III.
In een allergezelligst
hoekje der voorgalerij van het groote huis der De Henszen op Menteng
zat George Woudsma tegenover mevrouw - een elegant een beetje gezet
figuurtje met de mooie bruine gouddoorvonkte oogen van haar zuster,
levendig, vroolijk en zeer sympathiek.
"Ja, ik kan me begrijpen dat u er van ophoorde. Die goeie, beste
Henri, 's morgens was hij nog bij ons geweest - 's middags ging hij
weg van het kantoor wat onwel - 's avonds krijgen wij een boodschap
van Olga of wij even willen aankomen en's morgens alles afgeloopen.
Over veertien dagen wordt het een jaar, 't is mij of ik alles weer doorleef!"
"En zij?"
Mevrouw De Hensz lichtte even de schouders op.
"Wat zal ik u zeggen? Zij viel ons eigenlijk mee, want wij dachten
- zij komt het nooit te boven zoo'n slag en dan zoo bliksemsnel. Eerst
was zij dan ook radeloos, zij bemoeide zich met niets, zij wilde niet
eten, zij wilde het huis niet uit -,- ik bleef dag en nacht bij haar
- 't duurde lang vóór zij huilen kon - en toen was zij
gered meende de dokter -
[385:]
maar och! zij was
zoo mat, zoo af, - toen werd zij ernstig ziek - haar laatste hoop op
geluk vervloog - ik weet niet wat wij toen hoopten, beterschap of niet..."
"En na dien tijd is zij veranderd?"
"Niet dadelijk, zij was aan de beterhand, doodzwak nog wel, en
innig - maar natuurlijk - bedroefd. Ik moest naar huis omdat mijn Puck
de mazelen kreeg - zij had haar oude Baboe bij zich en vriendinnen kwamen
haar dagelijks bezoeken. De Hensz reed altijd even aan als hij naar
de stad ging
"
"Is er toen iets bijzonders gebeurd?"
"Ik weet het niet, soms zou ik het denken en soms geloof ik weer
dat alleen een groote reactie intrad, dat zij te jong was om met haar
verdriet op te staan, naar bed te gaan, den heelen langen dag mee te
leven. Op een morgen - ik vergeet het nooit - rijdt haar mylord ons
erf op en zij stapt er uit in haar bonte kimono - verbeeld u - zij die
tot nu toe alleen zwarte sarongs en kabaya's met gitknoopen had willen
dragen."
"En hoe was zij nu?"
"Heel veranderd, zoo iets unheimisch in de oogen, iets verwards,
iets verwilderds, dat ik er nog niet in gezien had, zelfs in haar oogenblikken
van wildste smart. Zij stapt uit, en komt lachend naar mij toe, maar
ó die lach! ik zag liever nog haar grootste droefheid - zij schijnt
doodbedaard en vraagt:
"Zus, kan je mij logeeren?"
"Nu dat is mij ook een vraag, antwoord ik. Dat weet je toch wel."
"Maar ik bedoel voor goed!"
"Ik antwoordde nog niet dadelijk; ik begreep er niets van, - 't
klonk zoo vreemd en ook haar stem was zoo heel anders. Zij werd dadelijk
ongeduldig.
"Nu graag of niet hoor! Vindt Dolf het niet prettig, zeg het gerust.
Ik kan overal terecht voor geld."
[386:]
"Wel ik vind
het verrukkelijk en Dolf ook, maar wat ben je dan wel van plan te doen?"
"Alles opdoeken, vendutie houden, de spons over alles halen."
"En zoo is 't gebleven; wij ruimden het pavilloen voor haar in;
zij heeft het heel mooi gemeubeld en haar inboedel verkocht. Een vonkelnieuw
snoezig boeltje. O 't is alles zoo vreemd!"
"En hoe bleef zij verder?"
"Opgewekt, vroolijk, maar een opgewektheid, die ons pijn deed,
zoo iets van-ik-lach-omdat-ik-niet-huilen-wil. Wij waren eerst ongerust,
wij vreesden een nieuwe reactie, maar dat duurt nu reeds zoolang en
zij interesseert zich weer voor alles - maar toch toch 't is de oude
Olga niet meer."
"Maar haar man
"
"Zij noemt zijn naam niet meer! Waartoe dienen herinneringen? zegt
zij. Wij moeten genezen, wij moeten gezond van ziel zijn en geen ziekte
koesteren, zoo kunnen wij nooit genezen. Soms zeg ik wel eens, als zij
al te mondain spreekt en in alles met ons mee wil doen - want wij gaan
veel uit - "Kindje-lief! is 't wel passend? Geeft het geen aanstoot?"
Dan lacht zij weer met den naren, valschen lach, dien ik nooit eer van
haar hoorde en zegt: Kom zus, geen ouderwetsche dingen meer. Wij moeten
modern doen, wij zijn moderne menschen en die laten zich door niets
binden, door geen conventie."
"Haar rouw - en conventie!"
"Dat zeide ik ook, maar zij beschouwt het nu zoo.. 't Doet mij
zoo'n pleizier ronduit met u over alles te kunnen praten; hoe toevallig
dat zij alleen uit is, naar den Dierentuin, nu kan ik mij vrij uitspreken.
Ik ben ongerust over haar, werkelijk. Zij is zoo heel anders dan als
jong meisje of jong vrouwtje - dikwijls denk ik - mag ik 't zeggen..."
"Natuurlijk mevrouw?"
"Of het niet beter was als zij weer een goeien, flinken man had,
zij is zoo plotseling uit haar sfeer gerukt, maar als men
[387:]
daarover spreekt
wordt zij in-wit of zij een toeval zal krijgen.
"Neen nooit, nooit meer - een keer is genoeg!"
George voelde dat ook hij bleek werd. Juist reed de panier, die zij
zelf mende terwijl Puck naast haar zat, het erf op.
Met een sierlijken zwaai hield zij voor de marmeren trappen der voorgalerij
stil, wierp de teugels aan Ali den palfrenier toe, tilde haar nichtje
uit het rijtuig, kuste haar nog even op het voorhoofd en ging toen langzaam
de trap op.
Een symphonie in wit en zwart - onwillekeurig moest George er aan denken.
Het wit chantilly kant van haar overkleed viel over een onderjapon van
zwarte zijde, haar groote zwarte hoed was vol witte veeren: in haar
ooren vonkelden reeds brillanten en om haar hals schemerde een dubbele
ketting parelen.
Ja, zij was mooi, verblindend, bedwelmend mooi, maar hoe verschillend
van Olga, de teere, echte Olga van vóór twee jaren.
Toen zij George zag, deinsde zij achteruit.
"Woudsma - u- " 't Was of haar oogen schuw naar binnen vluchtten,
haar lippen trilden en onder de parelen zag hij den fijnen hals zwellen.
"Had u mij niet verwacht?" vroeg hij haar naderend zacht,
"gisteren zag ik u."
"Ja op Rijswijk. Ik meende dat u het was, Alice had uw naam gelezen
onder de aangekomen passagiers. En heeft u zich geamuseerd in Europa,
naar de Parijsche tentoonstelling geweest? Zij moet prachtig zijn -
flamboyant! Kennissen van mij waren er en schreven er over. Ik plaag
Dolf en Alice om er uit te breken en met een retourtje daar met mij
heen te gaan. Was u er?"
"Neen, ik was in geen stemming!"
"Och wat stemming! Men heeft de stemming die men hebben wil."
"Mijn lieve moeder is gestorven."
[388:]
"Dooden zijn
dood, men moet leven met de levenden."
Hij zag haar aan met zoo'n droevig doordringenden blik, dat zij onwillekeurig
naar haar nichtje omkeek en haar verzocht eens te kijken of zij haar
zakdoek niet in 't rijtuig had laten liggen. Even had hij echter in
haar oogen gezien, diezelfde goudbruine oogen in hun fijn blauw-wit
- maar er lag iets over, een sluier - een schaduw! Zij straalden niet
meer als vroeger, er scheen iets dors in, iets kouds of versteends -
dat zich aan haar geheele zijn mededeelde ondanks haar beweeglijkheid
- en dien altijd lachenden mond - lachte zij zoo omdat anders twee groeven
langs de kin zouden zichtbaar worden?
"Wat heeft haar zoo veranderd?" vroeg hij zich af. "Wat
kan het zijn? Geen rouw toch!"
"Verbeeld je," zoo ging zij voort, tot haar zuster druk pratend
en gesticuleerend, "wie ik in onze Zóó ontmoette,
luitenant Wiegers; hij vroeg mij of ik morgen met hem en de Siervelds
mee ga fietsen naar Salemba. Ik heb 't aangenomen; 't wordt dan vroeg
dag - vijf uur op 't pad."
"Met de Siervelds?"
"Nu ja, zijn je die niet deftig genoeg?"
"Dat niet, maar
"
"Om dat malle praatje? Foei Lies! wat wordt je collet monté.
Dat kan zij niet helpen. Zij is er onnoozel ingeloopen - zij is erg
pikant, zij amuseert mij!"
Olga en pikant! George voelde dezelfde sensatie of hij een bloem zag
verwelken, een beeld in gruis vallen, een vlinder vertrappen.
't Benauwde hem, hij ging aan de baIustrade staan; mevrouw de Hensz
zocht een voorwendsel om haar dochterte naar de binnengalerij te volgen.
Olga stond ook op en leunde naast George over het hek.
"Mijn ouders zijn in Fort de Kock; zij wilden mij bij zich hebben.
Ik heb er voor bedankt. Batavia is verrukkelijk, als men er weet te
leven."
[389:]
Hij zag haar aan
diep treurig, en als had hij haar woorden niet verstaan, zeide hij:
"Wat heb ik u beklaagd - maar ook hem. Zoo uit het volle geluk
- en
"
"Dat is voorbij!"
Haar stem klonk hard en heesch, haar handen drukten op het ijzer van
het hek en haar oogen zwierven rond.
"Ik wil nog van het leven genieten, wat er van te genieten valt,
ik wil niet lijden, ik wil niet..."
Dat laatste klonk als een snik.
"Ligt dat in onze macht?"
Zij drukte de hand nog vaster op het hek tot zij er pijn van voelde.
"Als men maar niet alleen is als men maar niet tot bezinning komt
als men veel dingen in het hoofd heeft..."
"Maar 't hart blijft toch leeg!"
En toen, zich voorover buigend, trachtte hij haar weer in de oogen te
zien, zij richtte ze hardnekkig naar een anderen kant, zij voelde dat
er een macht uit de zijne ging, waaraan zij op den duur geen weerstand
kon bieden.
"Waarom is hij terug gekomen? Waarom is hij niet in Europa gebleven!"
zuchtte het in haar.
"Ik had gehoopt veel van u over hem te hooren, veel van zijn laatste
levens maanden of liever dagen - veel van wat niet het intieme van uw
geluk raakt, maar dat mij toch veel waard zou zijn. Heeft hij nog dikwijls
over mij gesproken?"
"Ja, hij begreep uw overhaast vertrek niet. Hij scheen veel van
u te houden."
"Scheen?"
"Is alles geen schijn?"
"Uw geluk toch niet!"
Zij haalde de schouders op.
"Misschien wel!"
"Zijn liefde dan?"
[390:]
"Mijnheer
Woudsrna, ik waardeer het zeer dat u zoo veel van uw vriend heeft gehouden,
maar vergeef mij, dat dringen in mijn ziel vind ik - niet delicaat."
"Dus wil u niet met mij over hem spreken?"
"Noch met u, noch met iemand anders!"
Zij ging naar binnen, langs hem heen zonder hem aan te zien en toen
naar de piano - zij sloeg eenige forsche accoorden aan en speelde een
fantaisie vol wilde dissonanten en brutaal afgebroken melodieën.
"Wat stel jij je toch aan," fluisterde Alice haar boos toe.
Zij wierp haar een spottend trotschen blik terug en liet de piano lachen,
gillen, daar tusschen snikken en klagen.
"Hè tante," vroeg Puck, "wat een leelijk mopje!
Wie heeft dat gemaakt?"
Haar moeder vroeg of George bleef dineeren.
"Dank u," antwoordde hij met doffe stem, "ik heb behoefte
alleen te zijn, te begrijpen."
"Wij staan er al zoo lang voor."
"Zij moet gered worden, want zij gaat over een gevaarlijken weg."
"Dat vrees ik ook - maar er is niemand naar wien zij luistert.
- Hoor dat dolle spel "
"Ik ga heen!"
"Olga, mijnheer Woudsma neemt afscheid van je," en zacht tot
hem: "U komt spoedig terug
"
Olga brak abrupt af en kwam naar voren, glimlachend, vriendelijk, schijnbaar
bedaard.
"Als ik u niet meer zien mocht, dan ga 't u wel," zeide zij,
hem de hand reikend.
"Een afscheid voor goed," dacht George.