HOOFDSTUK IX.
F e e s t.
Er heerscht dien
dag een opgewonden stemming in huis; Leo heeft er al den heel en nacht
van gedroomd, wordt moe wakker, doch haast zich met aankleeden, bang
om te laat op school te komen en dan niet naar Netty's fuif te mogen
gaan.
Het is voor 't allereerst, dat hij zoo lang op mag blijven en dat is
haast 't prettigste van alles, op één na 't prettigste
nummer van het lange feest-programma, dat hij in 't zicht heeft.
Heel bovenaan staat 't gewichtige feit, dat hij dien
[138:]
avond matroos-af
zal zijn en zijn eerste groote jongenspak zal dragen.
Hij vindt 't heel deftig, die broek en kiel - Norfolksuit noemde de
kleermaker het; van donkerblauw laken, bijna zwart en dan een stijve
kraag met een blauwe stippel das en manchetten, echte manchetten, net
als een heer! - Veel kraniger dan 't eeuwige matrozen-pakje, waarin
hij al geloopen heeft van zijn vijfde jaar af, toen hij 't eerste afleggertje
van Albert kreeg. Het is wel ongelukkig, als je de jongste bent, en
wèl de kleeren van je ouderen broer krijgt om af te dragen, maar
zelf nooit iets aan een kleiner broertje kunt overdoen.
Mama heeft er uitdrukkelijk bij gezegd, dat het nieuwe pak, ingewijd
op den avond van het H. B. S.-feest, voorloopig enkel voor Zondagen
en bizondere gelegenheden mag dienen. Op school en in de week moet Leo
zich nog met zijn matrozen-pakjes behelpen.
't Is dan ook met een zucht, dat hij de verschillende stukken er van
op dien Zaterdag ochtend aantrekt, met 't treurige bewustzijn dit vooreerst
nog eIken morgen te moeten doen.
Als Netty binnenkomt om te zien, waarom hij toch zoo vroeg is, overstelpt
hij haar met vragen, eerst over het feest in 't algemeen, dan over het
stukje, waarin zij meespeelt, en waar naar hij erg nieuwsgierig is,
om dan eindelijk, zoo onbevangen mogelijk, te zeggen:
"Netty, weet-je ook, of de lichten in de zaal uit worden gemaakt,
net als in een bioscoop?"
[139:]
"Nu, ik denk
't niet. 't Is toch maar in ons gymnastiek-lokaal en daar kunnen ze
zoo niet met licht tooveren als in een echte feestzaal. Waarom? Ben-je
bang in 't donker?"
"Wel nee! Heelemaal niet! 't Is maar, zie-je, ik dacht zoo aan
jelui jurken en als er nu geen licht aan is, heb je er niets aan."
Netty omhelst broer met een van haar onstuimige hartelijkheids-betooningen
en zegt dan: "O! jou slimme ijdeltuit. Je bent zeker doodsbenauwd,
dat ze je mooie nieuwe pakje niet genoeg zullen bewonderen. Nu, wees
maar gerust, vóór wij beginnen, zal ik 't woord vragen
en met luider stemme zeggen:
"Dames en heeren en buitenlui, hier zie je, wat je nog nooit hebt
gezien, Leo Zuidhoff als groote jongen!"
Broer weet niet of hij lachen of huilen zal. Netty is altijd zoo dwaas
en hij heeft wel pret in haar grappen, maar als alle nerveuse kinderen
is hij overgevoelig en doodsbang om uitgelachen te worden. Hij kiest
den middenweg en, schijnbaar niet lettende op haar ontboezeming, zegt
hij, geheimzinnig: "Ik heb er van nacht van gedroomd; ik kwam met
Ma op de partij en iedereen vroeg naar mijn broertje; ze dachten allemaal,
dat ik een andere jongen was en dat 't ventje in 't matrozenpakje thuis
was gebleven. Leuk, hè?"
"Verbazend", stemt Netty toe. "Wie weet wat er gebeurt."
"Vind-je, dat ik er ouder in uitzie?" fluistert Broer.
[140:]
"Natuurlijk,
net een burgemeester of minstens wethouder!"
"Hè, toe nee, Netty, niet plagen", smeekt Leo.
"Ja, maar, ventje", herneemt zijn zuster, heel ernstig:
"Als je nu een groote jongen wil zijn, moet je ook tegen plagen
kunnen. Voor zoo'n aapje in een matrozenpakje is 't minder, maar een
jongenheer met een Engelsch pak! Die moet zich overal aan wennen, zelfs
aan plagen."
Broer zucht, hij heeft nooit gedacht, dat er zelfs aan de heerlijke
medaille van het groot worden, een keerzijde was.
"Op de H. B. S. of op 't Gym word-je toch niet geplaagd?"
zegt hij, weifelend.
"Nee, maar of! Dat zul-je nog eens onder vinden."
Dat vooruitzicht ontneemt veel van Broer's illusies, dan troost hij
zich met de gedachte, dat hij minstens nog een groot jaar den tijd heeft.
Netty begint dien ochtend van alles en maakt niets af; ze heeft geen
school en voelt zich te opgewonden voor een geregelde bezigheid. Ze
helpt Mama met 't omwasschen van 't ontbijt, maar vóór
ze er half door heen zijn, loopt ze den tuin in om te zien, of er genoeg
bloemen zijn voor den bouquet, welken ze dien avond in haar rol noodig
heeft.
Zonder haar voeten af te vegen en daardoor elken stap door een modderig
afdruksel van haar laars, aanwijzende, komt zij de huiskamer weer binnen
en zegt
[141:]
ze, op een wanhoops-toon:
"Ik weet me geen raad, er is absoluut niets uitgekomen. Zoo'n langzaam
voorjaar heb ik nooit gezien."
"Dat is omdat je er zoo op let, kind; 't zelfde als bij water,
dat niet koken wil, als men er bij staat en telkens 't deksel van den
ketel oplicht."
Netty knikt, ten teek en van begrijpen: "A watching pot never
boils," dat heeft de Engelsche frik ons van de week juist ingestampt."
"En heeft ze jelui toen ook niet geleerd haar bij een netter benaming
dan dat afschuwelijke woord frik aan te duiden?"
"Maar Moeder, dat weet ze toch niet. U zult haar van avond zien
en Mesel en de Moffin en de verdere grootwaardigheids-bekleedsters
en bekleeders. Of de directrice of Dirk, zooals we haar noemen, weer
haar antieke zijdje aan zal hebben? En - o! moeder, ik hoop maar dat
ik niet te erg gegroeid ben in den laatsten tijd en dat ik er, in mijn
witte jurk, niet te ooievaarsachtig uit zal zien of als een kip op hooge
pooten."
"Ik hoop het voor je," klinkt het stemmig, ofschoon ik vind,
dat het er op een schoolpartij, waar iedereen je kent en precies weet,
hoe oud je bent, niet veel toe doet."
"Dat denkt u maar; er wordt juist vreeselijk op gelet en dan tegenover
de frikken, o! neem me niet kwalijk, tegenover Hunne, Excellenties de
Leeraren!
't Is zoo ontzettend leuk, als je zoo'n avond een beetje
[142:]
indruk maakt en
er wat ouder uitziet, zoo iets als 't "leelijke jonge eendje."
Op school zijn we allemaal eenden. . " maar bij zoo'n gelegenheid
als een jonge zwaan te verschijnen, dat is zalig! Niet om te flirten
of zoo, ik ten minste niet. . .. maar om groot te zijn. Verbeeld u,
Mies Ommers krijgt een zijden japon, een echte, een wit en zwart ruitje
met groen afgezet en Kitty van Truien een foulard, oud rose met witte
moezen en ik, arme ik, mijn oud neteldoekje, gewasschen en gesteven
en gestreken, en gestreken en gesteven en gewasschen... en versteld
en verlengd... en verzengd "Netty, houd op," zegt Mama, de
handen voor de ooren houdende.
Netty omvat ze met de hare en dwingt haar moeder haar aan te kijken:
"Ik zou heel graag een nieuwe jurk hebben gehad," verzekert
ze, met nadruk.
"En ik zou je er heel graag een gegeven hebben," bekent Mama,
"maar 't ging niet. Papa's ziekte is zulk een zwarte post op onze
begrooting."
"Hoe is 't nu met Papa?" zegt Netty, op eens.
Onwillekeurig beginnen moeder en dochter te lachen, dan op eens glijdt
er een trek van weemoed over Mevrouw Zuidhoff's gelaat. Alweer 't zelfde
verschijnsel, dat zich in de laatste dagen telkens voordoet.
Netty en zij kunnen uren met elkander zijn, allerlei onderwerpen samen
bepraten, zonder Papa te noemen.
Hij is er, neemt zijn plaats en rechten in en toch staat hij nog buiten
alles.
[143:]
Het spijt Constance
voor hem!
"Je hadt wel eerder naar Papa kunnen vragen," zegt ze verwijtend.
"Heb ik dat dan niet gedaan? Hoe vreeselijk onhartelijk van me",
roept Netty op den leuk-verwonderden toon uit, die haar zoo eigen is
en waardoor ze ventje thuis en de meisjes op school altijd aan 't lachen
maakt.
Doch haar moeder lacht niet, maar herneemt ernstig:
"Ga nu eens gauw naar Papa toe en vraag hem of hij zijn bouillon
wil hebben en zorg jij er dan eens voor; eerst een ei goed kloppen "Moeder,
weet u, wat zoo lekker is en dol goedkoop? Blokjes Maggi, die kosten
maar 21/2 cts. 't stuk en je kunt er een heerlijken kop bouillon van
maken. Op school doen we 't wel eens. Ik ben zeker, dat Papa 't verrukkelijk
zou vinden. Mag ik 't eens probeeren? Ik heb nog wel een paar blokjes
ergens, ik geloof in mijn sponzedoos. Nou, u hoeft niet te lachen, er
zit een perkament papiertje om en ik bewaar ze in 't gedeelte voor 't
zeempje bestemd. In 't grootste kweek ik bruine boonen, dat is mijn
wintertuin!"
"Ik wist niet, dat jij er een afzonderlijke provisiekast op na
hieldt", zegt Mama, lachend.
"O! wij koop en wel eens zoo'n busje Maggi-blokjes met ons allen,
't kost f 1.25; er zitten er 50 in, we doen 't met ons tienen of twintigen,
dus is 't geen erge luxe. En de bruine boonen steel ik uit mijn moeder's
kast, vroeger bedelde ik er om een paar van den
[144:]
kruidenier, waar
ik wel eens matjes vijgen of kan deeee
klontjes koop."
"Wat ben-je toch nog een kind", zucht Mama, "zorg nu
eerst voor Papa's bouillon, of zal ik het doen?"
"Niet dreigen, Moeder, dat is niet netjes. Zal ik Papa nu eens
trakteeren?"
"Nu, liever niet. Zonder jou of Maggi te willen beleedigen, moet
ik je toch bekennen, dat ik meer vertrouwen heb in wat ik zelf van versch
vleesch trek."
"U is zeer conservatief, Mevrouw Zuidhoff," begint Netty deftig,
om 't een oogenblik later uit te proesten en haar moeder te knuffelen.
Eerst dan gaat ze naar boven naar haar vader, die op dokters bevel eenige
dagen 't bed houdt en nu uit zijn humeur is, omdat er niemand naar hem
omkijkt.
Zoodra hij alleen is, dwalen zijn gedachten steeds af naar Linda en
verlangt hij naar haar; 't is alsof de tegenwoordigheid van vrouw en
kinderen hem beveiligt tegen die aanvechtingen van den Booze, gelijk
hij 't wel eens noemt.
Hij is er zelf volkomen van overtuigd, dat het verkeerd is, dat hij
haar moet vergeten, liefst zoo spoedig en zoo compleet mogelijk. Wat
in Indië zwakheid was, in zijn oogen zelfs een zeer vergeeflijke,
zou in Holland zonde worden en dat wil hij beslist niet.
Daarom doet hij ook zijn uiterste best om zijn verlangen naar haar te
smoren; het terugzien was natuur
[145:]
lijk een groote
schok, een herleving van veel, dat naar hij dacht, reeds dood was, doch
blijkbaar slechts had gesluimerd. Niettegenstaande al zijn goede voornemens,
geraakte hij weer onder haar invloed, en toch heeft hij toen de kracht
gehad om zich te beheerschen en niet, met blikken en halve wocrden,
een soort van gemeenschap, een geestelijke, draadlooze telegraphie tot
stand te brengen.
In zijn goede, eerlijke oogenblikken ziet hij in, dat daarvoor de aanbevolen
reis uitstekend zal zijn; als Linda in Aerdenhout is en hij ergens ver
weg, des te veiliger voor hem voor beiden.
Er zijn ook momenten, waarin hij haar beklaagt.
Arm Prinsesje! Ze heeft toch gezondigd. uit liefde voor hem; beiden
hebben ze schuld gehad en, waar hij weer veel terugvindt in zijn eigen home, bij vrouw en kinderen, daar is zij alleen onder vreemden,
zonder vooruitzichten op een gelukkige wending in haar lot!
Alleen, met 't bewustzijn haar leven bedorven te hebben. . . .
Als hij er zóó over denkt, dan wordt hij week, dan voelt
hij de neiging in zich opkomen om zijn armen naar haar uit te strekken
en er haar in te sluiten om haar tegen alle onaangenaamheden te beveiligen.
Hij heeft juist met een van die aanvallen te kampen, als Netty binnenkomt,
zijn lief vroolijk, onschuldig meisje.
Zoo was Linda ook, alleen iets ouder, toen hij haar leerde kennen, schoon
ze nimmer dat maagdelijk-reine
[146:]
had, dat Netty,
de robbedoes, kenmerkt. Netty is nog zoo geheel kind en zal dat ook
nog jaren blijven; in haar zijn geen aspiraties of aanvechtingen, die
zooveel meisjes op dien leeftijd kwellen.
Zoo heel anders dan Linda, gepassionneerd schepseltje, dat ze is. Question
de tempérament!
Netty is nu een aardig verpleegstertje, maar erg verlegen tegenover
den vader, dien ze nog zoo weinig kent.
Nadat ze hem zijn bouillon heeft gebracht, informeert ze of praten hem
ook zou hinderen en, als hij haar 't tegendeel verzekert, zet ze zich
op een stoel naast zijn bed en vertelt ze hem alles van 't feest.
"Jammer, dat u er niet bij kunt zijn, hè, Paatje? Ook voor
Moeder; ik geloof eigenlijk, dat ze veel liever bij u thuis bleef, maar
't kan niet om 't verkleeden, ziet u. . . .
Terwijl ze 't hem uitlegt, herinnert ze zich plotseling een dergelijke
uitlegging aan Zuster Linda te hebben gegeven en tevens een uitnoodiging
om er bij te zijn. Ze heeft haar zoo half en half een kaart beloofd.
Hoe was 't ook weer? O! ja; ze waren er net over aan 't delibereeren,
toen de electrische tram voorreed en Zuster weg moest. Dat is nu al
tien dagen geleden en ze heeft er heelemaal niet meer aan gedacht, vreeselijk
onattent. De reken-frik beweert dat haar hoofd een zeef is en dat schijnt
wel zoo.
"Wat is er, kindje?" vraagt Papa, haar verwarring ziende.
[147:]
"Ik ben zoo
schandelijk onbeleefd tegenover Zuster Linda geweest", bekent ze.
Die naam doet hem ontstellen, doch Netty merkt 't niet en vervolgt:
"Ja, verbeeld u, ik was begonnen haar te vragen voor van avond
en toen was 't juist tijd voor haar om in te stappen en ging 't niet
meer, Ik had haar natuurlijk een briefkaartje of zoo moeten schrijven,
Dat zal ze wel verwacht hebben, maar 't is mij totaal ontschoten."
Meneer Zuidhoff is op het punt van te zeggen, dat Zuster Linda er waarschijnlijk
evenmin om gedacht heeft en dat het pleizier om een uitvoering van schoolmeisjes
bij te wonen, voor haar niet heel groot zal zijn, gelukkig echter bedenkt
hij zich bijtijds en zegt hij enkel: "Misschien zou ze niet eens
tijd hebben er heen te gaan."
Netty schudt bedenkelijk 't hoofd: "Dat maakt mijn schuld niet
lichter, Maar weet u, wat ik zou kunnen doen? Ik zou de fiets van een
van mijn vriendinnetjes te leen kunnen vragen en er even op naar Aerdenhout
gaan."
"Kun-je fietsen?" zegt haar vader, onwillekeurig.
En Netty, met een gebaar van geringschatting over zulk een onnoozele
vraag: "Natuurlijk! Welk meisje en welke jongen kunnen er tegenwoordig
niet fietsen? Er is niets aan, je springt er op en rijdt weg. Ik kan
best dadelijk na de koffie gaan en Zuster inviteeren en, als ze dan
kan, breng ik haar mee. Het is toch beleefder om haar hier ten eten
te vragen dan om te
[148:]
zeggen: "Kom
na 't eten. Wij moeten zoo vroeg weg, ziet u. ... Mag 't, Pa?"
En hij, geheel ontroerd bij de gedachte Linda terug te zullen zien,
haar in de levendige oogen te blikken, haar stem te hooren, de aanraking
van haar hand te voelen. . .. antwoordt verstrooid: "Ja, zeker
kindje, doe maar wat je wil."
Dat laat Netty zich geen tweemaal zeggen. Ze holt naar beneden, stormt
de serre binnen, waar haar moeder aan haar werktafeltje zit en zegt:
"Maatje, ik heb een dol plan. Mogen wij wat vroeger koffiedrinken,
dan ga ik op Kitty's fiets naar Aerdenhout, naar Zuster Linda, en vraag
haar of ze van avond met ons mede gaat "Maar kind, hoe kom-je er
op?" vraagt Mevrouw Zuidhoff, verbaasd.
"Wel, ik had er al met haar over gesproken, toen ze hier was, verleden
Woensdag ik geloof wel dat ze er lust in had. . .. en ik had haar een
kaart of een deftige invitatie moeten sturen. . .. maar ik heb 't vergeten
en...
"Nu zou ik het ook maar vergeten," raadt Mama, gemoedelijk.
Doch daar is Netty te eerlijk voor. "Dat zou ik nu toch al zoo
gemeen mogelijk van me zelf vinden," begint ze, onstuimig.
Een bestraffend: "Maar kind toch. . .. " van Mama, doet haar
op kalmen toon vervolgen: "Dat kan ik heusch niet doen; want ik
denk er nu toch aan en ik
[149:]
zou 't zoo leuk
vinden. Dan kom ik met haar terug en eet zij hier. . . .
Mevrouw Zuidhoff overlegt haastig met zich zelve, hoe ze dat plan 't
best kan verijdelen. De Zuster was haar niet sympathiek en dan een vreemde
te eten op Zaterdag. Dat zou Betje zeker niet overleven, dat zou haar
humeur een knak geven, waarvan ze nooit zou herstellen. Ze heeft toch
al zoo gemopperd omdat het eten een half uur vervroegd is en, wat van
haar standpunt verschrikkelijk is, dat haar boodschappen-avondje vervalt,
omdat Mevrouwen de kinderen uitgaan en meneer niet alleen thuis kan
blijven om den bakker en wie er verder komt, open te doen.
"Heusch, Netty, dat kan niet," zegt Mama, blij een aanneemlijk
excuus te hebben gevonden. "Je weet toch, dat wij maar heel gewoontjes
eten vandaag; kliekjes van gisteren en koud vleesch, daar kunnen we
niemand op vragen."
"Als dat het eenige is", roept Netty uit, die niet gauw iets
opgeeft. "Er is bouillon genoeg, dan bestel ik even in 't voorbijgaan,
een blikje schildpadsoep bij Wamers en, bij Elshout, garnalen-croquetjes
voor tusschenschoteltje en taartjes voor dessert en bij Wamers kun-je
ook van die fleschjes Mayonnaise krijgen, dan snijdt u 't koude vleesch
uit, legt er koudegroenten om heen en gooit de mayonnaise er over uit.
Dat is een prachtige schotel en piekfijn, dat hebben we laatst bij Lucie
der Ma ook gehad, toen ik er ge
[150:]
geten heb. Dan nog
een beetje extra fruit en dan zijn we er. Mag 't, Ma?"
"Je hebt dat dineetje handig in elkaar gezet," geeft Mama
lachend toe. "En bij voorkomende gelegenheden houd ik mij graag
aanbevolen voor je hulp en raad; maar nu niet."
"Hè, waarom niet? Pa vindt 't goed."
"Dat zou voor mij een reden zijn om het af te keuren", denkt
Constance, maar dat argument kan ze natuurlijk niet tegenover Netty
gebruiken. Ze zegt dus, heel kalm: "Het spijt me voor je, maar
't kan heusch niet. Zulk een uitgebreid menu met niet minder dan vijf
borden elk, is niets voor Betje en dat kan ook niet op Zaterdag en dan
met vroeger eten."
"Ik kan Zuster Linda toch niet vragen om hier vóór
zevenen te zijn, dan moet zij zoo verschrikkelijk vroeg weg en is zij
zeker nog niet klaar met eten."
"Wat kun-je toch doordrijven, Netty. Wen je dat toch eens af. Je
weet dat ik je alles toegeef, wat maar eenigszins in 't redelijke is."
"Er is niets onredelijks in", beweert Netty, driftig.
Mama brengt de hand naar 't hoofd. "Als je nu zoo voortgaat, heb
ik van avond zeker hoofdpijn en dat zou je toch ook niet willen."
Netty trekt de schouders op, met een gebaar van onwillig gelooven: "Nu
ja, dat is altijd uw excuus, uw laatste kaart. . .. hoofdpijn. Daar
dreigt u mij altijd mee, als u niets beters weet."
Mama ziet haar verdrietig aan. . .. en zwijgt. Dat is
[151:]
een negatief argument,
dat nooit zijn uitwerking mist.
Zoo lang ze bestreden wordt, is Netty krijgshaftig, maar zoodra haar
tegenpartij, in droefheid of in minachting toegeeft, wordt ze gedwee
en berouwvol, Dan zet ze haar stekeltjes niet meer op, Ze voelt wel,
dat ze tè ver is gegaan, maar tusschen een ongelijk te voelen
en het te bekennen is een groot verschil. Zoo gevat als ze is in het
tegenspreken, zoo domverlegen is ze, waar het geldt schuld te belijden.
"Wat wilt u dan dat ik doe?" zegt ze, aarzelend.
"Mij helpen klaarzetten en dan na de koffie een uurtje gaan slapen,
dan doet Broer het ook en zijn jelui allebei frisch voor van avond."
"Ik bedoel natuurlijk,... met Zuster Linda," verbetert Netty.
"Och! dat zou ik heusch maar laten, Wees nu eens verstandig, kind.
Voor jelui meisjes onder elkander is zulk een opvoering natuurlijk heel
aardig en voor de verschillende Mama's eveneens, maar voor een vreemde
heeft het niet hetzelfde belang."
"Zuster Linda is geen vreemde", betoogt Netty, nog altijd
niet overtuigd. "Ze heeft Papa zoo lang gekend in Indië."
"Nu ja, Papa, maar jou toch niet. Neem nu, voor eens, je moeder's
raad aan."
"Mag ik haar, dan, eens, een heel en Zondag vragen?"
"Dat weet ik nog niet. Ik laat mij niet afkoopen, Netty. Laten
wij nu van daag maar niet verder denken dan het H. B. S.-feest."
[152:]
"Och! nu is
al mijn pleizier er af."
"Ik hoop van niet; ik zou je werkelijk beklagen, als je je door
zulk een kleine teleurstelling liet ter neerslaan, Kindlief, wij moeten
allen, elken dag, illusies opgeven, En het eenige, wat wij er tegen
kunnen doen, is ons niet te laten ontmoedigen, maar altijd weer op nieuw
te hopen en als 't noodig is, te strijden."
Netty vindt Mama's woorden heel treffend, doch begrijpt niet, wat die
met haar geval te maken hebben.
Haar moeder wil juist, dat ze haar plan opgeeft, dus is haar raad van
op nieuw te strijden, niet toepasselijk,
Ze weet ook niet, dat Mama eigenlijk meer tot zich zelve dan tot haar
dochtertje gesproken heeft.
Ze weet niet, dat de stroo-weduwe van zooveel jaren, nu dat ze eindelijk
weer met haar man vereenigd is, telkens weer ondervindt, dat ze te veel
illusies heeft gekoesterd, dat de stralen verbleeken, waarmee ze het
hoofd van den afwezigen echtgenoot, als met een aureool, heeft omgeven
en dat zij, voortdurend, tot zich zelf moet zeggen. . .. "op nieuw
hopen en, als noodig, op nieuw strijden!"
Na het bezoek van de vreemde, die zich binnengedrongen heeft in hun
intimiteit, is haar man hartelijker geweest, dat kan ze niet ontkennen,
. .. ze heeft zich zelfs verbeeld. dat ze gelukkiger, inniger waren,
maar zoodra Netty haar de mogelijkheid van eentweede bezoek heeft voorgespiegeld
- krijgt ze plotse
[153:]
ling de overtuiging,
dat zij zich vergist heeft, dat het slechts een schijn-geluk en een
schijn-toenadering was en dat besef doet haar tot haar dochter spreken,
gelijk ze het gedaan heeft.
Het thuiskomen van Leo en de drukte van het koffieuurtje in een huishouden
met één dienstbode, waar van zelf veel op Mevrouw neerkomt,
maken een einde aan het gesprek en ook aan Constance's overpeinzingen.
Netty troost zich en, als het 's middags begint te stortregenen, is
ze eigenlijk maar blij, dat ze niet "mag van haar Ma", zooals
de schoolmeisjes-term luidt.
Met zóóveel moeite en een oneindig aantal haarspelden,
bijna een heel pakje, heeft ze een soort van kroes in haar stijl haar
gekregen. Als ze in den regen naar Aerdenhout was gefietst, zou elk
zweempje van golven er natuurlijk uit verdwenen zijn en dat was toch
jammer geweest.