doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Thèrèse Hoven: Vervreemd. Indische roman
Amersfoort: Valkhoff & Co, 1906


[72:]<.

HOOFDSTUK VI.
Met een jonge dame uit.

Och! God - kapitein Grootveld - wat vind ik dat Golland vervelend," was mevrouw Dubanc's uitlating, na de eerste begroeting.
"Ik schrijf al aan mijn man: "Ventje, ik kom weer terug."
"U is, meen ik, voor uw gezondheid naar Europa gegaan, mevrouw?"
"Ja, voor een buikoperatie," antwoordde zij cru.
"Maar ik houd 't toch niet uit; ik vind Golland om je dood te kniezen."
Kapitein Grootveld haalde de schouders op en keek rond.
Zonder erg, mogelijk onbewust, had 't nonnaatje de Haagsche hôtelkamer in een Indische achtergalerij herschapen; zoo ver 't tenminste ging. Zij zelve was in sarong en kabaja met een over-kabaja van goudkleurig pluche met een donker rood fluweelen rand

[73:]

er om heen - welk kleedingstuk haar, even vóór haar vertrek van Padang, nog door een toko-houdster, die er mee was blijven zitten, was aangesmeerd.
De baboe zat op den grond gehurkt, met 't jongste kind in haar slendang, terwijl 't oudste, dat zoo maar in een hemdje rondliep, wanhopige pogingen deed om op ba's rug te klauteren. Om de kachel - die rood gloeiend stond, hing een heete kinderwasch, terwijl alle mogelijke en onmogelijke toilet-artikelen, hier en daar, verspreid lagen.
Toen de kapitein binnen kwam, zaten mevrouw Dubanc en Fientje Reewald over een petroleumtoestel gebogen, dat op den grond was neergezet, en waarop een pannetje met 't eene of andere Indische kostje stond.-
"Pientje wou zoo graag kokentjes doen," vertelde mevrouw Dubanc; "ze wou katjang goreng maken, maar dat gaat zoo slecht op een oliekacheltje. Och! kapitein, ik mis toch zooveel. Gisteren had ik toch zoo trek in echte kanarie-koek. Kan hier heelemaal niet krijgen en kan ook niet maken zonder taartepan. Hè, Pien, zoo'n echte Indische, met houtskool van boven en van onderen…
"U mag wel oppassen met 't kind," ried de kapitein, die de atmospheer met de gloeiende kachel, het drogende waschgoed en den petroleumwalm alles behalve geurig vond.
"Is ook zoo lastig, één kamer maar, hè?

[74:]

"Ik heb niks dan dit kamer en dan nog twee kabinetten, één voor njo en mij en dan één voor non en de baboe."
"Zoo, ba, slaap-je ook in een bed - tampat tidor, ja?" vroeg de kapitein lachend.
De baboe grinnikte en liet haar, door sirih kauwen roodbruin geworden tanden zien; daarop schudde ze met 't hoofd en vertelde ze den toewan commandan' dat ze veel te bang was om er uit te vallen en 't maar op een matje met een paar wollen dekens afdeed.
"En Fientje, hoe heb-jij 't?" informeerde de kapitein.
Fientje's dikke wenkbrauwen trokken zich samen.
"Ik vind Holland net zoo als mevrouw Dubanc, maar veel erger. Is ook veel verschrikkelijker voor mij, want ik moet leeren en… ik heb Flip moeten achterlaten, zoo sajang toch."
Mevrouw Dubanc zuchtte en dacht aan haar Flip! Hij heette Doris... "maar was toch zoo goed als Pientje zijn Flip."
"Als hij, terwijl zij weg was, nu maar niet te erg aan 't boter uitbraden ging, ja?
Toen nonnie kwam, zaten ze zóó diep in 't binnenland, dat ze twee dagen in een open boot moest varen om naar een plaats te gaan, waar een dokter was.
Nou... en toen was der van alles bijgekomen en was 't zoo'n echte sukkel partij geworden - dat ze, naar Europa moest gaan om geäpereerd te worden, kassian toch!

[75:]

En net had hij een betrekking als ingenieur in Padang gekregen; hij kon dus niet weg. -
Hij zou in een paviljoen gaan wonen en hij had haar beloofd braaf te blijven…
En nu zat zij toch te piekeren.
"Kapitein, brandy soda, ja?" vroeg ze, zich aan haar overpeinzingen ontrukkende.
"Mevrouw, 't is nog te vroeg voor toddy, dank u en dan ook, ik heb beloofd een jonge dame thuis te brengen - dan moet ik oppassen, wat?"
"O! wat een schalk, toch!" lachte mevrouw Dubanc.
"Zoo'n zeeman ja? Is nou pas thuis en gaat met een jonge dame uit."
"Dat heb ik niet gezegd, mevrouw," verbeterde de kapitein, die zelf machtig pleizier in zijn mystificatie had. "Van uitgaan heb ik niet gesproken, alleen van thuisbrengen. Kom, Fientje, jij bent de jonge dame, vooruit dan, ja?"
Mevrouw Dubanc proestte 't uit: "Dat is een goeje, ja? Ik loop der nog in. Nou, zeg, Kapitein, u kunt ook goed voor 't lapje houden."
"O! jé! zoo goed," stemde de kapitein toe. "En nu stappen we op want dat jonge goedje hier moet toch zeker naar bed," - met een handgebaar op de kinderen wijzende.
"Och! ze hebben van middag allebei zóó lang geslapen. Ik houd ze nog maar op, ja? anders beginnen

[76:]

ze 's morgens zoo vroeg en is toch zoo vreeselijk, zoo'n ochtend in Holland, zoo heelemaal donker en koud. Is toch gek - om negen uur begint pas licht te worden."
"Hei, mevrouwtje, met uw verlof, negen uur is wat te kras."
"Nou - ja, bedoel maar zoo laat."
"De winter is een lastige tijd om door te komen, dat is zeker," stemde de kapitein toe, "en dat voor ons, die zoo pas uit de Oost komen, met onze wijde poriën!"
Fientje had zich intusschen gereedgemaakt en zei tot haar gastvrouw:
"Mag wel gauw terugkomen, ja, mevrouw? Is zoo vreeselijk saai bij de tantes, ik kan heusch niet uithouden."
"Kom, jij moet flink zijn," poogde mevrouw Dubanc, met impressieven ernst, te zeggen. "Is voor jou opvoeding - en toch ook prettig voor jou Flip, als hij niet zoo domme eend van een vrouw krijgt, ja? Kapitein, zeg nou zelf."
"O! jé!" antwoordde de kapitein met zijn gewone stopwoordje, waarin hij juist zoo veel beteekenis kon leggen, als hij voor de gelegenheid geschikt achtte.
Een oogenblik later was hij met Fientje op straat.
"En hoe vond-je 't, dat ik je daar zoo kwam halen?"

[77:]

"Nou wel leuk, ja? Gaat u taartjes en een glaasje ijs met mij eten, ja, kapitein?"
De kapitein begon hardop te lachen. "IJs - met dit weer? Als de kou aanhoudt, kunnen we 't over een paar dagen zoo uit de grachten halen, wat?"
"Vanille-ijs ?" vroeg Fientje verbaasd.
"Nee... dat nu niet, Holland is geen Luilekkerland."
"Vind heelemaal geen lekker land," vertelde Fientje.
"Wou maar 't liefst u mij maar meenam; wilt u - als-'t-blieft?"
"Nou maar, zeg 's, dat is toch maar gekheid..."
"Juist niet; ik verlang zoo naar huis…"
"Kom, malle meid, ze zullen het thuis best zonder je stellen."
"Maar Flip niet."
"Flip net zoo goed, misschien nog beter."
Fientje begon te schreien: "Zegt u nou expres om mij te plagen. Is niets aardig."
"Ik doe 't ook niet om aardig te zijn," bekende de kapitein.
"Maar je moet verstandig wezen, net zooals mevrouw Dubanc daarnet ook zei."
"Nou maar...." Fientje lachte al weer; "zij mag wel stilhouden, is zelf zoo'n domme eend als iets. Bah! Zoo vervelend, babbelt altijd maar door over die twee kinderen van haar, en dan haar man...

[78:]

"Dat is toch natuurlijk," vond de kapitein.
"Maar ook vervelend," merkte Fientje op.
"Waarom ga-je dan bij haar?"
"Nou, dat is ook omdat zij mij verzocht heeft."
"Aan boord was je toch dol op haar...
"Niks van aan, ik kan toch niet helpen, dat ik toevallig in haar hut slaap, ja? Dan was ik van zelf veel samen, altijd toch."
"En waarom ben-je toch eigenlijk met mevrouw Dubanc meegegaan, over land? Je weet toch, dat je Papa en ik afgesproken hadden, dat je tot Holland mee zou gaan."
"Nou ja, maar 't verveelt me zoo op de boot en mevrouw Dubanc zegt: "Kom., ga maar mee. En dan vond ik ook leuk om zoo stilletjes weg te loopen, terwijl u aan de wal was, ja? Ik had aldoor zoo'n angst, dat u ons nog zien zou."
"Het was een ondeugend stukje van je."
"Niks erg, hoor. Weg te loopen met een dame en twee kinderen. Als 'f nou nog met een meneer was geweest, of met Flip?"
"Foei, een meisje moet zoo niet spreken," begon de kapitein afkeurend; doch Fientje gaf hem de kans niet er iets bij te voegen, want zij viel haastig in: "Ik ben een dame, dat hebt u zooevén zelf gezegd."
"Dan moet je je ook als een jonge dame probeeren, te gedragen, en trachten je in je lot te schikken. Ik

[79:]

heb, vóór ik bij mevrouw Dubanc kwam, een visite bij je tantes gebracht en ik moet zeggen, dat ik een heel prettigen indruk van ze kreeg. Ze lijken mij een paar hoogst beschaafde, ontwikkelde dames; je kunt nog heel wat van ze leeren, jongejuffrouw."
"Is heelemaal niet noodig," kondigde Fientje aan.
"Ik hoef toch geen schooljuffrouw te worden."
"Hei... hei Fientje," zei de kapitein waarschuwend. "Dat moet je nu niet zoo zeggen. Je Mama is toch ook zoo begonnen."
"Nou ja, maar Mama is toch nooit zoo'n echte geweest. Ik verlang naar Mama," zei ze, opeens van toon veranderende. "Och! toe, kapitein Grootveld, neem me maar mee, wanneer vertrekt de Regentes ?"
"O! jé, vooreerst nog niet, ze moet nog dokken. In de golf van Biscaye hadden we zulk extra gemeen weer, toen heeft ze een knauw gekregen."
" Maar u gaat toch wel weer naar Indië," drong Fientje aan, wie 't lot der Regentes maar matig interesseerde.
"Dat zal wel; ik zal nog wel een paar jaartjes mee moeten."
"Als u dan den eersten keer weggaat, neem mij dan mee, ja? Ik heb zoo heimwee en vind Holland zoo naar en de tantes, ook. Ik geef geen duit om ze en zij om mij ook, niet."
"Kom, dat verbeeld-je je maar."

[80:]

"Heelemaal niet. Ze vragen zulke gekke dingen en begrijpen niks van Indische menschen."
"Ja, kind, dat is de gewone klacht! 't Zijn nu wel de eigen zusters van je moeder - maar jelui zijt mekaar toch vreemd, dat is waar. je zult aan elkaar moeten wennen."
"Is niet noodig," verzekerde Fientje laconiek.
"Als je nu toch hier moet blijven voor je opvoeding?"
"Is ook niet noodig. Heelemaal knap word ik toch nooit, dan is toch veel gemakkelijker heelemaal dom te blijven. Zeg nou zelf, kapitein. Ik ben toch te oud, ja?
"Gut, in Indië ben ik toch al bijna volwassen. Toch al 'engageerd…
"Wat blief-je?"
"U weet toch met Flip - kan nou toch niet een schoolmeisje worden en een klein kindje."
De kapitein kreeg 't warm!
't Was, uit pure goedheid, een gewoonte van hem geworden om zooveel mogelijk op de hoogte te blijven van de kinderen, die hij overbracht.
"U vadert zoo over ze, ja?" had een nonnaatje eens tot hem gezegd.
En ja, hij stelde een vaderlijke belangstelling in de jeugdige ballingen, voornamelijk om hun achtergebleven ouders persoonlijke indrukken van hun lievelingen te kunnen geven.

[81:]

Dat had hij jaren en jaren gedaan, maar 't was een ondankbaar werk, en hoe meer hij de levende exotische planten naging en bestudeerde, des te vaster werd zijn overtuiging - dat overplanting, in de meeste gevallen, vergeefsche moeite was.
Zoo piekerde hij nu over een geval, dat hij zich erg aantrok. Onder de passagiers van de Regentes was een echte Nonna geweest, nog wel een van de buitenbezittingen, die nog nooit een corset, een japonof een hoed gedragen had.
Haar man had het tot assistent-resident, ergens op een buitenpost, gebracht en was onlangs gestorven, en nu weigerden haar beide dochters, die haar opvoeding in Holland genoten hadden, bij de moeder en haar typisch Indische omgeving terug te keeren.
Menigmaal had de stakker hem haar nood geklaagd.
"U weet niet, kapitein, hoe kassian voor mij. Ik heb zooveel kindjes gehad, allemaal verloren, niet zoek maar dood. Toe, zeg toewan dokter, u moet naar Europa sturen, ja? Die Lien en Lot, zoo mooie meisjes toch. Mijn man brengt zelf, was toen pas controleur -:- kost een hand vol geld, ja? Wel twee en drie, kun-je gerust zeggen.
"Mijn man, hij volbloed Europeaan - die meisjes van ons ook. Wij krijg dikwijls brieven, ja - zoo knap! En past 'allebei zoo goed op. Ik zeg altijd, toe nou, vent, laat toch terugkomen, ja? Zoo stil bij

[82:]

ons. Als mijn man gaat op tournée ben ik zoo zielsmoeder alleen - verlang zoo met mijn ziel - ben toch de moeder. -
"Kassian, toen hij sterf en ik schrijf ik laat schrijven, ja - Lien en Lot moet allebei terugkomen, en weet u, wat gebeurt?
"Och, God, kapitein, 't maakt mij kapot, heusch!
"Zij schrijf allebei - bedank der voor. Lien wil dokter worden - en Lot wil in de muziek..."
"Dus een roeping? ja, mevrouw, dat is zoo de richting in onze dagen. Zeker knappe meisjes?"
"Kan toch ook in Indië knappe meisjes zijn, ik verlang zoo - maar ze wil der niets van hooren. Allebei zeg - wil niet naar Indië, blijf in Holland." -
Kapitein Grootveld kreeg er nog tranen van in de oogen als hij aan de stumper dacht, die expres naar Holland ging om haar kinderen te halen en te trachten, de in de Oost geborenen te onttrekken aan den invloed der Westersche beschaving.
Veel vertrouwen had hij er niet in en hij rekende er vast op - de arme moeder. oud vóór haar tijd, weer mee terug te moeten nemen.
Door de cultuurmaatschappij als een non-valeur teruggezonden!
"Woh, kapitein, geen centje vroolijk!" wekte Fientje hem uit zijn mijmerij.
"Neem me niet kwalijk. Ik dacht aan moeder Dalmeijer."


[83:]

"Die dikke schommel, ja? Wij lachen altijd zoo om haar."
"Hè, Fientje, en ze was altijd zoo aardig voor je."
"Nou ja, zij zegt - dat ik haar aan Lien en Lot doe denken. Misschien ook geen compliment. Weet u, ik heb nog briefkaarten voor haar geschreven, ik geloof niet dat zij kan schrijven. Zij is een echte inlandsche, misschien niet eens getrouwd, ja?"
"Foei, kind, daar moet een meisje niet over spreken."
Fientje begon hardop te lachen. "Denk u, dat ik niet weet? Ik weet alles, misschien meer dan u."
"Ik moet toch zien, dat ik mevrouw Dalmeijer eens ga opzoeken; 't interesseert mij bepaald, hoe dat zaakje afgeloopen is. Zou ze niet naar Amsterdam gaan?"
"Ja, Lien en Lot wonen samen in Amsterdam."
"Leuke stad, ja - kapitein? Als u gaat, neemt u mij mee? Toe, ik wou zoo graag."
"We zullen zien - en daar zijn we bij de tantes - nu, dag Fientje."
"U gaat toch mee naar boven, ja? Toe, even spreken met de tantes."
En of hij wilde of niet, de kapitein moest, voor den tweeden keer, zijn compliment bij de dames v. d. Horst afsteken. Zoodra hij zat, kondigde Fientje aan: "Ik ga mee terug - wilt u, als-'t-blieft, samen afspreken?"


inhoud | vorige pagina | volgende pagina