[61:] V.
Mientje kon het
Philip toch maar niet vergeven, dat hij zóó van alle markten
thuis was. Hij kon voetballen, cricketten en tennis spelen als de beste.
Op school behaalde hij, zonder eenige moeite de hoogste punten, hij
stopte kousen en verstelde kleederen, nu wel niet zoo netjes als moeder
Pieters, maar 't zat toch in elk geval dicht; bovendien hield hij zijn
eigen kamer in orde en hielp zijn gastvrouw geregeld met het opruimen
van het tafelgerei.
Eens zelfs toen juffrouw Pieters ongesteld was en in bed moest blijven,
zorgde hij voor het eten en kookte zoo goed, dat zelfs Mientje, die
er geen woord van lof voor over had, ook geen aanmerkingen kon maken
en er zich er aan te goed deed dat het een lust was.
[62:]
- 't Is zoo 'n
vervelende jongen, zeide zij op zekeren middag tot haar vriendinnetje
Nelly, met wie zij uit school kwam, ik kan hem niet uitstaan.
- Maar hij helpt jou toch met je huiswerk, want nooit heb je zooveel
goeie punten gehad als tegenwoordig, antwoordde Nelly.
- 't Mocht wat! Ik vind het makkelijk dat hij mij helpt, maar ik kan
't even goed zelf doen, maar vind je het niet idioot, zeg! dat hij 't
keukenwerk doet en moeder helpt?
- Wèl! als hij 't zoo goed kan, waarom niet?
- Maar dan moet je altijd hooren, dat het eigenlijk mijn werk is en...
en... ik heb er een broertje aan dood, aan dat geplas. Moeder was er
tevreden mee, maar nu sedert hij haar helpt, verbeeldt zij zich dat
ik 't eigenlijk moest doen.
- Maar ik help mijn moeder toch ook altijd.
- Ze waren 't gewoon dat ik 't niet deed en nu om zoo'n naarheid van
'n jongen, krijg ik telkens op mijn kop. Ik wou, dat hij weg was.
[63:]
Zij waren aan het
huis gekomen en slenterden, met haar schooltasschen zwaaiend den tuin
in.
- Kom, wij moeten iets verzinnen, zei Mientje, ik heb zoo 'n lust wat
ondeugends uit te halen, zeg!
De meisjes hingen hoedjes en tasschen in den gang op en liepen naar
buiten; achter het huis, onder een afdakje zat Philip druk te schrijven.
Hij hoorde de meisjes niet aankomen.
- Wacht maar, fluisterde Mientje, die brave Hendrik zit daar zoet te
werken, wij zullen hem eens anders leeren.
En zich bukkend nam zij een paar keisteentjes op en zich verschuilend
achter den muur, pikte zij ze tegen den in zijn werk verdiepten jongen.
Philip keek even op, wreef zijn voorhoofd, waartegen de steen was aangekomen,
ging toen weer met zijn werk voort. Mientje nam een tweeden steen en
wenkte Nelly 't zelfde te doen.
Drie, vier steentjes raakten hem nu of vielen over zijn cahier en dezen
keer zag hij om, misschien be
[64:]
grijpend, dat hij
geplaagd werd, besloot hij er geen verdere notitie van te nemen en te
doen of hij niets merkte.
- Nu harder, zeg! beval Mientje.
En er begon een volmaakt bombardement, zoodat het Philip onmogelijk
werd, kalm en onverstoorbaar rustig voort te schrijven.
Hij stond op, pakte zijn geschriften en boeken bij een en zonder te
onderzoeken van waar de steentjes regen kwam, ging hij naar binnen,
om op zijn kamer voort te gaan met zijn werk.
- Zoo is hij nu altijd! Hij is niet boos te krijgen, viel Mientje uit.
- En klikt hij ook niet aan je Pa?
- Dat moest hij probeeren.
Maar juffrouw Pieters had uit de huiskamer het spelletje waargenomen.
Zij was erg boos, en beknorde haar dochter. Nelly werd weggezonden en
Mientje moest thuis blijven, hetgeen haar zeer hard viel op dezen mooien,
vrijen middag.
[65:]
Natuurlijk gaf
zij de schuld van deze teleurstelling niet aan zich zelf maar aan Philip
en besloot het hem op de een of andere wijze betaald te zetten.
't Maakte haar woest, dat hij altijd even vriendelijk bleef en bereid
haar te helpen. Hij scheen niets te merken van haar vijandige gevoelens,
wat zij ook deed om ze tot uiting te brengen en toch voelde Philip diep
elke hatelijkheid en dwazen inval van het stoute kind.
Al waren de heer en juffrouw Pieters en Frits zoo goed voor hem, hij
voelde zich bij hen niet thuis.
In zijn werk trachtte hij afleiding te zoeken en troost voor zijn verdriet,
want hij was tusschen deze menschen zoo verlaten.
Nooit sprak hij over zijn ouders, maar hij dacht des te meer aan hen;
hij kon het maar niet vergeten, dat zijn vader zoo eenzaam was gestorven.
's Nachts werd hij vaak met schrik wakker, dan had hij in den droom
weer alles doorleefd van zijn verschrikkelijke thuiskomst op dien droevigen
dag.
[66:]
Hij verlangde naar
een liefkoozing, een hartelijk woord; maar de familie Pieters had hier
geen behoefte aan. Vader was te druk met zijn lessen en moeder met haar
schoonmakerij; de kinderen waren in dit opzicht volstrekt niet verwend.
Zij vonden alle liefdoenerij sentimentaliteit, flinke menschen onwaardig.
Ook de burgerlijke omgeving stond Philip tegen en belette hem zich hier
te wennen. Hij vond het bij den dokter, als hij daar eens mocht eten
heel anders, maar aan niemand klaagde hij zijn nood en dit maakte zijn
leed nog grooter.
Alle menschen, behalve Mientje waren goed en vriendelijk voor hem; te
klagen had hij niets maar hij voelde zich hier hoe langer hoe minder
thuis, hij behoorde aan niemand. Dit drukkende gevoel van geheel alleen
te staan werd hem op het laatst ondragelijk.
Nadat hij dien middag door de gril van Mientje zoo gestoord was geworden
in zijn werk, dat hem
[67:]
door de inspanning,
die 't hem kostte voor een oogenblik vergetelheid bracht - kon hij er
maar niet weer in komen. Met de handen in de zakken stond hij voor het
raam en keek naar buiten in den bloeienden tuin. Een onweerstaanbaar
gevoel van heimwee overviel hem naar Java, naar het land van eeuwige
zon en naar zijn eenige bloedverwant, tante Rose.
O, wist hij toch maar, waar zij woonde, hoe zij heette, - hoe dom dat
nooit aan vader te hebben gevraagd. Daaraan zag je, dat hij toch eigenlijk
niets anders was dan een heel dom jongetje; hij zou zich voor zijn hoofd
kunnen slaan om die groote domheid.
Hoe zou nu de dokter, zijn voorloopige voogd hem naar Indie kunnen zenden
als hij niet eens wist, waarheen en naar wien? Dit zou nooit gebeuren.
't Eenige, wat hij doen kon, was flink leeren om later als hij een betrekking
moest kiezen, naar Java te gaan. Dan kon hij zelf daar zijn tante gaan
opzoeken, maar hoe lang zou dat nog duren, al deed
[68:]
hij ook zoo goed
zijn best. Op zijn minst nog tien jaar.
Tien jaar hier blijven onder vreemden, voor wie hij volstrekt niets
voelde - tien jaar lang dat akelige gevoel van heimwee in zijn hart
hebben. -
De tranen sprongen hem in de oogen, neen! dat kon hij niet uithouden,
hij moest weg, zijn tante zoeken.
't Werd hem warm om zijn hart, al moest hij naar Indië loopen,
hij zou 't er voor over hebben. Maar Java is zoo ver en een eiland bovendien.
't Was niet gemakkelijk er te komen en dan zonder geld.
De dokter bewaarde zeker de effecten, uit de trommel van zijn vader;
hij rekende met mijnheer Pieters af en mevrouw zorgde voor zijn kleedij.
't Was zijn eigendom maar hij kon er toch niet naar vragen; nooit zou
de dokter er in toestemmen dat hij alleen op de bonne fooy naar Indië
ging.
Een ding stond er dus alleen op... wegloopen!
Nauwelijks had hij dit woord in de gedachten gekregen, of het zette
zich in zijn geest vast. Ja, dat was het eenige: stil heengaan!
[69:]
Misschien was het
heel ondankbaar van hem, zoo iets te doen maar niemand zou hem toch
missen.
Frits hield veel van hem, maar spoedig zou hij hem vergeten, in elk
geval geen aardappel minder er om eten.
Moeder Pieters alleen zou hem missen bij haar huiswerk, maar 't paste
hem toch niet als hij ouder werd, zulke vrouwelijke dingen te doen,
hij maakte er zich belachelijk mee, dat zag hij aan Mientje's minachting.
En Mientje! wat zou die blij zijn of neen! misschien speet het haar
wel niemand meer te hebben om naar hartelust te plagen. Niemand zou
er verdrietig om zijn als hij weg ging en hij zou zijn tante terugzien.
Alles trilde van vreugd in hem toen hij er aan! dacht een tweede moeder
terug te krijgen, hoe heerlijk zou dit zijn! 't Moest! 't moest!