X.
EEN KRANTENLIEFHEBBER.
De intocht der van
Breugelens in Achterwei was lang niet zoo triomfantelijk als hun uittocht;
ze waren met alles en alles maar veertien dagen weg geweest.
't Was avond en het stortregende nog en hun reisjaponnen zagen er flets
en slap uit; de hoeden waren uit den vorm, de parasols hadden als parapluies
dienst moeten doen en waren tegen die zware taak niet bestand geweest;
de sluiers hingen in flarden.
In Ems had men het geen drie dagen uitgehouden, mevrouw werd hoe langer
hoe zieker.
"Naar huis,'" was de algemeene kreet, "naar huis, naar
huis!"
Mevrouw werd naar binnen gedragen, maar herstelde spoedig nadat ze de
noodige rust had genomen en weer den gewonen kost van tante Ko-Mie kon
gebruiken.
Zij had echter het vaste besluit genomen nooit meer te reizen en tante
Ko-Mie gaf haar gelijk en zelfs haar man besloot zich Piet meer aan
't buitenland te wagen.
[107:]
Clarence verzekerde,
dat zij zich dol had geamuseerd, jammer dat mama's ziekte er zoo tusschen
kwam en Albert sneed hoog op van de wonderen, waarover hij in Baedeker
had gelezen.
Van Otto hoorde men niets meer.
"Hoe 't met zijn juf is afgeloopen," zei Clarence minachtend,
"zou hij haar nog nareizen?"
"Vind je niet dat deze dame op haar lijkt?" vroeg Minette,
die een nummer van de Ueber Land und Meer doorbladerde, en reikte haar
zuster het portret der kroonprinses van X over.
"Ze mocht willen dat ze op een prinses leek," was 't verachtelijke
antwoord en Clarence schoof het blad ter zijde.
Een paar maanden later kwam Otto afscheid nemen voor zijn vertrek naar
Indië; hij ging ongetrouwd heen en Clarence vroeg hoe 't met Gretchen
was.
"Ik geloof uitstekend."
"Heeft zij een goede betrekking gekregen?"
"Zoo goed," en Otto lachte bitter, "dat ze niet met mij
wilde meegaan."
"Ha, een blauwtje dus," dacht Clarence, "hoe is 't mogelijk
liever juf te zijn dan Otto's vrouw," maar tot haar spijt dacht
Otto er niet aan haar te verzoeken hem over die vernedering te troosten.
En hij vertrok zonder Clarence de voldoening te geven, van te weten,
wie zij had willen vernederen.
Otto is bezig een goede carrière in Indië te maken; hij
denkt niet aan een levensgezellin en had den naam van een bijzonderen
krantenliefhebber te zijn. Als er een mail aangekomen was, wierp hij
alles overhoop om van zeker land de tijdingen na te zien. Zoo wist hij
precies, wanneer de oude koning daar opgevolgd werd door zijn zoon;
op den dag af kon hij zeggen, wanneer er een prinsje of prinsesje geboren
was. Eens las hij echter dat de jonge koningin, diep betreurd en beweend
door haar onderdanen, wier afgod zij scheen, na een kortstondige ziekte
overleden was.
En dien dag las Otto niet meer en zijn hartstocht voor kranten scheen
ook gestorven.