XI.
Des middags om vier
uur, toen Angelientje van school thuis kwam, zeide Santje haar:
"Er is een heer in het salon om u te spreken."
"Mij te spreken?"
"Ja u, mevrouw heeft gezegd dat ze ziek was en dat u zelf komen
moet."
Nieuwsgierig deed Angeline haar goed af en trad het salon in. Lucie
was natuurlijk druk aan het redeneeren met den vreemde.
[63:]
"Ha, daar
is uw nichtje! Kom hier, Lientje, dat is je oom Karel nu. Niet waar,
mijnheer, u is immers oom Karel?"
"Jozef, om u te dienen. Karel is mijn broer, die eerst mee had
willen komen, maar hij moest naar de veemarkt. Kom eens hier, nichtje,
wel, wel, wat lijkt ze veel op Hendrik. Een flinke meid, een aardig
dametje."
Angeline voelde haar verlegenheid verdwijnen, gaf oom een zoen en wierp
een steelschen blik op zijn weinig elegante kleederen en verbrand maar
goedig gelaat.
"Een fijn ding, maar haar moeder was ook zoo'n teer poppetje. Jongen,
jongen, wat hielden we toch veel van zus Fanny. Ik zie haar nog in onzen
moestuin wandelen met een bont schort voor en met haar fijne vingertjes
de erwten plukken. Dat broer Hendrik zijn fortuin heeft verloren is
nu wel zoo heel pleizierig niet, maar 't is wel te boven te komen, maar
zoo'n vrouw? Neen dat was een geweldige slag. Huil je er om, Angelientje
?
Kom eens hier, beste meid! op oom zijn schoot... ik begrijp dat heel
goed. Je moeder was toch niets van mij dan een schoonzuster, en toch
toen de tijding kwam van haar dood, hebben wij zoo waar gehuild nog
harder dan jij het nu doet, Karel en Anton en ik en we zijn geen jongejuffertjes
hoor!"
"Maar mijnheer," begon nicht Lucie, "gebruikt u geen
maderatje of een glaasje port?"
"Heeft u het bij de hand, juffrouw?"
"Dat wil zeggen hiernaast."
"O zoo, als je blieft, een bittertje had ik liever, maar dat zullen
zulke fijne dametjes niet in huis hebben."
En toen zij zich verwijderd had:
"Ik wou dat de bleeke rnadam ons met rust liet, nietwaar Angelientje,
je hebt mij zooveel te vertellen. Kon je maar met ons meegaan naar Koningsbosch;
daar hebben we geen dametjesschool als hier, maar een grooten tuin en
een beek en prachtige bosschen, daar zou je sterk en gezond worden,
en je oude ooms zouden je
[64:]
het leven niet
moeilijk maken, integendeel!"
"Dat weet ik wel, oom, en ik zou ook zoo graag met u mee willen,
want 't is hier niets pleizierig in de stad, maar... "
"Je papa vertrouwt je niet aan ons toe, dat is de zaak; enfin,
hij moet het weten als hij niet begrijpt dat het beter is, een paar
gezonde wangen te hebben dan een hoofd vol geleerdheid en een vracht
mooie manieren; hij wil geen boerenjuffrouw van je maken, daar heeft
hij gelijk aan, wij zouden het ook niet doen en toch onwillekeurig...
In de groote vacantie dan kom je bij ons, Angelientje, dan zullen we
pret maken."
Het binnentreden van Lucie onderbrak het gesprek. Oom dronk zijn maderatje
met de verzekering nogmaals dat hij veel liever een bittertje had gehad.
Rudolf kwam thuis en verwelkomde hem recht hartelijk; hij vroeg naar
de paarden en naar de jacht op Koningsbosch, waar hij alle jaren twee
of drie weken van de vacantie doorbracht.
Intusschen werd het tijd voor 't eten; tante liet zich excuseeren en
Lucie verzocht het gezelschap naar de eetkamer te gaan.
"Ga je eten?" vroeg oom, "neem me niet kwalijk juffrouw,
maar ik doe niet mee!"
"Niet meedoen? maar mijnheer, dat meent u niet, wij hebben er op
gerekend en het spijt tante zeer
?"
"Ja, dat begrijp ik wel, 't spijt tante erg dat zij om mijnentwil
de kamer moet houden. Ik ken dat liedje. Hoor eens juffrouw, om je te
toonen dat ik de vriendschap niet afbreek, heb ik dat glaasje madera
van je gedronken, maar verwacht niet van me, dat ik aan de tafel van
tante ga zitten als ik haar om zoo te zeggen daarvan verjaagd heb, Smakelijk
eten, juffrouw en komt eens hier kinderen!'"
Rudolf en Angeline hadden zwijgend toegeluisterd, totdat hij zeide:
"U heeft gelijk oom, 't heeft er veel van dat tante u niet wil
ontvangen, maar u weet dat zij een eigenaardig
[65:]
mensch is."
- "O zoo vreemd, zoo vreemd," bevestigde Lucie fluisterend
en drong aan: "Stoort u er zich niet aan, mijnheer de Roze, kom
aan tafel en laat haar pruilen."
Oom lachte en schudde het hoofd.
"Neen, neen kinderen, ik dring me niet op; ik kom alleen hier om
mijn nichtje te zien en om Rudolf te vragen, of wij dit jaar de eer
mogen hebben hem met zijn zusje bij ons te zien. In de Paaschvacantie
b.v., nog liever met Kerstmis. Dit jaar hebben wij vergeefsch op je
gewacht."
"Tante zal het wel toestaan."
"Goed, goed, maar als je niet komt schrijf ik aan broer Hendrik
om hem te vragen wat wij toch hebben misdaan, dat wij het voorrecht
moeten missen, onzen neef en nicht bij ons te zien."
"Oom heeft al een nieuwen koepel op den Drususberg laten bouwen?"
"Nog niet, ik wacht steeds op je teekeningen."
"Ik zal er voor zorgen, ik heb een prachtig model in het hoofd,
maar dan moet ik zelf de werkzaamheden leiden."
"Perfect, dat is dan voor de groote vacantie. En hoe gaat het met
de studies?"
"O mijnheer, dat geeft niet veel," haastte Lucie zich voor
Rudolf te antwoorden. Hij werd rood van kwaadheid.
"Ik verzoek je niet voor een ander het woord op te nemen,"
snauwde hij haar toe, "ik kan zelf wel voor mijn eigen zaken zorgen;
je spreekt de waarheid wel, maar het is aan mij alleen die te zeggen.
Ja oom, mijn studiën gaan slecht, ik ben de laatste van de klasse
en heb ook geen hoop verder te komen."
"Foei Rudolf, en schaam-je je niet daarvoor? Wat zal je goede papa
daarvan zeggen?"
"'t Is papa's eigen schuld; dat latijn en grieksch walgt me; ik
wil geen woordenzifter worden, nog minder een tongenkijker."
[66:]
"En waar heb
je dan lust in?"
"Dat weet u wel, oom! Architect is mijn vak, en als ik dat worden
kan, dan wil ik wel voor goed in Holland blijven."
"Maar weet papa dat dan niet?"
"Ik heb het papa dikwijls genoeg geschreven, maar hij antwoordt
me, dat tante er op gesteld is dat ik advocaat word of dokter, omdat
haar vader of grootvader het geweest zijn, en daar zij mijn studiën
bekostigt, moet ik mij wel onderwerpen, of liever, ik doe, waarin ik
lust heb en studeer in het geheel niet."
"Foei, foei Dolf, wat is dat dom geredeneerd! Als je vader dat
wist, zou 't hem groote zorg geven."
"Ik kan er niets aan doen, volstrekt niets, ik kan wel rekenkundige
formules, maar geen taalregels onthouden."
"Weet je wat, juffrouw, ik ga ergens in de stad eten en dan kom
ik terug; maar zeg er niets van aan je tante, ik moet haar spreken.
Tot straks, kinderen."
Lucie was zeer teleurgesteld; een diner zonder tante met een vreemden
heer, was iets bijzonders en zij was op alles, wat een weinig bijzonder
scheen, zeer gesteld.
Tante werd gewaarschuwd en haar hoofdpijn was als bij tooverslag verdwenen;
ze verscheen aan tafel en at met zeer veel smaak.
"Is oom te min om met u aan één tafel te eten?"
vroeg Rudolf scherp.
"Wat een toon, Dolf? Heeft oom je geleerd zulk een toon tegen mij
aan te slaan?"
"Denkt u dat ik niets uit mijn eigen kan en alles van een ander
leeren moet?"
Tante zweeg, Angeline zweeg, Rudolf at en Lucie moest tot haar grooten
spijt zich ook stil houden.
Bij het dessert verscheen oom onverwacht; Santje stond aan de open huisdeur
te praten en zoo had hij zonder bellen kunnen binnenkomen.
[67:]
"Goeden dag!
zoo, tante, recht blij dat je hoofdpijn over is. Een lastige kwaal,
zeer lastig, natte doeken helpen het beste."
Niettegenstaande mevrouw haar uiterste best deed zoo statig en trotsch
mogelijk te schijnen, kon zij hare verlegenheid niet goed verbergen.
"U komt wat laat, neef Jozef! Heeft u in de stad niet kunnen dineeren?
Het spijt me wel, maar Lucie zal zorgen, dat u het noodige krijgt."
"Dank je, dank je. Zeer verplicht, ik heb gegeten; zoo heeft de
familie gedaan? Och juffrouw Lucie ga als het je belieft met de kinderen
in de kamer hiernaast. Ik wou tante gaarne een paar woorden zeggen."
Lucie haastte zich te gehoorzamen, Rudolf's gelaat straalde van genoegen
en Angeline volgde hen.
"Zie zoo, dat zal haar goed doen! Wat is je oom een flinke, ronde
man, Angelientje; met zulke menschen die uit volle borst spreken en
alles zeggen, wat zij op het hart hebben ga ik gaarne om. Ik wou dat
hij mij ook eens te logeeren vroeg."
Het onderhoud tusschen den oom en de tante duurde tamelijk lang, men
hoorde onophoudelijk oom's zware stem en volstrekt niet die van tante.
Eindelijk trad hij de kamer uit met een hoogrood, opgezwollen gelaat.
"Dat mensch maakt je dol met haar bedaardheid," sprak hij
binnensmonds, "'t is maar altijd: "Dat is ook zoo, "Ja,
"neen," "och kom en daar verspil ik al mijn woorden aan.
Rudolf, Angeline!"
Beiden kwamen naar hem toe.
"Heeft het wat geholpen, oom ?" vroeg hij.
"Neen, niets. Zij is niet te bepraten, dat mensch! Verlies je tijd
maar niet en gebruik je eigen invloed op tante, want ik geloof dat ze
van niemand ter wereld zooveel houdt als van jou."
"Ja, als ik naar haar pijpen dans."
"En jou, kleine meid, geef me nog eens een fermen
[68:]
zoen, Adieu, als
je het hier te benauwd krijgt, kom dan gerust je ooms opzoeken, die
hun nichtje alle mogelijke genoegen zullen aandoen."
Voor het eerst sinds haar vertrek uit Batavia ondervond Angelientje
het gevoel dat ze altijd zoo had gemist, gekoesterd te worden door ouderlijke
liefde.
"Beste oom," lispelde zij, "ik zal goed leeren om dan
tot belooning bij u te mogen komen."