[70:] VI.
Mientje zat te naaien
voor het raam van de huiskamer. Moeder vond het noodig haar eens meisjes
werk te laten doen; zij had er vreeselijk tegen en vond het eigenlijk
een groote onbillijkheid.
Maar 't was alweer de schuld van Philip.
- Je moest je schamen, zei moeder, je te laten overbluffen door een
jongen. Kijk! eens aan, die sokken heeft hij op zijn manier gestopt,
maar 't gaat toch niet aan dat hij 't doet. Ik moet er voor zorgen en
jij kunt mij best er mee helpen. Toon nu, dat jij 't beter kunt.
- Ajakkes!
- Ik zou me schamen als mevrouw van den dokter hoorde, dat ik niet voor
zijn kapot goed zorgde maar hijzelf.
[71:]
- Wat kan mij mevrouw
Vreeburg schelen?
- Jou misschien niet, maar vader en mij wel. Je gaat netjes daar zitten
en stopt de sokken van Frits en van Philip.
Mientje voelde zich zeer verongelijkt, dat zij in plaats van met Nelly
te wandelen en te spelen veroordeeld was de kapotte kousen van die akelige
jongens te verstellen.
Zij deed den maasbal in den sok, zocht een naald, toen het kluwen; 't
duurde een tijdje vóór zij den draad door de naald had
en met groote steken, de kleinste gaatjes begon te stoppen.
- Philip helpt je zoo dikwijls, dat mag je wel eens voor hem doen, dat
zie ik graag! zoo plaagde Frits, toen hij haar zag tobben.
- Schei uit, ik maak er maar wat van; 't is zoo'n lam werkje, en dan
voor dien wijsneus jongen.
Mientje had gauw het nare werk af, op haar manier, zeker veel minder
dan Philip het had gedaan,
[72:]
het voornaamste
zou zijn als moeder 't maar niet zag. Philip klaagde nooit, van hem
had zij dus geen aanmerkingen te verwachten.
Vlug rolde zij de zoogenaamde gestopte kousen in elkaar en bracht ze
naar de kamer van Philip, die niet thuis was.
Nieuwsgierig keek zij het kleine vertrek rond, 't zag er eenvoudig maar
netjes uit. Het groote portret van zijn moeder hing boven zijn werktafel,
waarop zijn boeken, papieren en cahiers netjes waren gerangschikt.
Mientje kon niet laten er in te snuffelen; zij keek het vloeiboek na,
omdat zij in die schoolboeken en schriften niets interessants had gevonden.
Daar lag een beschreven velletje papier in; gretig keek het meisje er
in en gierde 't bijna uit van pret.
Aan mijn liefste!
Dit zag het kind, dat er boven stond en vol nieuwsgierigheid las zij.
- Nu alles van mij is heen gegaan, richt ik tot U
[73:]
alleen mijn hoop.
Ach, ik ben zoo alleen! zoo verlaten en eenzaam! Ik smacht naar U O
liefste! naar uw woord en kus. U zal voor mij weer een moeder worden
en U zal mij leeren, wat ik moet doen en laten! Ik verlang zoo naar
uw lessen en ja, zelfs! naar uw straffen. Hier zijn ze goed voor mij,
maar zoo vreemd, zoo
De ontboezeming was hier afgebroken, maar Mientje had genoeg gezien;
zij wist nu hoe zij dien vervelenden jongen kon plagen en het land opjagen.
Als hij nu nog onverschillig bleef, dan was hij een echte lamstraal,
geen knip voor zijn neus waard.
Gauw het aan Nelly vertellen! Zij kwam beneden en riep haar moeder toe:
- Moe, de kousen zijn af. Ik heb ze op Philip zijn kamer gebracht. Mag
ik even naar Nelly gaan om mijn lesboek te halen?
- Nou, je weet er weg mee! 't Zal mij een stopperij zijn. Kom gauw terug,
dan kun je mij helpen erwten doppen.
[74:]
- Een oogenblikje
maar - en verheugd vrij te komen wipte Mientje weg.
- O Nel, riep zij haar vriendinnetje reeds van verre toe, weet je wat
ik gevonden heb! Een heele predikatie van Philip aan zijn liefste!
En zij begon de eerste regels van het stukje op te dreunen.
- Maar dat is niet aan een meisje, verklaarde Nelly wijs, 't is aan
een tante of... of aan zijn moeder in den hemel.
- Doet er niet toe. Ik weet nu, hoe ik hem nu krijgen zal, die nare
aap! Kom, je moet mij helpen.
- Neen! verklaarde Nelly beslist, ik doe niet met je mee. Ik vind het
flauw van je en brutaal, dat je in zijn papieren snuffelt, ik zou me
schamen.
- Wat ben jij braaf, zeg! 't Zal zoo leuk zijn hem zijn eigen woorden
voor te zingen.
- Ga jij je gang! Ik zou je danken.
- Je bent een wezel, waarvoor zou je nu bang zijn? Maar ik heb je niet
noodig, ik kan 't best alleen af.
[75:]
Zij ging een beetje
teleurgesteld naar huis; de pret was er wel wat af door Nelly's weigering,
maar toen zij Philip op zijn gewoon plaatsje onder het afdak zag zitten
werken, kon zij de verzoeking niet weerstaan en zich verschuilend achter
den uitspringenden muur begon zij op de wijs van "Stille Nacht"
te zingen.
Aan mijn liefste! Nu alles van mij is heengegaan...
Daar vloog Philip op; hij was doodsbleek geworden, de aderen op zijn
voorhoofd zwollen hoog op, zijn lippen trilden, in een oogwenk was hij
achter den muur en had Mientje vastgegrepen.
- Laat mij los, laat mij los! gilde het kind. Zij voelde dat zijn handen
haar polsen vastschroefden, of hij ze breken wilde, zij zag dat hij
er vreeselijk uitzag - ja, nu had hij zich niet kunnen bedwingen.
Nu was hij werkelijk boos, heel erg boos en Mientje moest het zich bekennen,
angstwekkend boos.
Evenals de meeste brutale menschen, was Mientje alles behalve een heldin;
zij werd bang voor hem en
[76:]
had 't liefst luid
om hulp geroepen, maar dan kwam het uit, wat zij gedaan had.
- Philip, smeekte zij, terwijl zij trachtte zich los te wringen, laat
mij los. Waarom ben je zoo kwaad?
- Waarom? Moet je dat vragen? Stout nest! Je bent erger dan een dief,
die in de papieren rond snuffelt van een ander en..., dat misbruikt
om hem te bespotten. Jij hebt geen gevoel, je bent een grof, lomp schepsel.
Ik zal je loslaten! Wees blij dat je een meisje bent! Ik had je, wanneer
je een jongen was, een pak gegeven, dat je voor je leven zou heugen.
En zich omkeerend, liep hij haastig weg.
Mientje voelde zich vernederd en beschaamd, wat zou haar vader zeggen
als hij wist, wat zij had durven doen. Nelly had misschien toch gelijk
gehad.
Stil sloop zij naar de huiskamer, haar polsen wrijvend, die nog hevig
brandden en zette zich rustig voor den kousenmand tot groote verwondering
van haar moeder, die aan zoo'n ijver niet gewoon was.
Philip zat op zijn bed, hij trilde nog altijd van boos
[77:]
heid; hij kon maar
niet tot bedaren komen, hij zag zijn gestopte sokken netjes geetaleerd
op zijn vloeiboek en begreep dat het onbescheiden kind hier naar hartelust
had gesnuffeld en het blaadje had gevonden, waarop hij uit de volheid
van zijn hart een soort brief aan zijn tante had geschreven.
De tranen sprongen uit zijn oogen en hij drukte er zijn vuistjes op
om ze tegen te houden; hij schaamde zich alsof hij een groote fout had
begaan en 't viel hem zwaar toen het tijd was voor het eten naar beneden
te gaan. Eten zou hij toch niet kunnen, daar was hij te gejaagd voor
en toen Frits hem onder aan de trap riep, antwoordde hij dat hij niet
wel was en naar bed ging.
Mientje voelde er zich niets gerust op, dat Philip niet aan tafel kwam
vooral toen haar ouders verwonderd zeiden er niets van te begrijpen,
dat hij ziek was. Hem scheen toch zoo even niets te mankeeren.
Juffrouw Pieters ging met een bord soep naar boven en vond Philip werkelijk
in bed liggen. Zij
[78:]
voelde zijn voorhoofd,
dat tamelijk warm was en drong er op aan, dat hij iets zou eten.
Philip weigerde echter; hij wilde liever maar rustig blijven, misschien
zakte de hoofdpijn dan wel weg.
- Nu, als jij je beter voelt, kom dan maar beneden, dan zal ik de soep
voor je opwarmen, zeide de bezorgde vrouw op moederlijken toon.
- Dank u vriendelijk, mevrouw!
Hij noemde haar nooit "juffrouw"; zij ging de kamer uit, niet
vermoedend dat zij jaren later nog steeds de beleefde woorden van haar
kostkind zou meenen te hooren.
- 't Staat mij niets aan, hij heeft zoo'n hoogroode kleur - zeide zij
in de huiskamer teruggekeerd, 't kan wel kou zijn, maar als hij morgen
niet beter is, moeten wij Dokter waarschuwen.
Vandaag smaakte het eten Mientje ook volstrekt niet. 't Begon onrustbarend
te tikken in haar hartje, zij begreep dat zij zeer verkeerd had gehandeld.
ja, erger nog, wreed en harteloos.
[79:]
Verbeeld je eens
dat Philip zwaar ziek werd of stierf, was 't dan niet haar werk? Te
vergeefs trachtte zij de schuld van zich af te schuiven. Wat 'n fijngevoelig
kruidje roer mij niet was die jongen toch! Bah! hoe kinderachtig zich
dat zoo aan te trekken! Zij had wel andere dingen moeten verdragen -
Hij wilde haar niet slaan zooals hij het stellig een jongen zou hebben
gedaan maar was deze straf niet nog veel erger?
Misschien zou hij 't later aan moeder of zelfs aan vader zeggen, waarom
hij zoo van streek was.
't Liep Mientje koud over den rug, toen zij hier aan dacht! Vader was
streng en vooral zulke onbehoorlijkheden kon hij niet verdragen.
Misschien zou zij wel naar kostschool moeten.
Moeder had hier reeds dikwijls op aangedrongen maar tot nu toe wilde
vader er niet van weten. Als hij 't wist, wat zij tegen Philip had durven
doen, zou hij stellig haar wegzenden en dit was in Mientje's schatting
wel 't ergste, wat haar kon overkomen.
[80:]
Moeder luisterde
eens aan Philips deur maar hoorde niets; gerustgesteld meende zij, dat
hij sliep. De avond ging rustig voorbij en toen Mientje naar bed moest,
bleef zij ook even stilstaan vóór zijn deur maar alles
was even stil.
- Kom! morgen heeft hij alles vergeten en gaat weer als gewoonlijk naar
school, zoo monterde zij zich op - waarom kan hij ook niet eens ziek
zijn als elk ander?
En kalmpjes ging zij naar bed maar toch werd zij telkens wakker; zij
verbeeldde zich dat iemand over het grint liep en dat het knetterde.
Zij droomde heel verward van allerlei akelige dingen en was vroeger
dan anders beneden. Zij bad bij haar morgengebed vuriger dan anders,
voor Philip, dat hij gauw beter mocht zijn - dat zij geen straf zou
krijgen voor haar onhebbelijk gedrag durfde zij Onzen Lieven Heer niet
vragen.
Toen zij naar school wilde gaan, kwam Frits bleek en ontsteld binnen.
[81:]
- Verbeeld je,
Mien! Philip is niet op zijn kamer.
- Dan is hij uitgegaan.
- Was hij niet in den tuin?
- Ik heb hem niet gezien, maar hij is misschien gaan wandelen - of planten
zoeken.
Haar hart stond ook even stil, maar zij stelde zich dadelijk weer gerust.
- Moe is erg geschrikt, omdat hij gisteren zoo raar deed.
- Raar? Hij was niet wel; nu is hij zeker wat in de frissche lucht gegaan.
In de huiskamer zat juffrouw Pieters verslagen vóór de
ontbijttafel. Haar man dronk haastig zijn thee en at zijn boterham.
- 't Is zoo geheel tegen zijn gewoonte, hij ontbreekt nooit aan 't ontbijt,
sprak hij.
- Hij is nooit een minuut te laat, en daarom dacht ik, hij is zeker
nog niet wel en ben ik gaan kijken. Wat ik verschrok, zijn bed leeg,
het raam hoog opgeschoven - zijn kastje open en zijn kleeren weg.
[82:]
- Hoe kan hij er
uit zijn gekomen? 't Nachtslot was toch op de deur.
- Hij zal in den noteboom zijn geklommen, die voor zijn raam staat,
zei Frits. Dat heeft hij vroeger ook al eens gedaan, ik probeerde 't
ook maar ik kon 't niet.
- Maar waarom zou hij zijn heengegaan? Hij zal toch geen ijlende koorts
hebben gehad, weeklaagde de moeder terwijl meester Pieters verklaarde
direct naar de politie en den dokter te zullen gaan.
Mientje luisterde met bleek gezicht en verschrikte oogen; zij voelde
het wel als plicht alles te zeggen wat zij wist, maar dan moest zij
zich zelf beschuldigen en zoover kon zij niet komen - bovendien wat
zou het helpen? Als Philip terug kwam en zij had zich zoo vernederd
dan zou zij zich dood schamen voor hem.
Zoo bleef Mientje zwijgen, terwijl het nieuwtje spoedig door de heele
stad de ronde deed.
- Die rare jongen van den kluizenaar is er van door.