijn eten er voor zou laten koud worden.
"Ik zal maar niet vragen, hoe het met papa en mama
ik bedoel
papa gaat," zeide hij tot Angeline, "ik geloof dat wij latere
berichten uit Batavia hebben, niet waar tante; wanneer heeft u den laatsten
brief ontvangen?"
"De vorige week."
"En was papa gezond?" vroeg Angeline.
"Ja, het schijnt wel, hij schrijft er niets van, naar gewoonte.
Er was ook een brief voor u bij."
"Voor mij! Tante mag ik dien hebben?"
"Straks kind, straks! Geduld is zoo'n schoone zaak."
"Dat zagen we laatst aan onze kat... Tante, wat citeert u toch
ad rem! lk verlang niet naar mijn brieven uit Indië. Papa wil hebben
dat ik hier advocaat of dokter zal worden en dat doe ik niet."
"Papa niet alleen wil het hebben, Rudolf, maar 't is ook mijn wil."
"Lucie nog een bord soep! 't Is zeker ter eere van de nieuwe zuster,
dat de soep vandaag niet zoo dun is als anders. Neen tante, vlei u daar
niet mee. Holland is een ellendig land en ik blijf er niet, nooit, nimmer,
en al danst
[52:]
U ook nog met Lucie
de kraaienpolka op het hoofd, ik ga van hier naar mijn heerlijke Insulinde,
en dan ga je met me mee, zus, maar eerst grooter worden! Ik houd niet
van kleine menschen en miniatuurportretten."
"Angeline zal een hoog idee opvatten van je beleefdheid, Dolf,
je doet niets dan domheden zeggen."
"Dan zal ik nu eens iets geestigs voorstellen. Ik drink mijn zusje
haar welkomst niet toe met een glas water. Tante, wil u Santje zeggen,
dat zij een fijne flesch moet halen!"
En tot Angeline's groote verwondering belde tante.
"Is dat nu niet verstandig?" vroeg Rudolf; "zeg bleekneus
van een nicht, voor jou is zoowat kleurig vocht ook nuttiger dan brood."
Zoo ging het diner voorbij. Rudolf's mond stond geen oogenblik stil;
hij kibbelde met Lucie, vleide of plaagde tante en at zoo verschrikkelijk
veel, dat Angeline zich zelf verklaren moest, dat zij nog nooit te voren
zooveel door een menschelijk keelgat had zien verdwijnen.
Angeline zag reeds met zekere eerbiedige bewondering naar haar broer
om en toch, zij was teleurgesteld; zij had iets heel anders van hem
verwacht. Dwaas kind, dat ze was; zij meende van dien éénen
jongen alle teederheid te ontvangen, die zij genoten had van haar vader
en moeder, mevrouw Vonkers en Jeantje, maar helaas! alles was zoo heel
anders dan zij zich had voorgesteld. Tante was zoo stijf en koud, Lucie
zoo oppervlakkig en zij ging haar bovendien niet aan en Rudolf was zoo
wild en zoo onverschillig voor zijn eenig zusje.
Na het diner stak hij een sigaar op en zeide, dat hij dien avond uitging.
Lucie maakte een opmerking en vroeg of hij dan toch niets om het gezelschap
van zijn zusje gaf.
"Later, nu nog niet, maar in elk geval meer dan om uw gezelschap,
nicht."
Vóór dat hij uitging, fluisterde hij tante iets in het
oor, streek haar langs de wangen, waarop mevrouw Frémiot
[53:]
zoo vriendelijk
als zij kon glimlachte, hare portemonnaie open maakte en hem iets toestak.
Nu kuste hij haar zeer hartelijk, groette de beide meisjes vluchtig
en verdween.
"Zorg toch dat je er netjes uitziet, Dolf!" riep tante hem
na.
"Ja, tante, ja."
Een kwartier later kwam hij terug, keurig gekleed en met gekamde haren,
en zonder de blauwe plek op zijn voorhoofd zou hij er onberispelijk
hebben uitgezien.
"O foei, wat ben je geteekend!" zei Lucie.
"Beter met een blauwe plek, dan met dat woord."
"Wat gezegd is, blijft gezegd," mompelde Lucie.
Na zijn vertrek werd het in het salon weer muisstil.
Tante haakte, Lucie breide en Angelientje sloot weldra hare oogen van
vermoeienis en verveling.
De thee werd binnengebracht en door Lucie gezet, maar de conversatie
kon niet levendiger worden, en weIkom was het Angelientje toen tante
eindelijk zei:
"Ik geloof dat het goed zou wezen, Lucie, als u Angeline naar bed
bracht, zij valt om van de slaap."
Zij wenschte tante goeden nacht en was blijde met Lucie de kamer te
kunnen verlaten.
"Voor vandaag mag Lucie met je mee," sprak tante, "maar
in het vervolg moet je alleen naar bed gaan."
Ruim maakte Lucie van het voorrecht gebruik, dat haar misschien nog
aangenamer was dan haar beschermeling. Lucie had een waren hartstocht
tot babbelen, die des te sterker werd, omdat zij in tegenwoordigheid
van haar tante steeds zwijgen moest.
Wanneer zij eens even kon, sloop ze weg naar de keuken, en bleef zoo
lang mogelijk met Santje staan praten, totdat mevrouw achterdocht opvatte
en haar volgde. Gewoonlijk zwegen ze dan beide als bij tooverslag en
Lucie sloop beschaamd terug naar de huiskamer.
Nu echter kon Lucie gevoegelijk een groot half uur weg blijven.
"Is me dat een vervelend mensch," pruttelde zij; "dat
[54:]
zij zelf zwijgt,
moet zij weten, maar dat ze andere menschen belet te praten, dat is
te erg! Waarom hebben we anders een mond gekregen als het niet is om
te spreken?"
"Wil jij het dan niet hebben?" vroeg Angelientje naïf.
"Dat weet ik niet, maar als ik haar oogen op mij voel rusten, dan
is 't of mijn keel dichtgeschroefd wordt, en dat ben ik niet alleen,
die het ondervind, maar Santje en jij en alle kennissen, die een enkelen
keer hier komen iedereen, behalve Dolf, die weet haar te betooveren."
"Waarom blijft u dan hier, nicht Lucie?"
"Waarom? Wel omdat ik nergens anders een tehuis heb."
"Ik heb ook geen thuis," zuchtte Angelientje.
"Maar je hebt nog een papa en een broer van wien je wel nooit veel
pleizier zult beleven; maar enfin, 't is toch een broer, en ik ben een
wees, een zeer arm meisje, dat haar leven moet doorbrengen al logeerende.
Overal in de familie waar er schoonmaak is, of waar een zieke ligt of
waar bruiloft wordt gevierd, denkt men aan de nicht bij uitnemendheid,
daar ben ik welkom. Ik of mijn diensten dat zullen we niet beslissen.
Tante Frémiot had een huishoudster en gezelshapsdame noodig en
daarom werd mij verzocht dit postje waar te nemen. Veel te doen heb
ik niet in het huishouden, en wat het gezelschap houden betreft, behoef
ik niets anders te doen dan te zwijgen, en dat is op den duur heel moeilijk.
Overigens heb ik alles in overvloed."
"Maar ik ga toch zeker naar school?"
"Ja zeker, reeds Maandag, heeft tante gezegd."
"Dat doet mij pleizier, ik verveel me zoo!"
"Nu al? Och, och, wat zal je van den winter zeggen." Lucie
bleef nog bij Angelientje's bed haar in slaap praten, zeide zij, maar
eigenlijk ontnam zij haar door, het onophoudelijk gebabbel den slaap.
Angelientje deed de oogen toe en veinsde ingedommeld te zijn, doch ze
deed dit alleen om de nicht geen antwoord te moeten geven.
Eindelijk toen haar zwijgen te lang duurde, nam Lucie
[55:]
den blaker op en
begaf zich naar de keuken, waar ze nog een kwartier lang, met de brandende
kaars in de hand, over de nieuwaangekomene met Santje bleef praten,
totdat ze eindelijk iets in de gang hoorde ruischen.
"Daar is mevrouw," riep Santje.
Toen werd de kaars uitgeblazen en Lucie schoof zachtjes naar de eetkamerdeur,
om van daar in het salon te komen.
Ondertusschen lag de arme Angeline nog wakker en ze schreide haar hoofdkussentje
nat, iets wat ze al menig keer gedaan had na dien gelukkigen twaalfden
verjaardag. Het leven scheen haar nu eenzamer en treuriger toe dan ooit
te voren; en vroeger had zij niet eens vermoed, wat mama eigenlijk bedoelde,
als zij haar zeide:
"Lientje lief, schrei toch niet om elke kleinigheid. Wie weet hoe
je nog tranen zult noodig hebben voor grooter verdriet!"
Zou mama nu haar droefheid ernstig genoeg achten? Helaas! er was immers
niemand die veel om haar gaf, niemand, zelfs Rudolf niet, die nog geen
enkelen keer gevraagd had naar hetgeen beiden het naaste was.
Langzamerhand werd alles onduidelijk en dof voor Angelientje's betraande
oogen; zij verbeeldde zich, dat haar moeder voor haar bedje zat en haar
over het hoofd streek, en zacht vielen haar oogleden toe en duidelijk
zag ze nu de geliefde gestalte en den vriendelijken glimlach, die haar
bij zich riep, en zij hoorde het nu helder en klaar:
"Angelientje denk aan Rudolf!"
Wat er verder gebeurde, herinnerde het meisje zich niet meer, maar zoete
droom en waren het zeker, die haar wiegden, want den volgenden morgen,
toen Lucie naar haar kwam zien, lagen er nog wel tranen op haar wangen,
maar om haar lippen speelde een vroolijke lach.