[105:]
IX.
WIE ZIJ WAS.
Hij keerde nog niet
naar Holland terug, maar dwaalde rond door steden en dorpen, door badplaatsen
en Luftkurorten als zocht hij iets, dat hij nooit vond.
Zoo ging de zomer voorbij en de herfst kwam; hij zocht nog altijd, maar
toen het ernstig winter begon te worden, maakte hij zich gereed gehoor
te geven aan de dringende beden zijner moeder om huiswaarts te keeren.
Zijn weg bracht hem door de hoofdstad van zeker rijk; hier was alles
in feestdos, wegens het huwelijk van den kroonprins, die heden met zijn
jonge vrouw zijn blijden intocht zou doen,
Otto sloeg weinig acht op de met vlaggen en bloemen versierde straten,
op de eerebogen met geestdriftige opschriften voorzien, op de schitterende
hofkoetsen en de met nieuwsgierigen gevulde estrades.
Een luid gejuich verried de nadering van het hooge paar; door de menigte
voortgestuwd, klemde Otto zich aan een stellage vast, en zoo in die
moeilijke houding, half hangend, half staande, besloot hij 't voorbijtrekken
van den stoet af te wachten.
Daar gingen de voorrijders op hun blanke paarden, daar gilde het uit
duizend kelen:
"Leve de prins, leve de prinses!"
Otto zag een open, met zes paarden bespannen rijtuig voorbij vliegen
en een reeds vrij bejaard man, bleek, mager, blond, vervallen als de
ontzenuwde afstammeling van een oud geslacht, zat naast een in bont
en fluweel gehulde gestalte.
"Zij heeft iets van haar," dacht Otto, en dien avond bemachtigde
hij met veel moeite een plaats in het parterre van den schouwburg, waar
het jonge paar een gala-voorstelling zou bijwonen. Hij had ondertusschen
gehoord, dat de nieuwe kroonprinses de dochter was van een sinds jaren
verbannen vortelijke familie, die met deze hooge verbintenis, welke
haar weder eenigszins tot aanzien bracht, alle reden had tevreden te
zijn. De dagbladen maakten met ophef melding van de eenvoudige, degelijke
opvoeding, die prinses Maria, Rafaëlla, Michaëla, Gabrielle,
Margaretha, Benedicta, Elisabeth, enz. had ontvangen; haar moeder was
een Duitsche geweest, en zij bleef, nadat deze zeer jong gestorven was,
aan de zorgen toevertrouwd der baronnesse van Z. tot W. en S.
Waarom stelde Otto, die nooit te voren zich om welke prinses ook bekommerd
had, zoo veel belang in deze bijzonderheden?
Och, omdat ze een weinig op haar geleek.
Nu speelde het orkest het nationale lied, de vorstelijke personen kwamen
binnen, de grijze koning in generaalsuniform met zijn indrukwekkende
gade in rooq fluweel; de kroonprins,
[106:]
wiens schrale figuur
geheel verdween onder het goud der borduursels van zijn uniformrok en
zijn ridderorden, eindelijk, omstuwd door heeren en dames in groot gala,
de jonge kroonprinses, stralend van jeugd en schoonheid. Otto duizelde,
hij stond in zijn verbeelding op het balkon van het chalet.
Die prinses Rafaëlla in haar wit satijnen kleed, met de diaIllanten
kroon op de bruine lokken en de schitterende rivière om ien hals,
met dien glimlach vol zonneschijn en glans, welke dien ier edelsteenen
verdoofde, was het mogelijk, dat hij die gestalte in zijn armen gesloten,
dat gekroonde voorhoofd gekust had?
Was het een begoocheling, een sprekende gelijkenis? Kroonprines van
X, aanstaande koningin, het meisje, dat Clarence voor juf niet ongeschikt
achtte? Het was om te duizelen, het kon met zijn; daar ontdekte hij
tusschen al die edelvrouwen in de koninklijke loge een ander bekend
gezicht, het in grijze krullen omsloten, goedige gelaat van tante Bertha.
En nu begreep hij alles en hij zag haar naast dien moeden, uitgeputten
man, het volk, dat haar met geestdrift verwelkomde, altijd den geheelen
avond door begroetend met denzelfden glimlach, welke zoowel op het gelaat
van vorsten, als van komedianten, die hun vak verstaan, ingesneden schijnt,
een lach, die als het ware het zegel is, waarmede zij een wereld van
gevoelens en gewaarwordingen voor een onverschillig publiek afsluiten.
"Helaas!" dacht Otto, "hoe heel anders heb ik haar dien
lach zien gebruiken.